Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

water van het Kempzaed of kruid geneest ook alle zweringen en gezwellen van het hoofd, en is nog zeer goed om op het flerecyn te leggen; de takken van den Kemp in de bedsteden gelegd, verdryven de weegluizen, enz.

KERSENBOOM, Kerselaer, Kriekenboom, Kriekelaer, in het fransch Guignier, Cerisier, in 't latyn Prunus cerasus, is door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemdragende boomen gesteld, en onder de 12e klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, boomen die met twintig en meer helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Ik zal eerst de Kersenboomen beschryven, omdat de krieken gemeenlyk op de Kersenboomen geënt worden, en de kicmpjes van die vruchten geplant, alloos maer wilde kersen voortbrengen, welke aen die der moederplanten zeldzaem gelyken, maer nogtans somtyds ook sappige en smakelyke vruchten zyn; ik zal ook die met dubbele bloemen melden, welke in de lusthoven als versiering om hunne lieflyke bloemen worden geplant. Men vindt onder dit slach de groote roode spaensche Kersen en de witte Kersen, die nooit rood worden, maer zeer smakelyk zyn; de groote’zwarte Kersen, die zeer sappig en smakelyk zyn, en de Sint-Jans Kersen, die vroeg hare rypheid verkrygen.

De bonte Kersenboom (Bigarreautier), met witte geelachtige vruchten, en die met gele vruchten; de schoone Rochmont, met groote vruchten, met klaerroode oppervliesjes naer den kant der zon en geel aen de schaduwe; de bonte Kersen met gele vruchten, van België; de groote bonte roode en vele andere, die zeer sappig en zoet zyn en eenen ververschenden smaek inhouden, worden hier allen om hupne goede vruchten in april op de wilde stammen van de gemeene Kersen geënt.

De Kersen met dubbele bloemen (Prunus cerasus flore pleno), bloeijen hier meest in april met allerschoonste dubbele, wit gespikkelde bloemen die de hoven lieflyk versieren.

De Vogel-Kersen met dubbele bloemen (Cerasus silvestris flore pleno), bloeijen in het beginne van mei, met schoone dublele, wit gespikkelde bloemen, in tuiltjes vereenigd, die wel

op

aen de dubbele Ranunkels gelyken, en waeronder men eenige medesoorten vindt, die kleine dubbele bloemen dragen. Al die Kersenboomen met dubbele bloemen dragen geene vruchten, uitgezonderd de Wyn-Kersen en de Gulden-Monds-Kersen, die halve dubbele bloemen hebben en vruchten voortbrengen; zy worden ook allen de stammen van de gemeene wilde Kersen in de kloven geënt.

De Kriekenboom (Prunus cerasus van Linnaeus) is een langlevende boom van Azië, die uit Bithinië, na den veldslag van Nicomedië, 75 jaren vóór Christus geboorte, door den beroemden en vermaerden Lucullus, romeinschen consul en bevelhebber van het leger van Azië, eerst naer Italië is gezonden, en van daer in Frankryk en verder in België is verspreid geworden, alwaer hy tot heden om zyne gezonde vruchten gekweekt wordt. Onder den naem van Krieken worden heden veel soorten begrepen, die van elkander eenigzins in gedaente, kleur en smaek verschillen, en ook bekend zyn onder den naem van Krieken, Morellen, Griotten, Waterloozen, brugsche Krieken met korte stelen, noordsche en brusselsche Krieken, Portugiezen, montmorencische Krieken, montreuilsche Krieken, die by Parys gemeenlyk vroeg rypen en hier Waterloozen worden genoemd, welke allen eenen geurigen, wynachtigen smaek inhouden. Men vindt onder de Morellen en Griotten, die aen de muren worden gekweekt, de groote koninglyke Morellen, de blauwe Morellen, de muscadel Morellen, enz.

De Kriekenboom met trosjes (Cerasus padus) van Italië, die maer omtrent 2 of 3 meters hoog wast, met groene levende bladen, bloeit in mei, met schoone trossen en witte bloemen, die bittere zwarte vruchten geven, waervan de medesoort, Cerasus padus rubra, kleine roode bittere vruchten voortbrengt.

De welriekende Kriekenboom (Cerasus mahaleb) van Italië, bloeit in juny, met bloemtrossen en zeer welriekende, witte bloemen; maer de vruchten van dezen boom zyn niet eetbaer.

Alle de gemelde Krieken worden hier in maert of april op de gemeene Kersenboomen geënt en willen in onze matige luchtstreek wel aerden, maer begeren van naluer eenen goeden ver

schen, ongemesten grond, en willen in kleiachligen grond niet aerden; ook als zy geplant worden waer andere Krieken- of Kersenboomen gestaen hebben, willen zy niet groeijen, en eindigen met te kwynen en na eenige jaren to sterven, hetgeen ik dikwils by het planten van die boomen heb bemerkt. Wanneer de Kriekenboomen beginnen gom uit te werpen, is dit doorgaens een teeken van hunne zwakheid, waerna zy dikwils eindigen met te verdroogen. By bet verplanten van de geënte Krieken of Kersen moet men naer evenredigheid der wortels het hout of takken inkorten, en voort by het planten hun wel met aerde tusschen de wortels voorzien, dewyl de minste holligheid of lucht die in den put blyft, de wortels doet schimmelen. By het snoeijen, als de boomen wel hunne groeikracht hebben gevat, mag men nooit de jonge takken te veel inkorten, maer wel de oude takken alle 3 of 4 jaren van boven insnoeijen; dan maekt de boom schoon gewas en zyn de vruchten smakelyker.

De Krieken, Kersen en Morellen zyn rauw zeer ververschende, inzonderheid in heete tyden; want zy verkoelen en verslaen den dorst, verkwikken en worden voor zeer gezond geacht. Zy dienen ook voor de keuken, om verscheidene lekkernyen mede te bereiden. De Krieken of Morellen met suiker geconfyt, zyn zeer aengenaem, en mogen 200 wel van zieken als gezonden genuttigd worden : zy versterken het hart en lesschen den dorst.

Men maekt ook met de Morellen eenen aengenamen ratafia, waerloc men eerst de stelen afsnydt, dan de vruchten op brandewyn met kandysuiker en een stokje of lwee kaneel eenigen tyd laet trekken, en aldus eenen lekkeren drank bekomt. In Duitschland, Zwitserland en elders, waer veel Krieken wassen, wordt er een geestryk water mede gedistilleerd, waerloe men eerst de rype Krieken met de kerntjes klein stampt, dan in eene kuip laet gislen en te samen distilleerd of overhaelt, betgeen eenen goeden geestryken drank verschaft, die onder de naem van Kirsche wasser is bekend. Men maekt met de Morellen ook eenen goeden wyn, en in de wynlanden wordt het sap met sommige wynen gemengd, om er een schoon kleur en eenen aengenamen smack aen le geven. Het sap van de Krieken en zwarte Morellen

wordt ook veel gebruikt om kriekbier te maken en faro mede le bereiden, daer het aen al die bieren eenen aengenamen smaek verschaft. Het kriekensap wordt ook in de medecynen gemengd; met suiker gekookt en gezuiverd, kan het eenige jaren tegen het verderf bewaren.

KERVEL, Kervelkruid, in 't fransch Cerfeuil, Aiguille, in 't lalyn Scandix, is onder de 70 klasse, 8° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormig geschikte bloemdragende planten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf helmstyltjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

Het iekende Kervelkruid (Scandir odorata van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van de Alpische Gebergten, die in België ook in de zuidelyke provintiën wast, veel in de kruidhoven wordt gekweekt en eenen aengenamen geur verspreid.

Het Kervelkruid (Scandix cerefolium van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant die bier veel in de moeshoven alle jaren wordt gezaeid, en als toekruid in de keuken, om baren goeden smack, wordt gebruikt. Deze kostelyke kruidplant bezit zeer vele deugden; de welriekende geur die deze plant inhoudt, wordt toegeschreven aen eene zeer gele olie, door den heer Thomson ontdekt, die er de bestaende krachten van heeft bemerkt. Het sap van de Kervel, zegt hy, is een uitmuntend pisafdryvend middel, en zeer goed om door alle waterzuchtige menschen gebruikt te worden. De doctor Desbois, van Rochefort, schryft dat dit sap noodzakelyk moet gebruikt worden, om in de verstoptheid der leverspieren en de geelzucht, eenen waren goeden uitslag te bekomen; het is ook een goed middel om, in plaesters bereid, het koningzeer en de kliergezwellen te genezen. Dit kruid en de wortels worden ook in plaesters bewerkt, om de gezwellen der vrouwenborsten en de verstoptheid der geklonterde melk, na het gevolg van een kraembed, te verdryven. De drooge Kervel, in poeijer gestampt en met honig en zoet verkensvet bereid, geneest den beginnenden kanker en de voorleting der zeeren; de wortels, op witten wyn latende trek

ken, zyn zeer goed voor de menschen die met den steen of graveel zyn gekweld.

Men zaeit gemeenelyk de Kervel in maert of april, in goede bereide aerde, aen den zonnekant, in de moeshoven; zy bloeit nog binnen het jaer en brengt zaed voort. Men zaeit voort deze Kervel van Mei tot in September om in de keuken te gebruiken; het zaed kan drie jaren bewaren. De Scandix odorata wordt ook door het zaed en wortelscheiding vermenigvuldigd.

De gemeene Kervel (Scandir anthriscus) groeit hier in Vlaenderen aen de hagen.

De Naelde-Kervel (Scandix pecten) zal ik in een bezonder artikel beschryven.

KEULE, Boonkruid, Kuen, in 't fransch Sariette, in 't latyn Satureia, is onder de 40 klasse, 3° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten, en onder de 14. klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en naekt zaed dragen.

De Hof-Keule (Satureia hortensis van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Italië, die in België veel in de moeshoven wordt gezaeid, en groeit met eenen getakkelden stengel, omtrent 20 centimeters hoog, en tweebladige steeltjes, waerop van july tot in den herfst witachtige, purpere rooze en ringwyze geschikte bloempjes bloeijen; deze plant, waervan al de deelen eenen welriekenden geur inhouden, is warm en droog van aerd, en wordt derhalve als toekruid by de salade en om andere moeskruiden, zoo als platte Boonen en peulvruchten in te leggen, in de keukens gebruikt; zy geeft eenen aengenamen smaek.

Dit kruid, warm gemaekt zynde en van buiten op den buik gelegd, doet de worgingen, krimpingen en opstygingen des moeders, die door windachtigheden veroorzaekt zyn, in korten lyd ophouden en verdwynen. Deze Keule zaeit wel, op de plaetsen waer die eens gestaen heeft, haer zelve.

De Berg-Keule (Satureia montana van Linnaeus) is een langlevend boutachtig kruidgewas van Italië, dat hier in de Kruidho

« VorigeDoorgaan »