Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

De dampkringslucht welke in de planten omloopt, staet haer ook een gedeelte van de zuerstof welke zy bevat, af. De stikstof (Azote) welke men ook in de plantaerdige zelfstandigheden bemerkt, ontstaet duidelyk uit de ontleding der dampkringslucht, binnen in de planten. Deze grondstoffen vereenigen zich door haer verwantschap gemakkelyk tot inorganische, eenvoudigere verbindtenissen. De evenredige hoeveelheid van de grondstoffen of vruchtbare aerde, die te samen zich verbinden, doet hier alles af. De stikstof in de planten wyst alleen aen dat die uit den dampkring afstamt, en alle soorten van meststoffen die in de aerde verrotten, worden noodzakelyk als groote medehelpende bronnen van dezelve aenzien. Er zyn nog veel andere stoffen welke een deel van het samenstel der planten uitmaken, en er toch altyd in grootere of kleinere hoeveelheid in worden gevonden, zoo als kalk, keiaerde, azynzuer, appelzuer, phosphorzuer, soda en potasch, salpeterzuer, zoutzuer, kelpstofzuer, yzer, enz.; eindelyk nu is het door proeven van de kunstscheiders bewezen, dat deze zelfstandigheden gevormd in de planten, worden opgenomen in de aerde of door den dampkring aengebragt; de natuerkundigen zyn het derhalve eens, dat de loogen en andere stoffen welke men door de scheikunde in de planten vindt, uit den grond opgeslorpt of gezogen zyn. Het gevoelen dat alle vreemde stoffen, aerdesoorten, enz., die in de gewassen worden gevonden, van buiten worden aengevoerd, heeft zeer veel voor zich, maer in dit opzigt hebben er verschynsels plaets, die wy noch ten genoege weten te verklaren of uit te leggen. Veel proefnemingen, die tot dit punt in betrekking staen, zyn door verschillige scheikundigen gedaen, waeruit het schynt dat de zoute werkelyke deelen, die men heden met den mest of vette vermengeld, door de wortels van de gewassen worden ingezogen, en dat er in dat opzigt een wezenlyk verband bestaet tusschen de bestanddeelen van de aerde, waerin de gewassen groeijen, en die van de planten zelve. Het is overigens door de in de laetste tyden genomene proeven van vergiftiging der planten nader bevestigd, dat er in haer samenstel bestanddeelen worden opgenomen die in het water haer worden aengeboden, zoo als ik heb aengeduid in het hoofdstuk over de vergiftige planten der meerschen die in het staende water groeijen, terwyl dezelve op drooge gronden dikwils niet vergiftig zyn. De aenwezigheid van zoutstoffen, houdende verbindingen alleen in zee of strandgewassen die in de duinzanden groeijen, kan hier ook ten bewyze worden aengehaeld. Alle kruidkundige reizigers bemerken met genoegen de duinzanden die tusschen Ostende en Nieuwport, zuidwaerts aen de zee gelegen en tegen de noordsche winden beschut zyn; het is aldaer dat de hoveniers de eerste en beste moeskruiden winnen, die de merkten van Ostende en Brugge versieren, en waervan zy het overige naer Engeland verzenden. Deze moeskruiden worden door de zoutachtige stoffen, die uit zee over de hooge duinen vliegen, eenigzins bevochtigd, hetgeen de groeikracht verhaest en die planten van kwalen en ongedierten bevrydt. Maer door welke kracht worden de wortels in staet gesteld om de vochten uit den dampkring en aerde op te slorpen, en den groei der gewassen werkstellig te maken? Dit zou ons geheel onbekend gebleven zyn, maer aen den beroemden natuerkundigen Haller is men de nauwkeurigste en schranderste proefneming verschuldigd, waerdoor men de groote kracht van inzuiging, waermede wortels en takken voorzien zyn, heeft leeren kennen : hy ontblootte eenen der wortels van eenen Perenboom, en smeedt er den top van af, met dit uiteinde vereenigde hy eene met water gevulde buis, wier uiteinde stond in eenen kwikbak. In min dan zes minuten verhief zich de kwik 8 duimen of 22 centimeters hoog in de buis. Om de kracht te meten waermede de wyngaerds de vochtigheid uit den schoot der aerde opslorpen, deed Haller eene proef, waervan de uitslag onnauwkeurig en overdreven zou schynen, zoo hy niet in latere tyden door vele andere natuerkundigen, welke de proef herhaeld hebben, bevestigd ware. Eene groote menigte proeven bewyzen het aendeel welk de bladen der planten in het verschynsel der opzuiging nemen: zoo slorpt een tak, van eenen boom gesneden, het vocht waerin hy is geplaetst met eene groote kracht op. Het zelfde geval heeft plaets wanneer men een afgezaegden boom, in het water met verf vermengd zet, dan ook zal hy dit vocht opslorpen welk aen het hout het kleur de verf verschaft. Het is op deze wyze dat M. Cuvellier het hout een kleur deed verkrygen en onbederflyk maekte. Gedurende den zomer bemerkt men dat de zon de planten, welke onze bloemtuinen versieren, doet verslensen en verdorren, maer wanneer men dezelve des nachts of in den morgend vroeg beschouwt, dan heeft de dauw, welke door de bladen is opgeslorpt, haer hare kracht en frischheid hergeven, gelyk ik nog hiervoren in den loop van dit werk gemeld heb. Wanneer eene plant geheel van hare bladen beroofd is, zal dezelve ras verdroogen, omdat de zuiging door de wortels alleen bewerkstelligd, niet genoegzaem zal zyn om haer alle voedingstoffen te bezorgen. Het plantensap, zoo als ik nog gezegd heb, is dat kleurloos, eigenlyk waterachtig vocht, hetwelk de wortels putten en opslorpen uit den schoot der aerde, de bladen uit den dampkring, hetgeen de Voorzienigheid alzoo heeft geschikt, om het ter voeding van de plant te doen dienen. Dit is het, volgens alle bemerkingen der natuerkundigen, welk de waerlyk voedzame beginsels bevattende, dezelve naer mate dat het door haer weefsel vloeit, binnen in de plant afgeeft. De loop van het sap heeft plaets door de houtlagen, en door de in het hout en splint verspreide watervaten, welke tot kanalen dienen ter vervoering van het voedingsvocht.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

IETS OVER DE GR ONDEN DER BELGISCHE KEMPEN LANDEN.

Wy vinden alreeds kundige vertoogen, over de heigronden der Kempenlanden geschreven, door de eerwaerdige heeren J. Thys, kanonik van Tongerloo, te Mechelen, by P.-J. Hanicq, in 1792 gedrukt, en H. Van Ellen, te Turnhout gedrukt, welke ons tot dit tydstip te kennen geven, wat nut men door het bebouwen van die gronden kan erlangen.

Het blykt uit de Jaerboeken, dat van in de XIIe eeuw de nyverheid van de wollefabrieken te Harendonck en de tykwevery

te Turnhout werden gesticht, met het Vlas dat men in de Kempen zoo voordeelig inoogst. Het was ook omtrent dit tydstip, dat de beste heiden door de kloosterlingen en abdyen werden bewerkt, die door hunne gedurige zorgen die slechte gronden bevolkten, ten deele in vruchtbare akkers en bosschen veranderden, en met die gronden te beploegen vele rykdommen hebben genoten, zoodat van in het begin het bewerken dezer gronden aen de kloosterlingen moet toegeschreven worden. Verder in de XIII° eeuw waren daer alreeds pachthoeven met werklieden bevolkt en alle slach van vee. In de XIV° eeuw vervoorderde zich het bouwen van dorpen en kerken in die landstreken; een groot deel pachthoeven, die aen de abdyen behoorden, werden als veepacht aengenomen, op eene wyze dat de eene helft van vee en vruchten aen de pachters en de andere helft aen de eigenaers behoorden. Door den vierjarigen hongersnood van 1437, 1438, 1439 en 1440, waren de menschen niet alleen gedwongen Haver en Peerdeboonen te eten, maer moesten zich zelfs met brood van lynzaed-meel voeden. Vele arme hongerlydende menschen en familiën namen dan hunne toevlugt tot de ryke abdyen der Kempen, die hun werk en brood bezorgden en ze aldaer huisvestten om den heigrond te bewerken, waeraen men ten deele toe te schryven had, zegt Pater Rochus, Annales, t. I, bladz, 41 1, dat de levensmiddelen in 1463 goedkoop waren (Zie de antwerpsche Kronyk van den kanonik Snyders). In de XVI° eeuw, onder de regering van Keizer Karel V, werden de overige heigronden, welke nog onbebouwd waren, aen de dorpen verdeeld, en als leenregt aen de burgemeesters en schepenen der gemeenten toevertrouwd, waerdoor zy eenen meerderen bloei bekwamen, maer ten tyde der regering van Philips II werden zeer vele dorpen van de Kempen, door de oorlogen van 1574 tot 1580, verscheide malen ten deele verwoest, op zoo eene wyze dat die dorpen onbebouwd bleven liggen, hetgeen in het jaer 1582 eene schrikkelyke ellende veroorzaekte, waerdoor het leger van den prins van Parma, die van Antwerpen door de Kempen naer Maestricht trok, groot gebrek leed. Maer na het vertrek der vreemde soldaten en Spanjaerds uit België, hernamen de Kempenaers nieuwen moed; zy herstelden hunne dorpen, huizen en kerken, die door de vreemde krygsknechten verwoest en verbrand waren. Verder met het begin der XVIIe eeuw, door de goede regering van Albertus en Isabella, werden de inwoners der Kempen gedurende eenige jaren vry gelaten van alle betaling der contributiën, tot dat zy al hunne akkers weer in goeden staet hadden gebragt en hunne stallen met vee hadden gevuld, om de noodige vette aen het land te bezorgen. In de XVIIIe eeuw, onder de regering van de Keizerin MariaTheresia, werden de Kempenaers, om hunnen landbouw te vermeerderen, door alle doenlyke middelen begunstigd, waervan de Kempenaers nog heden met veel lof spreken, en aen de reizigers de voorregten verklaren, welke zy in de archiven der gemeenten bewaren. Werder, als Maria-Theresia het aenkoopen der goederen door de doode hand afschafte, werden sommige van die onbebouwde heigronden door bezondere eigenaers aengekocht. Vele van de gemeente goederen, die met weinige kosten konden goed gemaekt worden, werden omgeploegd en tot weiden en vruchtbare landen gemaekt, of met Masten, Dennen- of Sparreboomen bezaeid en met Eiken beplant, om meer voordeel uit die vage gronden te trekken; maer toen de omwenteling der fransche Republiek begonnen was, en met het jaer 1793 geheel België werd bemagtigd en met Frankryk vereenigd, werden de kloosters en abdyen, die zooveel tot het bebouwen en bewerken van die schrale vage heigronden hadden toegebragt, afgeschaft, om hunne goederen als domeinen van den staet aen te slagen en openbaerlyk aen bezondere persoonen te verkoopen; by deze verkoopingen werd een gedeelte van de groote pachthoeven, die aen die kloosters behoorden, gesplitst, om er meer nut uit te kunnen trekken, maer de heigronden, door het oppergebied van Keizer Karel aen de gemeenten toevertrouwd, bleven altoos de vage liggende eigendommen der gemeenten, die er toch weinig nut konden uittrekken, dewyl het door de wet van den 17 september 1749 aen de bestuerders der gemeenten verboden was aen iemand oorlof te geven of toe te laten daer huizen of hutten op te zetten.

« VorigeDoorgaan »