Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

De witte wolk van welke sommigen spraken, was by ons te Waerschoot en door het geheele noordelyk distrikt van OostVlaenderen, een donkere witte nevel, die den 26 en 27 july geheel de aerde overdekte, en de stengen, bladstelen en bladen van de aerdappelen, zoowel vroeg als laet geplant, op tweemael 24 uren tyds, zwarte vlekken deed verkrygen. De gevlekte stengen braken door den wind als glas, en waren met zeer veel wormpjes beladen, door den vochtigen nevel wasemde er omtrent den avond en 's morgens een damp uit, die naer eene verrotting rook. Het sap van die bedorvenheid drong weldra naer de wortels en knobbelen der aerdappelen, die ook vlekten en ten deele verrotteden. De blauwe en roode zaeijelingen en veel andere aerdappels, die men alhier meest in mei plant en met half september hunne rypheid verkrygen, werden meest van dit wonderbaer luchtverschynsel aengetast, maer de witte, blauwe en roode vroege aerdappelen, die men gewoonlyk Sint Jans zaeijelingen noemt, en gemeenlyk van in maerte worden geplant en met de maend july rypen, waren dit jaer tusschen beide gelukt, echter zoo meelachtig en aengenaem van smaek niet als naer gewoonte, hoewel zy by het eten geene braking of buikloop veroorzaekt hebben. Sedert dat de ondervinding bewezen heeft dat de kwael zich meest na de Hondsdagen, t'einde july of met het beginne van augusty vertoonde, heb ik al myne aerdappelen, zoo wel die vroeg als laet rypen, van in de maend maerte doen planten, en de landbouwers door de dagbladen aengemoedigd, dit voorbeeld na te volgen; waerdoor ik in 1846 en 1847, een goeden uitslag en eenen voordeeligen aerdappeloogst heb bekomen, zonder die, vóór het planten, in het kalkwater te dompelen, zoo als sommigen ons wilden voorhouden, omdat de Botrydis, zeggen zy, oorspronglyk in het oog van den aerdappel nestelt. Beducht zynde dat de oogbootjes dier aerdvruchten door het kalkwater zouden kunnen verschroeijen, heb ik onder eene wagen lading mest, hetgeen wy by ons by het planten gewonelyk in de putten met de aerdappelen leggen, 6 kilogrammen gestampt zeezout, klepzout of ruw zout vermengeld, en daerdoor hebben die aerdvruchten, zonder eenige besmetheid geheel hare rypheid t'einde augusty bekomen.

Velen hebben ook in 1845, in de dagbladen over de bewaring der aerdappelen geschreven, en moedigden alle landbouwers aen de aengetaste aerdvruchten aenstonds te doen uitsteken en spoedig de goede uit de besmette te kiezen, maer deze die hunne volle rypheid niet verkregen hadden, werden taei, en zeer velen van die aerdappelen eindigden met te bederven. Ik en sommige landbouwers hebben onze aerdappelen tot half september laten te velde staen rypen, alsdan de goede van de besmette gescheiden, die in den kelder op hoopen van omtrent 10 hectoliters gestapeld, met hout- of koolassche maer omtrent 2 strepen of centimeters dik overstrooid en dan met february op planken gelegd, waerdoor zy zonder verrotting goed gebleven zyn. De verrotte of gevlekte aerdappelen, welke te velde by het uitdoen in de putten nog gebleven waren, schooten by het voorjaer van 1846, tot verwondering van eenieder, zoowel als de goede geplante, uit de aerde : sommige boeren lieten die tot proeven staen, en t'einde augusty hebben zy er goede aerdappelen van ingeoogst.

De ondervinding heeft eindelyk doen kennen, dat de aerdappelziekte zich noch in de lente noch in het begin van den zomer vertoont; derhalve is het zeer prysbaer, om veel soorten van aerdappels grootendeels de ziekte te doen ontgaen, die vroegtydig van t'einde maert te planten, opdat de volwassing en de inoogsting derzelve zoude kunnen geschieden vóór dat de ziekte hare verwoestingen uitwerkt, hetgeen gewoonlyk na de Hondsdagen plaets heeft. Men kan niet genoeg de aendacht der landbouwers hierop inroepen, niet alleenlyk ten opzigte van de aerdappelen, Negenwekers of Sint Jansaerdappelen genoemd, maer alle soorten behooren in het algemeen vroeg in de lente geplant te worden, en zullen altyd gevoediger voor menschen en dieren wezen dan die welke laet in mei of juny geplant worden. Sommigen denken dat de vroege aerdappels niet zoo goed als de late bewaren, nogtans heeft de ondervinding alreeds het tegenstrydige bewezen, en doen zien dat zy by het voorjaer de gevoedigste zyn, wanneer zy geheel droog ingeoogst en met den winter in de kelders tegen de vorst bevryd worden. Men heeft ook in 't algemeen bemerkt, dat de beste soort van aerdappels uit het zaed gewonnen, ten minste na 20 jaren ontaerden of verbasteren, en by het uitspruiten verzwakken; het is dan meer dan noodzakelyk, dat men van tyd tot tyd nieuwe soorten door het zaeijen tracht te winnen (Zie de wyze van zaeijen in het I° boekdeel, bladz. 225). Zoodra de ziekte waermede de aerdappelen waren besmet, zich algemeen verspreid had, was het onderwerp der bemoeijenissen van het gouvernement, de besturen van akkerbouw, de wetenschappelyke maetschappyen en de lieden die zich met de akkerbouwstudie ophielden, te raedplegen, ten einde de oorzaek van deze ramp en de maetregelen om die te verhelpen, te leeren kennen. De provinciale commissie van landbouw te Antwerpen was eenparig van gevoelen in haer verslag, dat de kwael door den dampkring was voortgekomen, vele andere commissiën van België waren van dezelfde gedachte. Ondertusschen had het mislukken van den aerdappeloogst op de granen en al de andere eetwaren terug gewerkt, en eene algemeene duerte van de eerstgenoemde levensmiddelen veroorzaekt. Om de bekommering der bevolking eenigermate te bedaren of gerust te stellen, werd de regering verpligt buitengewoone maetregelen te nemen, al de belgische havens werden voor den vryen invoer der granen opengesteld, twee millioen francs werden door de kamers toegestaen, om onder de gemeenten, deels ten titel van leening en deels ten titel van onderstand, te worden uitgedeeld. Men had hierby vooral het oog op de plattenlandsche gemeenten, alwaer vele arbeiders zich voeden met de aerdappelen, welke zy van hunne akkers halen, en die, door het mislukken dier voedzame vrucht, bedreigd waren wezenlyk gebrek te zullen lyden. Die maetregels en verscheidene andere konden weinig baten. Ondanks den grooten toevoer van levensmiddelen, bleven deze uitermate duer; in al de steden en gemeenten werden commissiën opgeregt, om den werkman aen gematigden prys zyn voedsel te bezorgen : niettegenstaende alle voorzorgen, was de nood op het platte land zoo groot, dat vele arme lieden, vooral in Vlaenderen, van honger bezweken. Maer om nog beter de uitgestrektheid van het verlies, door de aerdappelziekte veroorzaekt, te laten uitmeten, ga ik hier, uit het verslag der centrale commissie van statistiek, door, het gouvernement benoemd, eenige veelzeggende cyfergetallen opgeven : Uit dit verslag blykt voor eerst, dat er in 1845 door geheel België, voor den aerdappelkweek zyn beplant geweest 163,700 hectaren, dat is 1 op 9 hectaren, en 1/4 van al de bouwlanden die België bevat. Volgens de gedane verklaringen der plaetselyke overheden, zouden er in 1845 in geheel België niet min dan 32,288,684 hectoliters aerdappels bedorven en verloren zyn geraekt, terwyl de gewoone oogst, in de negen provintiën van België, op 36,986,584 hectoliters geschat wordt. Het verslag doet ons vervolgens het beloop van het verlies kennen, welk het mislukken van den aerdappeloogst aen de landbouwers heeft veroorzaekt. De waerde der aerdappelen slechts op 3 franken den hectoliter rekenende, hetgeen zekerlyk niet overdreven is, dan zou het te kort niet min dan 96,866,052 franken bedragen, en nog rekent men daer niet by den nadeeligen invloed, welken het verlies van die hoogstnuttige aerdvrucht op den ganschen landbouw, by het mesten, voeden der beesten en andere bronnen van 's lands rykdom heeft moeten uitoefenen. Wy zyn nu tot in 1846 gevorderd, wanneer de mislukking van den Roggeoogst de arme werklieden nog meer bezwaerde, want de Rogge was by het bloeijen zoodanig mislukt, dat men van 100 schoven koren slechts 1 halven hectoliter graen bekwam. Dit heeft dan ook in 1847 ten gevolge gehad, dat het roggebrood, welk den armen werkman tot dagelyksch voedsel verstrekt, zoo onmatig in prys klom, dat een roggebrood van 4 kilogrammen, in juny 1847, tot 75 centen werd verkocht, om dezen hoogen prys te doen begrypen, is het genoeg de uiterste pryzen der granen op de merkten van België hier aen te halen. De inlandsche Rogge werd van 38 tot 39 francs den hectoliter, en de Tarwe van 48 tot 49 francs den hectoliter verkocht. Dan was de ellende in Vlaenderen zoo afschuwelyk hoog gestegen, dat de arme werklieden, die slechts een dagloon van 60 centen wonnen, en nog zeer velen die door de omstandigheden van den duren tyd geen werk hadden, weêr van honger bezweken. Weldoende en lief

dadige burgers, ryke mededoogende edellieden en priesters, kwamen die noodlydenden by, om hun onderstand en voedsel te bezorgen, waerby ook uitmuntte Zyne Hoogwaerdigheid de heer Lodewyk-Joseph Delebecque, bisschop van Gent, die eene kommissie oprigtte om de giften van de goedhartige menschen te ontvangen en aen de arme hongerlydenden uit te deelen. Deze en vele andere hulpmiddelen bedaerden de werklieden in onze verschillende gewesten waer de hongersnood heerschte, en dank zy alle deze voorzorgen, mogen wy tot eer onzer arme werklieden zeggen, dat weinige wanorders werden begaen; enkelyk eenige bakkerswinkels werden aengevallen, maer door de voorzorg onzer stadsregering, was de rust weldra hersteld, veel granen werden aen eenen goedkoopen prys ter merkt gesteld, om het brood te doen dalen. Toen de vroeggeplante nieuwe aerdappelen met het begin der maend july 1847, ter merkt kwamen, werden die maer aen 6 francs de 100 kilogrammen verkocht. De Roggeoogst was dit jaer zoo wel gelukt, dat men van honderd schoven 1 1/2 hectoliter graen bekwam, en op voorstel van 's lands hooge regering, werd de termyn voor den vryen invoer van allerlei eetwaren, door de kamers voor een jaer verlengd, daermede was alles vreedzaem. De haven van België waren met dure granen opgestapeld, de graenhandelaers moesten met hunne dure eetwaren de daling van de pryzen der markten ondergaen; de Rogge werd door dien overvloed zoo goedkoop, dat hy in de maenden november en december, 12 à 13 francs den hectoliter en de Tarwe 20 francs gold. Deze dure tyd doet my nog de pryzen der granen in myn jeugdige jaren herinneren : toen ik, in 1794 en 1795, den ouderdom van dertien jaren had bereikt, heerschte er ook in Frankryk, waermede België alsdan vereenigd was, een wreede hongersnood. Te Gent, Brussel, Antwerpen en veel andere steden, stonden de menschen in het koudste van den winter, van 's morgens ten zeven uren tot 's namiddags, voor de deuren der bakkers, een assignaet van 5 francs aenbiedende, ten einde een brood van 2 pond te kunnen bekomen, welk dikwerf meer zemelen en boonmeel dan graenmeel bevatte; veel arme lieden die zulk slecht

« VorigeDoorgaan »