Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

pioenen hebben, waeruit in het voorjaer bleekgroene, hartvormige, plompe bladen spruiten, en meest in april ronde stengels uitschieten, die maer omtrent 30 centimeters hoog wassen, en waerop met het beginne van mei geschulpte bloemkelken met dubbele bloemstralen en hooggele lieflyke bloemen bloeijen. De Schorpioenwortel met Wegbreebladen (Doronicum planta

gineum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa,

die in België in de bergachtige bosschen wast, en ook in de bloemhoven wordt geplant, zy groeit met eivormige, puntachtige, getande bladen, en bloeit t'einde van april, met gele bloemen op de stengels met geschulpte bloemkelken, maer met enkele stralen. De Doronicum bellidiastrum groeit veel in Zwitserland, Duitschland en ook in het Zuiden van België in de bosschen, met bloote enkele stengels en éénbladige gele bloemen. De Doronicum glutinosum van Willdenow, is een langlevend houtachtig gewas van Mexiko, dat hier in de oranjery om zyne schoone bloemen wordt gekweekt. De eerstgemelde Schorpioenwortel werd van de oude Kruidbeschryvers Aconitum pardalianches genoemd, en van de oude Grieken Strangulator leopardi geheeten, omdat die wortels en het kruid, zoo men zegde, de panters, wolven, beren en andere wilde dieren dooden. De apothekers gebruiken veel de wortels van de Doronicum pardalianches in stede van Wolfswortels, om de vergiftige middels voor honden en andere viervoetige dieren te bereiden. * * Clusius heeft dit kruid ook onder den naem van Doronicum beschreven; hy zegt dat het aen de menschen niet schadelyk is, en dat de jagers in Oostenryk het tegen de draeijingen des hoofds gebruiken. Eindelyk, Lobel heeft dit kruid insgelyks beschreven, en is ook van gevoelen dat het aen de menschen niet nadeelig is, maer alleenlyk de viervoetige dieren kan dooden. De Schorpioen wortels worden meest in de hoven, die zy door hunne lieflyke gele bloemen zeer versieren, door wortelscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd.

w

SCHURFTKRUID, Stoebe, Kwezelkens, in 't fransch Scabieuse, in 't latyn Scabiosa, is onder de 12e klasse, 5° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kaerdendistels, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraedjes bloemen en maer één slampertje hebben. Het Schurftkruid dat in België wast, wordt ook in sommige provintiën Duivelsbeet (Scabiosa morsus diaboli) genoemd. Zie het artikel der Duivelsbeet, 2e deel, bl. 125. Het Schurftkruid van den Caucasus (Scabiosa caucasica) is eene langlevende kruidplant van Azië, die alhier als versiering in de bloemhoven wordt geplant, zy groeit met enkele stengels, omtrent 50 centimeters hoog, met scherpe bladen, en bloeit meest van juny tot in augusty, met groote, eenzame, hemelsblauwe bloemen, zy kan door het zaed en wortelscheiding vermenigvuldigd worden. Het alpisch Schurftkruid (Scabiosa alpina van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van de Alpische gebergten, die bundelgewys, met gevleugelde bladen wast, en met stengels van meer dan 1 meter hoog, waerop alhier in july gele bloemen bloeijen. Het gesternd Schurftkruid (Scabiosa stellata van Linnaeus) is eene éénjarige zaeiplant van Spaenje, die in het voorjaer in de bloemtuinen wordt gezaeid, en meest in july schoone witte bloemen draegt met zwarte stralen. Het Kwezelkens-Schurftkruid (Scabiosa atropurpurea van Linnaeus) is eene tweejarige plant van de Indiën, die van eenieder is bekend en jaerlyks in de bloemtuinen wordt gezaeid; zy bloeit van july tot in october, met zeer lieflyke donkerpurpere bloemen op de stelen, die kleine witte topjes op de bloemblaedjes hebben, en zeer schoon de perken versieren. Het Veld-Schurftkruid (Scabiosa arvensis van Linnaeus), dat in de geneeskunde wordt gebruikt, is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België in de velden, bosschen en op drooge plaetsen wast, met gevleugelde bladen, aen de wortels gelyk uitgesneden, en gewolde stengels, waerop van juny tot in augusty purperachtige bloemen bloeijen, die zeer lieflyk zyn.

Het Duivenhalsverwig Schurftkruid (Scabiosa columbaria van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België op zandachtige drooge plaetsen in de meerschen en velden wast, met eironde, doorzigtige bladen aen de wortels, die aen de stengels gevleugeld en styfharig zyn; bloeit van juny tot in augusty, met lieflyke bleekpurpere bloemen op de stelen.

Het Schurftkruid (Scabiosa leucantha van Linnaeus) is eene langlevende plant van Zuid-Europa, die met bladstelen en lynvormige gevleugelde bladen wast, en met geschulpte, overeenliggende bloemkelken en witachtige, ronde bloemen bloeit.

Het Schurftkruid dat alhier te lande groeit, is van over zeer oude tyden om zyne deugden bekend, en werd voordezen Aposteum-kruid genoemd. Het is warm en droog van natuer, en groen of droog in het water gekookt en met honig of suiker gedronken, zeer goed voor de longerziekte en kwaden hoest. De bladen gestooten en op de gezwellen gelegd, doen die genezen, het is zeer dienstig om het schurft, pestilente gezwellen en klapooren op korten tyd te doen verdwynen en verteren. Het sap ingenomen, doet zweeten, en wordt, zegt Dodonaeus, voor de heete en besmettelyke koortsen gebruikt.

SELDERY, Selder, in 't fransch Celeri cultive, in 't latyn Apium, is onder de 7° klasse, 1" sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der kroonvormige of zonneschermige bloemplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vyf helmstyltjes bloeijen en drie slampertjes hebben.

De Seldery (Apium graveolens van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Italië, die alhier in het voorjaer in de moeshoven wordt gezaeid; zy groeit met bladstelen en wigvormige, getande bladen, en het tweede jaer met stengels en kroonvormige, witachtige bloemen, steelloos geschikt, alle derzelver deelen houden eenen aengenamen geur in. Men vindt heden onder de Selderyplanten verscheidene medesoorten, die uit het zaed zyn gesproten, zoo als de kleine Seldery, met gekerfde en uitgesnedene bladen, de witte turksche Seldery en de gekrulde,

die zeer aengenaem van smaek zyn; de Raep-Seldery, met dikke geknolde wortels, wordt 's winters veel gestoofd en ook met de Salade geëten, de violette Seldery, met hare dikke geribde bladen en groote struiken, wordt ook heden veel in de moeshoven geplant.

Alle Seldery heeft van natuer eene aendryvende kracht, doet zweeten en de vertering der spyzen verhaesten, doodt de wormen in het lyf, maekt jong bloed, en is zeer dienstig voor die van binnen gekwetst zyn. De Seldery bezit de krachten van de HofEppe (Apium petroselium), Peterselie genoemd, men zaeit alhier gemeenlyk de Seldery van in january, op warme broeibakken, onder het glas, om die vroeg in april te kunnen in voren, op 18 centimeters afstand, verplanten en vroeg in den herfst in de keuken te gebruiken; het tweede zaeisel wordt gemeenlyk in maert verrigt, om in mei te verplanten en den volgenden winter te eten, in koude winters moet zy wel tegen de vorst bevryd worden, dewyl die in ons klimaet geene 12 graden koude kan wederSlaen.

SENEGROEN, Ingroen, in 't fransch Bugle, in 't latyn Ajuga, van Tournefort Bugula, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten welker bloemen twee lange en twee korte meeldraden hebben en maekt zaed dragen; de bovenste lipjes van de bloemkransjes zyn zeer klein, en de meeldraedjes langer dan het bovenste der bloempjes. Het kruipend Senegroen (Ajuga reptans van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en in de Nederlanden veel in de vochtige meerschen en bosschen wast, met gladde groene bladen aen de kruipende rankjes, waeruit in mei stengeltjes spruiten die omtrent 12 of 14 centimeters hoog groeijen, en waerop meest van het beginne der maend mei tot het einde van juny blauwachtige bloempjes bloeijen, die aen de Brunelle eenigzins gelyken. Het spitsvormig Senegroen (Ajuga pyramidalis van Linnaeus) groeit veel in België, Duitschland en elders, en wordt alhier in de kruidhoven geplant, het heeft groote bladen aen de wortels en gewolde, spitsvormige stengels, die vierhoekig zyn; bloeit meest in juny, met blauwachtige bloemen. Men vindt medesoorten van die planten die witachtige bloemen dragen.

Het oostersch Senegroen (Ajuga orientalis van Linnaeus) wordt alhier in de oranjery gekweekt, het alpisch Senegroen (Ajuga alpina) groeit meest in Zwitserland. Deze planten werden by de oude Kruidbeschryvers Consolida media genoemd, en worden by de apothekers alhier meest Bugula geheeten, Matthiolus schryft dat die ook Laurentina genoemd worden. Het Senegroen is heet, verdroogend en merkelyk samentrekkend van aerd. Men pryst het zeer in de breuken, scheuringen en pletteringen der leden of deelen des lichaems, derhalve wordt het gezoden in de dranken voor die gevallen of van binnen of buiten gekwetst zyn, en op de blauw gestootene builen gelegd. Matthiolus, Clusius en Dodonaeus zeggen dat het sap van het Senegroen den kanker geneest, als die eerst met honig en roozewater gezuiverd wordt. Het water waerin het Senegroen gezoden is geweest, geneest de vervuilde zweringen des monds en tandvleesch, als men den mond daermede spoelt. Het kruid gestooten en het sap wordt ook veel voor de wonden gebruikt. Deze planten worden in de kruidhoven door wortelscheiding vermenigvuldigd.

SERISSA, in 't fransch Serissa, in 't latyn Serissa, is onder de familie der gewassen die roode verw geven gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De stinkende Serissa (Serissa foetida van Willdenow) is een langlevend heester-houtgewas van Japan, dat zeer getakkeld, omtrent 70 of 80 centimeters hoog groeit, met kleine, scherpe en altoosblyvende groene bladen, en alhier in de oranjery van july tot in september bloeit, met kleine, witte, steellooze en eenzame bloempjes, die vier of vyf gekleurde stuifdraden hebben, als men die bloemen vryft, geven zy eenen stinkenden geur. Men vindt van deze gewassen medesoorten, die dubbele bloemen dragen.

Sedert eenige jaren heeft men nog van Japan de Serissa lycium

« VorigeDoorgaan »