Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

men het zaed eenige uren in het water weeken, en als de Weede in maert wordt gezaeid, kan men de bladen in july beginnen afsnyden, hetgeen gemeenlyk, als de bladen beginnen geelachtig te worden, beurtelings alle maenden wordt verrigt tot in october, die bladen worden in kuipen gedaen en met water begoten, om ze door de gisting tot pasteldeeg te bereiden. Veel kruidkundige mannen hebben al de voordeelen, die men door het kweeken der Weede kan bekomen, met de wyze om schoone vaste blauwe verw uit de bladen te trekken, beschreven en aen het publiek medegedeeld.

De alpische Weede (Isatis alpina van Willdenow) is eene langlevende plant, die veel in de Alpische gebergten wast, Ch. Van Hoorebeke heeft dezelve ook in België op drooge plaetsen vinden groeijen.

De spaensche Weede (Isatis lusitanica van Linnaeus) wordt veel in Spaenje en Portugael gezaeid, en groeit met doorzigtige bladen aen de wortels en met witte stengels, waeraen de bladen pylvormig zyn. Deze plant wordt aen de kruidetende dieren voor voedsel gegeven.

WEGBREE, Hondsribbe, Weversblad, in 't fransch Plantain, in 't latyn Plantago, is onder de 2e klasse, 2° sectie der éénbladige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wegbree, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraedjes bloeijen en meer één stampertje hebben. De officinele Wegbree (Plantago major van Linnaeus) is eene langlevende plant van Europa, die in België langs de wegen groeit, met eironde, gladde bladen aen de wortels en ronde schachtjes, die maer 10 of 12 centimeters hoog wassen, bloeit in augusty, met aren en overeenstaende, kleine, witachtige bloempjes, die veel zaedjes voortbrengen. De middelbare Wegbree (Plantago media van Linnaeus) groeit in België in de onvruchtbare, drooge velden en wegen, met eironde, langwerpige bladen, een weinig gewold; bloeit in juny op de toppen der schachtjes, met ronde aren en zeer geslotene witachtige bloempjes.

De Hondsribbe (Plantago lanceolata van Linnaeus) groeit in de velden, meerschen en elders, met lansvormige bladen en hoekige schachtjes, die met ronde geslotene aren bloot bloeijen. De Plantago crassa van Willdenow, groeit veel in Oostenryk. De Plantago maxima van den Hortus Kew., groeit in Siberië. De Zee-Wegbree (Plantago maritima van Linnaeus) groeit meest aen de kanten der zee. Al deze planten zyn om hare heilzame deugden van over zeer oude tyden bekend, bezitten eene verkoelende kracht, en dienen om alle kwade zeeren, zinkingen, verrottingen en verhittingen te genezen, alsook om tegen het rood melizoen en dergelyke bloedvloeden te gebruiken. De officinele Wegbree doet allen bloedloop ophouden; zy heelt alle wonden en opene gaten, en is goed voor alle zweringen, zoowel oude als versche; het zaed en wortels hebben ook eene dergelyke kracht, maer zyn wat drooger dan de bladen. Geheel de plant wordt ook uit- en inwendig door afkooksel gebruikt om de smert der lever en nieren te stelpen : onder al de soorten van Wegbree is de officinele met groote bladen (Plantago major) de beste, en mag tegen alle onmatige vloeden en bloedloopen gebruikt worden. Er wordt ook een sap uit dit kruid gehaeld, dat voor al die gemelde kwalen met voordeel wordt gebruikt, en de bladen met azyn gestooten, zyn zeer nuttig om op allerlei gezwellen, zweren en kwetsuren te leggen. Eindelyk men zou van al de nuttige krachten, die de Wegbree bezit, een boekdeel kunnen maken, want dat edel kruid wordt ook gebruikt tegen het bloedspuwen, bloedpissen, overvloedige maendstonden, braking en derdendaegsche koortsen, en als wonddrank door afkooksel ingenomen. De Hondsribbe wordt ook zeer geprezen om de puisten van den mond, beten der dieren en wonden te genezen. Men vindt al die planten, die alhier in het wilde groeijen, ook om hare deugden in den kruidhof der Hoogeschool te Gent gekweekt.

WESTERINGIA, in 't fransch Westeringie, in 't latyn Westeringia, is onder de 4e klasse der mondvormige bloemplanten van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de gelipte bloemplanten, die onregelmatige bloemkransen dragen, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen. De Westeringia rosmarinifolia van Andrews Repository, of Cunila fruticosa van Willdenow, is een schoon langlevend klein heester-boomgewas van Nieuw-Holland, zeer getakkeld, dat meer dan 1 meter hoogte bekomt, en groeit met Rosmarynboom-bladen, die in vier ryen verdeeld, rond de takjes geschikt en donsachtig wit gewold zyn; bloeit alhier tweemael 's jaers, in de lente en ook in den herfst, in de matige serren, met allerliefste, witte, gepypte bloembladen, die reukloos, maer toch zeer bevallig zyn, De Westeringia triphylla is ook een heestergewas van NieuwHolland, dat zeer getakkeld, met drie ryen bladen wast, en bloeit met zeer schoone witte bloemen. Onze bloemkweekers hebben nog onlangs van Nieuw-Holland den Westeringia Dampierii en veel andere soorten bekomen, die allen zeer lieflyk versierende bloemen dragen. Deze gewassen kunnen door het ryp zaed in den vermengden heigrond, op schotels in de matige serren, vroeg in het voorjaer worden gezaeid, en ook door inleggers en uitspruitsels op lauwe broeibakken vermenigvuldigd zyn, maer moeten alle twee of drie jaren in nieuwen heigrond in de matige serren verpot worden.

WIKKE, Witse, Krok, Duivenboon, wilde Wikke, in het fransch Vesce, Vesceron, in 't latyn Vicia, is onder de 10° klasse, 2e sectie van Tournefort gesteld, der vlindervormige of peulvruchtdragende bloemplanten, door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten, en onder de 17° klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, planten die met hunne meeldraedjes tot twee afzonderlyke lichamen zyn samengegroeid en tien stampertjes hebben.

Men vindt veel verscheidene soorten van die planten, welke alle in België, zoo in de velden als in het wilde groeijen.

De Krok of wilde Witse (Vicia cracca van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die met zwakke stengels en lansvormige, witachtige bladen omtrent 1 meter hoog groeit, en in den zomer, van juny tot july, op de bloemstelen overeenliggende, roode, purperachtige, vlindervormige bloempjes draegt. De Vicia dumetorum van Linnaeus, groeit met langlevende wortels, stengels van omtrent 1 meter lang, hechtrankjes met breede, eironde, gepunte blaedjes en getande steelschubbetjes, bloeit in july, met hangende bloemtrosjes en roodachtige purpere bloemen. Men vindt deze plant veel in België in de bosschen, bergen en op woeste plaetsen in 't wilde wassen. De volgende soorten zyn allen éénjarige zaeiplanten : De Vicia ervilia van Willdenow, of Vicia ervum ervilia van Linnaeus, groeit in de drooge zandachtige velden. De Vicia sepium van Linnaeus, groeit aen de hagen, kanten en koornvelden, met stengels, bladstelen en drie of vier eironde blaedjes byeen; bloeit van july tot in augusty met lieflyke roodachtige bloempjes. De Wikke of witte Duivenboontjes (Vicia pisiformis van Linnaeus) wordt veel in de velden onder de voedering gezaeid, en groeit met stengels en veel eironde blaedjes, die van boven aen de stengels steelloos zyn; bloeit met bloemtrosjes en gele bloemen, die tamelyke peulvruchten voortbrengen, welke in vele landen worden gemalen en met het brood gebakken, alsook gebruikt om het vee te voeden. De Wikke of Witse die aen de platte Ert wel gelykt (Vicia lathyroides van Linnaeus), groeit alhier in de drooge velden en kanten, en bloeit meest in mei, met blauwe, roodachtige bloempjes, die dikwils dubbel zyn. De Wikke met gele bloemen (Vicia lutea van Linnaeus) groeit in België op drooge plaetsen, in de meerschen en bosschen, en wordt veel in de voeding der kruidetende dieren gebruikt, dewyl zy driemael 's jaers na het afmaeijen, weêr uit de wortels spruit. De Vicia alba zoo als de Vicia pisiformis van Linnaeus, wordt ook veel in de velden onder de voeding der kruidetende dieren gezaeid. De gemeene Witse (Vicia sativa van Linnaeus) is alhier van ouds te lande bekend, en groeit met zwakke stengels en steelschubbetjes, met plompe bladen, waerop men een zwart plekje bemerkt; bloeit met roodachtige, purpere en witte bloemen, die veel peulvruchten voortbrengen, waervan de boontjes in sommige landen met het brood worden gebakken, en het kruid, droog en groen, tot voeding der kruidetende dieren dient. Deze Witse wordt bezonderlyk meest onder de voedering met Haver en Koorn gezaeid, waervan de koeijen veel melk en goede boter geven; de boontjes dienen ook om plaesters en pappen mede te maken.

WILDE BASILICUM, in 't fransch Basilic sauvage, in 't latyn Clinopodium, is onder de 4e klasse, 3° sectie der gelipte bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en maekt zaed dragen.

De gemeene Wilde Basilicum (Clinopodium vulgare van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België op drooge, steenachtige plaetsen groeit, met stengels van onder tot boven getakkeld, omtrent 14 of 16 centimeters hoog, en eironde, kleine blaedjes aen de knoopjes der stelen, die aen den Thymis gelyken, bloeit alhier meest in augusty, met ronde aren en roodachtige bloempjes, opryzende haertjes en borselachtige bloeiblaedjes, die byna hoofdekens verbeelden. Geheel deze plant heeft eenen aengenamen reuk, en wordt met den witachtigen wilden Basilicum (Clinopodium incanum van Amerika) in de kruidhoven om hare deugden geplant. Matthiolus, die dezen wilden Basilicum ook heeft beschreven, zegt dat die plant in den wyn gekookt en gedronken, den buikloop en onmatige vloeden stelpen kan, en zeer dienstig is om inwendige scheuringen te genezen en de nageboorte af te dryven; ettelyke dagen gedronken, verwekt zy de maendstonden, hetgeen Clusius ook heeft betuigd.

Deze planten kunnen door het zaed en wortelscheiding in de lente voortgekweekt worden.

« VorigeDoorgaan »