Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

op brandewyn of genever weeken, om van tyd tot tyd 's morgens een ruimertje van te drinken, hetgeen den eetlust verwekt en eene zachte buikzuivering veroorzaekt. Het sap wordt ook uit die plant geperst en by de apothekers met honig of syroop bereid, hetgeen zeer dienstig is om het scheurbuik en geelzucht te verdryven. Deze plant wordt om hare deugden in den kruidhof der Hoogeschool te Gent gekweekt, en kan door het zaed en wortelscheiding voortgezet worden.

WATERNOOT, Water-Kastanje, Minkyzer, in 't fransch Macre, Herse, Chátaigne d'eau, in 't latyn Tribulus, door Tournefort Tribulus aquaticus genoemd, en onder zyne 6e klasse, 6° sectie der roosachtige bloemplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Wyn-Ruite, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Water-Kastanje (Tribulus terrestris van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Europa, die in België, Duitschland en elders op sommige plaetsen in de waters wast, met zeer lange gevezelde wortels, die aen den grond vast zyn, bladstelen en zes geaderde bladen, die niervormig, halfrond zyn, en waertusschen in den zomer zwakke stengels wassen, die in july meest bloeijen, met vyf opene bloembladen, die bultig verhevene, stekelachtige zaedhuizen voortbrengen, in twee tot vyf hutjes verdeeld, door noten met kerntjes, op de wyze van de Kastanjen gevuld, die de gedaente van een voetyzer hebben, in den herfst hunne rypheid verkrygen en wel de grootte van omtrent 10 centimeters in de ronde bekomen. Zoodra die noten hunne volle rypheid hebben verkregen, vallen zy door hunne zwaerte in het water. Derhalve moet men die vruchten op tyds trachten te plukken, om ze smakig en goed te kunnen eten. De groote Water-Kastanje (Tribulus maximus van Linnaeus) wast meest in de Jamaïksche eilanden, en de Tribulus cistoïdes van Linnaeus, groeit meest in Zuid-Amerika. De Water-Kastanjen kunnen ruw, even als de noten, geëten worden, en ook onder de assche, op de wyze van de tamme Kastanje, gebraden zyn; zy bezitten een krachtig aengenaem voedsel, en worden in sommige streken van Duitschland, Frankryk en elders fyn gestooten en somwylen met brood gebakken of in de spyzen gebruikt. De bladen, die een onbindbaer stoppend geneesmiddel inhouden, worden van de kruidverkoopers opgezocht en naer de apothekers gezonden, om in de medecynen te gebruiken.

WATERPEPER, kleine wilde Wilge, in 't fransch Curage, in 't latyn Polygonum hydropiper, is door Jussieu onder de familie van de Boekweitplant en het Werkensgras gesteld, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Waterpeper (Polygonum hydropiper van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die veel in België ten alle kanten in de grachten, die 's winters vol water stroomen, poelen, vochtige plaetsen en landen wast, met ronde, effene, veel geknoopte stengels, die op sommige plaetsen omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeijen, met zydelingsche scheutjes en takjes, waeraen langwerpige, bleekgroene bladen wassen, die aen het Persenkruid gelyken, en waertusschen aen de knoopjes der stelen, meest in augusty, langachtige, ineengedrongene trosjes bloeijen, met veel schoone vleeschkleurige witachtige bloempjes, die een purper kleur verkrygen, waerop bruinachtige, breede, kleine zaedjes volgen. Dit kruid, dat alhier zoo overvloedig wast, heeft eene medesoort, die eenen zoeten bevalligen reuk bezit. Het gansche Peperkruid is zeer scherp en heeft eenen heeten smaek, die naer dien van den Peper aerdt, maer heeft eenen aengenamen geur en is warm en droog van natuer. De bladen en het zaed van het Water-Peperkruid gestooten en opgelegd, verteren de koude gezwellen en oude hardigheden van het lichaem; zy doen ook het geronnen bloed van de blauwe plekken, door slagen of vallen veroorzaekt, scheiden. De kundige Lobel heeft dit kruid ook beschreven, en geeft ons de volgende krachten te kennen : Dit kruid, zegt hy, is warm en droog tot in den derden graed; het sap van dit kruid in de ooren gedaen, doet de wormen sterven die er somtyds in zyn; het kruid met de bloemen dienen zeer wel om de fistelen, speen, vyge-gezwellen, wratten, enz., te genezen en op alle kwade, verouderde, vuile zweren en loopende gaten te leggen; het wordt ook in klisteren tegen het rood Melizoen gebruikt. De bladen van dit kruid in koud water gesteken en op de kwade zweringen gelegd, zoowel van de menschen als van de beesten, nemen terstond alle vurige pyn weg, en genezen ook de kwetsuren en gezwellen der peerden, die onder de zadels komen, dikwils door lange reizen en door vermoeidheid veroorzaekt, met enkelyk dit kruid versch eenige dagen daer op te leggen. Dit kruid in de bedsteden gelegd, doet al de wandluizen sterven, en wordt derhalve ook van sommigen in Frankryk Wandluiskruid genoemd, het gezouten spek rondom daermede bekleed, wordt van alle wormen bevryd : dit kruid met regenwater gezoden en op de zeere oogen gelegd, neemt de etterachtige vochten van de dragende oogen weg en doet het gezigt verklaren. Het Water-Peperkruid (Polygonum amphibium van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in België in de velden en bouwlanden groeit, en waervan eene medesoort in de staende en loopende waters wast, die alhier onder den naem van Ridsigkruid is bekend, groeit met geknoopte, gladde stengels en gladde bladen, en bloeit met eironde aren en vyf rooskleurige meeldraedjes met de stampertjes in de helft verdeeld. De wortels en geheel deze plant hebben eenen heeten peperachtigen smaek, die op de tong zeer scherpbytende is. De landlieden zeggen dat als de kruidetende dieren er van eten, zy daervan ridsig worden. De medesoort die in de bebouwde landen als onkruid wast, bloeit zeer zeldzaem. Men vindt nog den Polygonum lapathifolium van Linnaeus, die in België in de grachten en op vochtige plaetsen wast, met stengels en bladen, die de gedaente van de Zurkel hebben, en met aren en zes rooskleurige meeldraedjes bloemt.

[ocr errors]

WATERPORSELEIN, in 't fransch Pourpier d'eau, Montie, in 't latyn Montia, is door Jussieu onder de tamme Porselein gesteld, en onder de 2e klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, planten die met twee meeldraedjes bloeijen en drie stampertjes hebben.

De Waterporselein (Montia fontana van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België op vochtige plaetsen groeit, met stengels en bladen, die aen de tamme Porselein eenigzins gelyken, en in july bloeit, met twee bloemblaedjes in de kelkjes en éénbladige kransjes, zy brengt zaedhuisjes met een hutje, in twee bolstertjes verdeeld, en veel zaed voort. Deze wilde Porselein is zoo sappig niet als de Hof-Porselein. Lobel, die ze ook beschreven heeft, zegt dat zy in de warme landen zoo koud van aerd niet is als degene die in de noordsche gewesten wast, maer heet van smaek, die welke alhier te lande groeit, heeft eenen zilligen en braekachtigen smaek en eenen verkoelenden aerd. Dit kruid in den mond geknauwd, maekt de lotterende tanden vast en doet de zwellingen van het tandvleesch vergaen; het sap er uit gehaeld, is zeer dienstig om den mond van het scheurbuik te zuiveren en de tanden vastigheid te doen bekomen; het water daeruit gedistilleerd, is ook zeer nuttig om de wormen der jonge kinderen zonder pyn te verdryven, bezonderlyk als de kinderen daerdoor met koortsen gekweld zyn, want dit water en sap verkoelen matig de groote hitte, en verdryven niet alleenlyk de wormen, maer beletten de bederfenis en de verrotting der ingewanden en darmen. WATERRANONKEL, in 't fransch Broualle, in 't latyn Browallia, is door Jussieu onder de familie van het Klierkruid gesteld, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en zaed dragen dat in een zaedhuisje besloten is. De verhevene Waterranonkel (Browallia elata van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Peru, die alhier jaerlyks in de bloemtuinen in de lente wordt gezaeid, en groeit met getakkelde stengels, omtrent 60 centimeters hoog, en lansvormige bladen, bloeit van july tot in september, met allerschoonste ronde blauwachtige purpere bloemen, met de bloembladen zeer lieflyk gepypt. De vallende Waterranonkel (Browallia demissa van Linnaeus) is eene kruidplant van Amerika, die in de lente alhier wordt gezaeid, groeit met zwakke en vallende stengels, die aen stokjes worden gebonden, en bloeit van july tot in september, met blauwachtige violette bloemen, die zeer lieflyk geel gespikkeld zyn.

Deze lieflyke kruidplanten worden van veel liefhebbers om hare schoone bloemen gezaeid en nadien in de bloemhoven met dolkens verplant; zy zyn ook zeer voordeelig om in potten te kweeken.

WATERWENKEL, Watereppe, in 't fransch Phellandrie, in 't latyn Phellandrium, is onder de 7° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der schermdragende bloemplanten, door Jussieu onder de familie der zonneschermige bloemplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben.

De Watervenkel (Phellandrium aquaticum van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Europa; zy groeit meest in België ten alle kanten in de staende en loopende waters, vyvers, grachten, poelen en beken, met dikke wortels en hollige, geknoopte stengels, die zeer getakkeld, omtrent 50 of 60 centimeters boven het water groeijen, met veel bladsteeltjes en zeer veel groene blaedjes, die aen de Hof-Eppe of Peterselie gelyken, bloeit van juny tot in july, met kleine witte bloempjes, die kroonwyze vereenigd geschikt zyn en bruinachtige zwarte zaedjes voortbrengen, welke eenen welriekenden geur inhouden, in augusty hunne rypheid bekomen en alsdan vergaderd worden, om aen de apothekers te verkoopen; het is wel onder den naem van Watereppe-zaed bekend, maer wordt meest Phellandrium-zaed geheeten. Men vindt in de Annales de Littérature médicale étrangère, door den heer hoogleeraer Kluyskens, opper-heelmeester van het Burgerlyk en Krygs-Gasthuis te Gent, uitgegeven, dat het zaed van de Watervenkel eene bezondere heilzame deugd inhoudt, die in vroegere jaren door den doctor Delange, om de inwendige zweringen der lever te genezen, werd gebruikt, en sedert dat dit zaed met zooveel voordeel door den doctor D'Hert, van Berlyn, in de terende ziekten is gebruikt, is het een algemeen middel geworden om die kwade ziekten te genezen. De hoogleeraer Hufeland heeft ook in den tyd die deugd bevestigd. De nederlandsche kundige doctor

« VorigeDoorgaan »