Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Ficus palmata van Willdenow, van Arabië, Ficus nymphaeifolia van Linnaeus, Ficus lucida van den Hortus Kew., Ficus glaucophylla en Ficus rubiginosa van Desfontaines, Ficus indica en Ficus racemosa van Linnaeus, Ficus scandens van Lamarck, en veel andere. De Wygenboomen die in ons klimaet kunnen groeijen, begeren van natuer eenen vetten, wel gemesten, droogen, warmen grond en eene vrye opene lucht, derhalve plant men die doorgaens in de hoeken tegen muren, oost- en zuidwaerts geplaetst, zonder de takken aen de muren vast te hechten, want die boomen willen in volle vryheid groeijen. De voortleeling kan geschieden door het zaed en door afscheuring der jonge uitloopende spruiten, of door inleggers die het eerste jaer wortel vatten. Aen de Wygenboomen is er maer weinig te snoeijen; men neemt alleen in het voorjaer de dorre takken weg, alsmede de uitloopers, ook om goede vruchten te bekomen, moet men in den zomer de langste jonge takken, die in het voorjaer gesproten zyn, wat inkorten. De Vygenboom verdient onze aendacht te boeijen, door het wonderbaer verschynsel welk hy ons aenbiedt, het is de eenige boom welks vruchten de bloemen omringen en verbergen, want door eene wonderbare schikking der natuer, zyn er de vruchten veel eer dan de bladen, en vertoonen zy zich langen tyd eer het sap, door de warmte der lente, zich in beweging zet, zonder voorafgaendelyk te bloemen of bloeijen, waerom men voor dezen gemeend heeft, dat de Vygenboom de eenige was die ten geheele geene bloemen voortbragt; doch latere onderzoekers hebben waergenomen, dat de Wyg hare bloem inwendig in de vrucht aen 't uiterste einde heeft, dewyl men daer, tegen het rypen der vruchten, eene kleine opening en binnenwaerts vezeltjes, welke de stampertjes of wyfkens-natuerdeelen zyn, gewaer wordt. Het is dan het overblyvende sap dat zich vóór den winter in den boom en takken zet, dat de eerste wassing der vruchten doet uitwerpen. De tweede vruchten wassen later aen den voet of oksels der bladstelen, en eindelyk de bladen, die een tweede nieuw sap uitspruiten, worden de voedstermoeders der vruchten voor het toekomende jaer. Aenmerkelyk is de wilde Wygenboom, waervan de inwoners van Griekenland en andere warwe landen, alwaer men dezelve meest kweekt, zich bedienen om de vruchten van de tamme Wygenboomen vroeger te doen rypen en overvloediger vruchten te doen dragen, van welken wilden Wygenboom reeds de natuerkenners, in de allervroegste tyden gewag en gebruik gemaekt hebben (Zie Plinius, Lib. 15). In den zomertyd leven in de vruchten van dezen gemelden wilden Wygenboom een slach van insekten, die daer in eijertjes liggen, waeruit eene soort van vliegende wormen voortkomt, die naer de vruchten der tamme Wygen overvliegen, als zy daer digt by staen, om er hun voedsel uit te halen, ten dien einde door de opening die de Vyg, tegen hare rypwording, aen 't uiterste einde maekt, naer binnen in de vrucht kruipende, hetgeen, naer men bevonden heeft, de vruchten vroeger doet rypen en smakelyker worden. Ingevolge nu van deze ondervinding, nemen de inwoners van de gemelde warme gewesten, in den zomer, wanneer zy zien dat de wormtjes beginnen uit de vruchten te vliegen, de takken van de wilde Wygenboomen, en binden die aen de tamme vast, opdat de wormtjes derzelver vruchten zouden aenranden en hunne voorgemelde uitwerking verrigten; het welk zy gedurende twee maenden lang, met zorgvuldigheid en tot hun profyt, waernemen; de Kruidbeschryvers noemen dit gemeenelyk caprificatie of kunstmatige bevruchtiging, maer de hoogleeraer Linnaeus en zyne navolgers hebben deze caprificatie nauwkeuriger onderzocht, en zyn daer omtrent van een geheel ander gevoelen; zy beweren dat de Vygen, meest in alle warme en matige luchtstreken kunnen groeijen, zonder die bewerking te onderstaen. Nogtans de vermaerde Tournefort, die de kunstmatige bevruchtiging der Vygen in de grieksche eilanden zelf gezien heeft, verhaelt dat de Wygenboomen aldaer door die behandeling, wel tienmael meer vruchten geven dan in Frankryk.

De Vygenboomen groeijen in de warme landen zeer groot en dik, en de vruchten wel ryp zynde, worden voor zeer voedzaem geacht; men eet die veel in de wynlanden 's morgens tot een ontbyt, met andere ontnuchterende spyzen, en de drooge Wygen die uit de warmen landen naer onze haven met schepen gezonden worden, zyn in den oven of heele zon gedroogd, behouden door middel van byeenvoeging, haren zoeten, geurigen smaek, en worden met velerlei spyzen op verscheidene wyzen geëten. Verscheidene schryvers van reizen naer den Oosten, verhalen dat de Vygen in gerstenbrood, en met Turksch Koorn vermengeld en gebakken, het voornaemste voedsel der boeren en monniken of berg-kloosterlingen van Aziatisch Turkyen zyn. Men vindt alhier velerlei soorten van gedroogde Wygen in de winkels te koop : ten eerste, de Korf-Wygen, aldus geheeten omdat zy in groote korven alhier gezonden worden, en meest de VioletteWygen zyn; ten tweede, de Kist-Wygen, gemeenelyk de witte Wygen, die met laurierbladen bedekt, tot hier gezonden worden; ten derde, de Kabas-Wygen, omdat zy in nette korfkens gezonden worden. De drooge Wygen worden als zeer dienstig geacht voor zwangere vrouwen, als zy daervan dagelyks eenige eten, en er zich matig van bedienen, zy worden ook in de welgestelde keuken bereid, en te samen met Amandels, Rozymen en speceryen vermengd, kan men daervan eene smakelyke voedzame spyze en lekkeren kaes bekomen. Het hout van den Wygenboom is van weinig nut om te bewerken, maer men zegt dat de takjes met het vleesch gekookt, het geheel week en malsch doen worden; het hout gebrand geeft eenen witten rook, en de assche met roozewater en was gemengd, is zeer goed om de verbrandheid te genezen, dezelfde assche wordt in looge bereid, om het schurft en voortetende zeeren, als kanker, mede te wasschen en te zuiveren. Wygenboomen kunnen geene zeven of acht graden koude wederstaen, derhalve om in ons klimaet in de vrye lucht vruchten te bekomen, moeten die boomen nedergebogen, met de takken grondwaerts gelegd en wel met stroo of mest tot in de lente bedekt worden, om dit gemakkelyk te kunnen verrigten, snydt men alle drie of vier jaren de dikste takken af, die met de lente weer uitspruiten.

VYTKRUID, in 't fransch Paronique, in 't latyn Illecebrum, is van Tournefort Paronychia genoemd, door Jussieu onder de familie van de Meijerplant gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Het ringvormig Wytkruid (Illecebrum verticillatum van Linnaeus) is eene kruidplant van Europa, die in België aen de vervallene muren, steenen, zandachtige kanten, in de bouwlanden, aen de beemden en velden wast, met kleine bladen aen de wortels, die byna aen de Muer gelyken, tusschen dewelke in mei zeven of acht dunne tedere steelkens uitspruiten, die maer omtrent 8 of 10 centimeters hoog groeijen en ter aerde vallen, en waerop meest in juny witte, ringwyze geschikte bloempjes bloeijen, die veel platte zaedhuisjes, in ieder van welke gemeenelyk maer een zaed is, voortbrengen. Deze plant verdwynt door de hitte der zon van in augusty: derhalve zyn veel Kruidzoekers van gevoelen dat het maer eene éénjarige kruidplant is. Het Wytkruid (Illecebrum paronychia van Linnaeus) is eene langlevende kleine kruidplant van Zuid-Frankryk, die in België in de provintiën Namen, Henegouwen en elders wordt gevonden; zy groeit met omvallende stengels en kleine blaedjes, en bloeit in juny, met schoone blinkende bloempjes, die vyf bloemblaedjes in de kelken hebben. Het heesterachtig Wytkruid (Illecebrum susfruticosum van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Spaenje, dat alhier in sommige kruidhoven wordt geplant, en 's winters in de planthuizen moet bevryd zyn, bloeit meest in mei, met vyf bloembladen in de bloemkelken en tien meeldraedjes, waervan vyf misbloeid en met geen helmknopjes zyn voorzien. Het Wytkruid is van over zeer oude tyden om zyne deugden bekend, dewyl Matthiolus en Lobel, in hunne kruidkundige werken daervan melding maken. Lobel noemde dit kruid Paronychia alsinefolia, die met de bladen aen de Muer gelykt, en de eerstgemelde is die hier te lande groeit, hy zegt dat dit kruid dun en fyn van deelen, verdroogende van kracht en gansch niet bytachtig is, zoo als alle dingen moeten wezen om de vyt aen de nagels der handen te genezen, waerdoor dit kruid den naem van Wytkruid (Paronychia) verkregen heeft; Dodoneaus doet bezonderlyk opmerken, dat het Wytkruid welk aen de oude muren pleeg te groeijen, daervoor meest wordt gebruikt.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

VW. Wachendorfia. – Walstroo. – Wandluiskruid. – Water-Duizendblad. – Water-Duizendknoop. – Waterhanenvoet. – Waterklaver. – Waternoot. – Waterpeper. - Waterporselein. – Waterranonkel.

– Watervenkel. - Waterviolier. - Waterwortel. – Wederik. Weede. – Wegbree. Westeringia. Wikke. - Wilde Basilicum. – Wilde Cicer. – Wilde Kervel. - Wilde Lelie. – Wild Moeskruid. – Wilde Speurie. – Wilde Wyngaerd. – Wilg. – Winde. – Wintergroen. Witsenia. – Wolbloem. – Woldistel. – Wolfsmelk. – Wolfs- of Watermalrouwe. – Wolfswortel. – Wollegras. – Wondkruid. – Wormkruid. – Wynpalm.

WACHENDORFIA, in 't fransch Wachendorfia, in 't latyn Wachendorsia, is door Jussieu onder de familie van de Lischbloemplanten gesteld, en onder de 3 klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Wachendorfia met trosvormige bloemen (Wachendorfia thyrsiflora van Linnaeus) is eene langlevende bloembolplant van de Kaep de Goede Hoop, die met dunne lange bladen groeit, en waeruit eenen kleinen schacht spruit, op welks toppen meest in mei bloemtrossen bloeijen, met wel 17 of 18 vereenigde bloemen, die een schoon geel kleur hebben.

De Wachendorfia met grasvormige bladen (Wachendorsia graminifolia van Linnaeus) bloeit alhier meest in july, met opene bloemtrosjes, die op de toppen als aren bloeijen en zes ongelyke bloembladen in de kransen hebben.

Deze planten worden alhier by onze bloemisten om hare schoone bloemen gekweekt en moeten in den heigrond geplant zyn; zy worden in potten, op de wyze van de andere bloembolplanten van de Kaep, in de matige serren vermenigvuldigd. De wortels van den Wachendorfia bezitten eene scherpte, waerdoor zy eene buikzuivering verwekken.

« VorigeDoorgaan »