Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigen-veelechtigen-gelykbloeijenden.

De Saffloers (Carthamus tinctorius van Linnaeus) is eene éénjarige zaeiplant van Egypten, die in de zuidelyke deelen van Europa natuerlyk wast, en zelfs het klimaet van het Zuiden van

België is die plant niet nadeelig; zy wordt veel in Frankryk,

Italië, Duitschland en elders alle jaren vroeg in het voorjaer gezaeid, nadat de vorst die jonge planten niet meer kan hinderen, en groeit met spilvormige wortels en getakkelde stengels, omtrent 50 of 60 centimeters hoog, met overhoeksche en alleenstaende, eivormige, prikkelachtige, getande bladen, bloeit van in july tot 't einde van augusty, met geelachtige roode bloemen op de toppen der takjes, die olieachtige zaedjes voortbrengen. De bloemen van de Saffloers worden binnen het bloeijen alle dagen, als het helder weêr is, wel twee maenden lang vergaderd, en op belommerde plaetsen, alwaer de lucht doorvliegt, gedroogd, nadien in zakken of kassen gevuld en tegen de vochtigheid en het verderf bevryd, om voort als verw te gebruiken. Er zyn twee kleurende eigenschappen in de bloemen van de Saffloers: de eene is eene gele verw, die in het water ontlost, en de andere eene roode verw, die zich door de zeep of het loogzout (alcali) ontbindt; die Saffloers geeft aen de zyde en andere stoffen een zeer schoon rooze en hoogrood kleur, maer die weinig vast zyn, want zy kunnen het wasschen met zeeploog noch de lucht en zonne niet wederstaen; niet te min, het katoen met die Saffloers geverwd, met witte zeeploog gewasschen en in de lommer gedroogd, verliest weinig dit kleur, en als men dit aenstonds in het zuerachtig water met citroensap vermengd, spoelt en laet weeken, dan verkrygt dit katoen een schoon jasmynen kleur. Veel gekleurde waters en blanketsels voor de jufvrouwen worden door de Saffloersbloemen gemaekt. Het schoon rood dat de schilders gebruiken en rouge végétgl of vermillon d'Espagne noemen, wordt ook met de meeldraedjes van die bloemen gemaekt. Men koopt jaerlyks veel Saffloers in Egypten en elders in Zuid-Europa, om alhier by de verwers en in de fabrieken te gebruiken. Ofschoon deze plant voor het verwen dient, wordt

w

zy in sommige landen in veel spyzen gebruikt om er een aengenaem kleur aen te geven. De Joden en Turken eten schier geene andere spyzen dan met Saffloers bereid. De bloemen dezer plant hebben in de medecynen de krachten van den Saffraen, en het zaed door afkooksel bereid, is een hevig buikzuiverend middel; er wordt ook veel olie van gemaekt, die eertyds by de apothekers Cnicelaeon werd geheeten. Het zaed wordt veel gebruikt om de vogels te voeden, en is onder den naem van Papegaeizaed bekend; het kan zyne krachten wel drie jaren behouden en twee jaren voor het zaeijen goed blyven. Deze gewassen kunmen moeijelyk verplant worden.

SAFFRAEN, in 't fransch Safran, in 't latyn Crocus, is onder de 8° klasse, 2 sectie der Lelieplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Lischbloemen, en onder de 3° klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De tamme Saffraen (Crocus sativus van Linnaeus) is eene bolplant van Azië, die in België, Frankryk, Italië en Duitschland wordt gekweekt, zy groeit met lynvormige bladen, eenschilpige bloeischeeden, en bloeit alhier meest in september, met purperachtige violette bloemen, de roodachtige oranje stempels die de bloemen voortbrengen, zyn de Saffraen die in den handel wordt verkocht, om in de keukens te gebruiken. De Lente-Saffraen (Crocus vernus van Linnaeus) is eene langlevende bolplant van de Alpische gebergten; zy groeit met korte bladen en kleine schachtjes, en bloeit meest van february tot in april, met geelvergulde bloemen. Men heeft door het zaed veel medesoorten van deze bolplant verkregen, die met effen gele, violet gele, blauwachtig gele, purper gele, witte, grys en geel en veel andere gekleurde bloemen bloeijen. Men vindt er ook veel met dubbele bloemen, die allen meest in de lente bloeijen, onder dewelke de Saffraen van Suze (Crocus suzianus), met gele bloemen en purpere strepen; de Crocus sulphureus, de Saffraen van Mesiën (Crocus maesiacus van Italië), de Saffraen van Napels (Crocus neapolitanus) en meer dan honderd medesoorten zyn, die in België en elders uit het zaed zyn gesproten, en door de bloemkweekers allen verscheidene namen hebben verkregen. De Herfst-Saffraen (Crocus autumnalis of Crocus officinalis van Linnaeus), die in september bloeit, en welks bloemen en meeldraedjes zoo eenen aengenamen geur bezitten, is heet en wat samentrekkende van krachten; die Saffraen matelyk gebruikt, verkwikt de hersenen, verheugt den mensch, verwekt den eetlust, begunstigt de bewerking der moeijelyk aendryvende magen, verkoelt de spieren en verwekt de maendstonden. De Saffraen, zegt G. Grimaud de Caux, wordt veel voor eenen kwaden hoest, fleuris en verstoptheid der lever en milt geprezen, en is goed voor de waterzuchtige menschen en kortborstige zieken. Men plagt den Saffraen veel te gebruiken om er gele verw mede te maken; de beste Saffraen die men hier in de winkels en by de apothekers verkoopt, komt meest van de zuidelyke deelen van Europa. Al die Saffranen kunnen door het ryp zaed in den verschen grond vermenigvuldigd worden; zy moeten 's winters met dorre bladen bevryd zyn, en brengen vroeg in de lente veel jonge bollen voort, die alle drie jaren van elkander kunnen gescheiden worden, en schoonere groote bloemen als men die in den herfst in potten plant, met die enkelyk 12 of 14 centimeters van elkander te plaetsen, brengen zy meer jonge bloembollen voort.

SALIE, Saliekruid, Savie, in 't fransch Sauge, in 't latyn Salvia, is onder de 4e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten, en onder de 2e klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee stuifdraden bloemen en maer één stampertje hebben. De Winkel-Salie (Salvia officinalis van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Zuid-Europa, dat alhier in de kruidhoven wordt geplant, en in struiken groeit, met stengels, omtrent 30 centimeters hoog, en spitse, eivormige, groene bladen, die geheel gekerfd, doorschynende en gerimpeld zyn; bloeit meest in july, met aren op de toppen der stelen, puntige bloemkelken, oneffene bloemkransen en lipvormige bloembladen, die een purperachtig blauw kleur hebben. Deze welriekende plant is door hare nuttige en heilzame warme en drooge krachten, die het geheugen en de zinnen versterken, en voor de pyn in het hoofd en beroerdheid worden gebruikt, van over zeer oude tyden bekend, in de spyzen geëten, zuivert zy de darmen en verwekt den eetlust, met zoete melk gekookt en gedronken, is zy goed voor de pyn in de keel, met bier of wyn gezoden, zeer dienstig voor de kwade magen, en lauw gedronken, goed voor de longerzucht, verstopte lever, krampen en beroerdheid. De Salie wordt ook veel met de Lavendel gemengd, om riekende water te distilleren, en met Alsem gekookt en tegen den bloedloop gebruikt. Men vindt heden zeer veel soorten van Salie, die alhier in de oranjehuizen 's winters worden bevryd, zoo als de Salvia coccinea van Linnaeus, met hare schoone roode welriekende bloemen, die van Florida, in Amerika, over eenige jaren alhier is overgevoerd, de Salvia fulgens van Willdenow, van Mexiko, de Salvia canariensis, van de Canarische eilanden, de Salvia aurea, van de Kaep; de Salvia paniculata van Linnaeus, van Afrika, de Salvia patula van Desfontaines, van Barbarië. Onze bloemisten hebben nog van de Indiën de volgende soorten verkregen : Salvia cardinalis, confertiflora, Grahami, - hians, - prunelloides, regla, - tubifera longiflora en veel andere, met zeer lieflyke bloemen versierd, die door het zaed, afzetsels en uitspruitsels vermenigvuldigd worden. De wilde Salie (Salvia pratensis) en de Bosch-Salie (Salvia sylvestris) groeijen in de meerschen en velden, de Salvia verticillara en de Salvia glutinosa van Linnaeus, groeijen in België in de bosschen, en bloeijen in july, met donkerblauwe bloemen, die lymachtige bloemkransen hebben.

SANDELBOOM, in 't fransch Santal, Bois de Santal, in 't latyn Santalum, is door Jussieu onder de familie van de wilde Ezelsplant gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, boomen die met vier meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Men vindt in de Oost- en West-Indiën den witten Sandelboom (Santalum album van Linnaeus), die aldaer dik en groot groeit, getakkeld, met lommerryke groene bladen, en in die warme landen meest in january bloeit, met vier bloeibladen in de kelken, in vier geland, en vier donkerblauwe bloembladen, die eikels of vruchten met veel kerntjes voortbrengen, welke de kelken tot hare rypheid verzellen.

Men vindt in de Indiën drie soorten van die boomen, met wit, rooskleurig en bleekgeel hout; het bleekgeel hout heeft eenen aengenamen reuk, en wordt derhalve meest door den handel naer Europa gezonden, om alle slach van sieraedwerken en fraeije meubelen mede te maken , die eenen welriekenden geur behouden, maer gelyk dit hout door den hoogen prys van het overvoeren dikwils zeldzaem is en wat kostelyk valt, wordt het heden veel door het Palmhout en Vlierhout, die in Europa wassen, vervangen. Het bleekgeel Sandelhout is koud van aerd en verkoelend van kracht, en wordt derhalve by de apothekers in poeijers bereid, en voor heete magen, door de scherpheid der galle voortkomende, ingenomen; het wordt ook tegen de klopping des herten in de geneesmiddelen bereid en voor de heete koortsen gebruikt, ook met suiker genut en in andere medecynen gemengd, om den onmatigen bloedgang te stelpen. Dit hout wordt in de Indiën veel in poeijers gemalen en alzoo verzonden. De boomen kunnen door het kernzaed vermenigvuldigd worden.

SANIKEL, Wondkruid, in 't fransch Sanicle, in 't latyn Sanicula, is onder de 7° klasse, 9e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de kroondragende bloemplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf stuifdraden en twee stampertjes bloeijen.

De Sanikel of officineel Wondkruid (Sanicula europaea van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in België in de bosschen, op belommerde plaetsen wast, en meest op vette, vochtige gronden wordt gevonden; zy groeit met roodachtige wortels, die naer boven dikachtig zyn, langwerpige, dunne bladstelen, en

« VorigeDoorgaan »