Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

orium irregulare, Wephrodium evaltatum, Wiphobolus sinensis, Polypodium angustifolium, P. aureum, P. Billardierii, P. falcatum, P. juglandifolium. P. laevigatum, P. nereifolium, P. ramosum, Pteris biaurita, P. chrysocapa, P. geranifolio, P. palmata, P. vespertilionis en meer andere, die alhier in de warme serren worden gekweekt en door wortelscheiding voortgezet. Men heeft in de september-tentoonstelling van het jaer 1844, in de Casino te Gent, nog wel zeventig nieuwe soorten van de Indiën bemerkt, die door onze behendige bloemisten, de heeren Alexander en Ambrosius Verschaffelt, Van Geert vader, J. B. De Saegher, L. Van Houtte en meer andere kundige kweekers waren ten toon gesteld.

VELDAJUIN, Vogelmelk, in 't fransch Oignon des Champs, Ornithogale, in 't latyn Ornithogalum, is onder de 9° klasse, 4" sectie der lelieachtige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Asphodille, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De spitsvormige Veldajuin (Ornithogalum pyramidale) is eene langlevende bloembolplant van Portugael; zy groeit met lange, smalle bladen en schachtjes van omtrent 20 of 25 centimeters hoog, en bloeit met aren en witte gesternde bloemen, na het bloemen neemt men de bollen uit de aerde, om in den herfst weêr te planten.

De Weldajuin met bloemtrosjes (Ornithogalum umbellatum van Linnaeus) groeit in België in de velden, met smalle lange bladen en schachtjes van maer omtrent 12 of 15 centimeters hoog, en bloeit in mei met bloemtrosjes en witte gesternde bloemen, die zich ten elf uren 's morgens openen en zich ten vier uren sluiten.

De Weldajuin met gele bloemen (Ornithogalum luteum van Linnaeus) groeit in België in de bosschen en velden, met bladen en schachtvormige stengels, en bloeit met veel gele bloemen.

De Veldajuin van de Pyrenesche gebergten (Ornithogalum pyrenacium van Linnaeus) groeit in België in sommige bosschen, met schachten en lange bloemtrosjes op de bloemstelen en gele bloemen.

De kleine Weldajuin (Ornithogalum minimum van Linnaeus) groeit in België in de velden, meerschen, enz., met kleine, hoekige schachten, die bloot maer 12 centimeters hoog wassen, en bloeit in mei, met getakkelde bloemtrosjes en scherpe gele bloembladen. Hoewel deze planten alhier in het wilde groeijen, worden zy tot versiering in de bloemhoven geplant, en de volgende soorten in de oranjery gekweekt. De Ornithogalum arabicum van Linnaeus, is eene langlevende bolplant van Egypten; zy groeit met dikke gegroefde bladen en stengels, die omtrent 30 centimeters hoog wassen, en bloeit in juny, met bloemtrossen en zes witte bloembladen, die zeer lieflyk groen en geel zyn gevlekt. De Ornithogalum revolutum van de Kaep, bloeit met trosjes en bloemen, die een wit en geel kleur hebben en eenen welriekenden geur verspreiden. De Ornithogalum miniatum met blozende, roode en gele, en de Ornithogalum thyrsioides met bleekgele bloemen, worden in potten in de matige serren gekweekt. De bloembollen van den witten Weldajuin, die hier te lande groeit, zyn zeer heilzaem om de versche wonden te genezen, en de gele Weldajuin wordt ook in plaesters of pappen bereid en voor de voortetende zeeren gebruikt. Op sommige plaetsen in de vreemde landen worden zy op de wyze van den Look geëten, en velen zeggen dat zy dezelfde krachten inhouden; zy worden door bloembolscheiding vermenigvuldigd.

VELDGRAS, in 't fransch Agrostis, in 't latyn Agrostis, is door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld, en onder de 3° klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben. • Het wit Veldgras (Agrostis alba van Linnaeus) is eene langlevende grasplant, die in België wast, met kruipende stengels en ruwe, styve bladen, zy groeit alhier in de vochtige meerschen, die 's winters onder water staen; derhalve wordt zy laet in den zomer ryp, maer brengt toch zeer goed en welriekend hooi voort, dat eenen aengenamen smaek inhoudt.

Het Honds-Veldgras (Agrostis canina van Linnaeus) groeit in België in de vochtige meerschen, met liggende, getakkelde, gebladerde stengels, en bloeit met geslotene trosjes, die een purperachtig kleur hebben. Het hooi van deze soort is zeer zoet van smaek.

Het gesloten Veldgras (Agrostis stricta) is van Amerika alhier over eenige jaren ingevoerd, en wordt heden veel in de vochtige meerschen en elders gezaeid. Het hooi daervan voortkomende, bezit eenen aengenamen smaek. De kruidetende dieren zyn er zeer op verlekkerd.

Het uitspruitende Veldgras (Agrostis stolonifera van Linnaeus) groeit in België in de vochtige meerschen en zandachtige plaetsen, en bloeit met gebaerde aren; het wordt om de scherpe en wydloopende wortels, die de velden en meerschen zeer hinderen, verworpen, maer toch in sommige vochtige weiden, die langen tyd onder water staen, gezaeid, alwaer het veel hooi voortbrengt.

Het Veldgras of Vrouwenhaer-gras (Agrostis capilaris van Linnaeus) groeit in België op drooge en vochtige plaetsen in de meerschen, met getakkelde, gebladerde stengels, maer omtrent 30 centimeters hoog, en verschaft, gedroogd zynde, een aengenaem voedsel aen de kruidetende dieren.

Het kort Veldgras (Agrostis pumila van Linnaeus) groeit meest in de bosschen en velden, en is zeer zoet van smaek.

Het ringvormig Veldgras (Agrostis verticillata van Willdenow) wordt veel in de meerschen en weiden gezaeid, groeit tamelyk hoog, en wordt droog en groen veel aen de kruidetende dieren gegeven, en om zynen zoeten smaek en welriekenden geur by voorkeur geacht.

VELDSALADE, Koornsalade, Sint Joriskruid, in 't fransch Mache, Doucette, in 't latyn Valerianella, is door Jussieu onder de familie van de Valeriana en Kardendistel gesteld, en onder de 3° klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. Alhoewel sommige kruidbeschryvers deze Veldsalade onder het SintJoriskruid stellen, heb ik er een bezonder artikel van gemaekt. De Veldsalade (Valerianella locusta van Linnaeus) groeit natuerlyk in België in de velden, en wordt veel alle jaren in augusty in de moeshoven gezaeid, om 's winters als salade te gebruiken, men trekt die planten gemeenlyk t'einde april uit en laet er eenige opschieten, om het zaed te kunnen inoogsten. Dit zaed wel droog in papieren zakken gedaen, kan 7 jaren voor het zaeijen zyne kracht behouden. Men vindt eenige medesoorten van die Veldsalade, die met rondachtige en breedere bladen wassen en ook met witte bloemen bloeijen. De Hof-Veldsalade (Valerianella olitoria van Linnaeus) is ook eene éénjarige kruidplant, die in België in de velden wast, en in de moeshoven in den herfst wordt gezaeid; zy groeit met geheele bladen, halve maenvormige stengels en witte bloempjes, die bloote zaedjes voortbrengen. De blaesvormige Veldsalade (Valerianella vesicaria van Linnaeus) wordt veel in Zuid-Frankryk gezaeid; de Valerianella coronata van Linnaeus, komt van Portugael; de V. radiata van Noord-Amerika en de V. discoïdea van Linnaeus, worden alhier in de moeshoven gezaeid en als salade geëten. Al deze Veldsaladen bezitten dezelfde krachten als het Sint Joriskruid en Speerkruid.

WERKENSGRAS, Duizendknoopen, Kreupelgras, in 't fransch Renouée, Bistorte, Centinoides, in 't latyn Polygonum, door Tournefort Fagopyrum bistorta genoemd, is door Jussieu onder de familie van den Boekweit en veelhoekige planten gesteld, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht meeldraedjes bloeijen en drie stampertjes hebben.

Het sledevormig Verkensgras of Duizendknoop (Polygonum aviculare van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten langs de wegen wast, met zwakke, geknoopte stengels, die getakkeld langs de aerde liggen, en kleine, lansvormige, groene, gladde blaedjes, die beurtelings aen de knoopjes wassen, bloeit alhier meest in september, met kleine rooskleurige bloempjes, die veel zaedjes voortbrengen, welke door den wind ten alle kanten vervliegen. Dit Werkensgras, dat eenen zuerachtigen smaek inhoudt, wordt van de zwynen en sommige andere kruidetende dieren gretig gezocht, behalve de schapen, het bezit eene heilzame en samentrekkende kracht, is van over zeer oude tyden door veel landlieden om zyne deugden bekend, en wordt in vurige tyden door afkooksel als thee bereid, om de pyn der ingewanden te verzachten, die door den buikloop veroorzaekt zyn. Het Werkensgras gestooten en op de kwetsuren gelegd, doet die zuiver genezen, en het sap wordt er ook uit geperst en door de apothekers met andere medecynen gemengd; dit kruid wordt alhier ook van sommige landlieden Onnoozelkinderkruid, Bloedloopkruid en Musschentong geheeten, maer de natuerlykste naem by alle Kruidkenners is Werkensgras. De wilde Boekweit (Polygonum convolvulus van Linnaeus) die ten alle kanten in de velden met rankskens wast, en zaedjes byna als Boekweit voortbrengt, wordt ook van sommigen Werkensgras genoemd, hoewel hy nogtans daeraen niet gelykt.

WERKENSWENKEL, Verkenssteert, in 't fransch Queue de Pourceau, in 't latyn Peucedanum, is onder de 7° klasse, 4e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de schermdragende bloemplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben

De officinele Werkensvenkel (Peucedanum officinale van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant die in België in de vochtige meerschen wast, met geknoopte stengels, die omtrent 60 centimeters hoog groeijen, en bladstelen die vyf mael zyn verdeeld en op drie wyzen van elkander gescheiden, met lynvormige bladen, bloeit meest van juny tot in july, met kleine gele bloempjes, kroonwyze geschikt, die dunne, langwerpige zaedjes voortbrengen. De wortels van deze plant, die sap inhouden, groeijen in de moerassige gronden wel omtrent 1/2 meter diep. Deze plant, die ook veel in Duitschland, Italië, Frankryk en elders wast, groeit somtyds met breedere bladen en grootere bloemen, en wordt om hare deugden in de kruidhoven geplant. Als dit kruid jeugdig staet te groeijen, vloeit er gemeenlyk aen de knoopen der stengels

« VorigeDoorgaan »