Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Tarwe moet altoos uitgesteld worden, tot dat het bovenste der aerde door den invloed der zon eene voldoende warmte heeft verkregen, om de uitspruiting te verhaesten, en men geene vorst meer te vreezen heeft, hetgeen in onze gematigde luchtgesteltenis maer met het begin van mei kan geschieden, om het graen t'einde september nog ryp te worden. Men moet ook by het zaeijen eenen goeden keus van het zaeigraen doen, zooveel mogelyk zynde elk jaer van zaeigraen veranderen, en altyd trachten dit van den laetsten oogst te gebruiken, dat men tot den tyd van zaeijen aen de aren vast laet, omdat de kiemen niet te veel uitdrooging zouden ondergaen, hetgeen nadeelig aen hunne ontwikkeling kan wezen. Om dit te vermyden, kiest men altoos het middenste graen van de aren, alwaer de Turksche Tarwe de schoonste en best gevoed is, wel in aendacht nemende, dat het tweejarig graen nooit zoo goed voor het zaeijen als het laetstjarig kan aenschouwd worden. Het zaeigraen 24 uren in het water doorweekt, is altyd zeer nuttig : het verhaest de uitspruiting, en het ligt graen dat boven zwemt kan men dan gemakkelyk van het goed graen scheiden, om er de pluimgedierten mede te voeden. Dit zaeigraen 10 of 12 uren in het kalkwater of ruwzoutwater gedompeld, is ook zeer nuttig tegen de verwoesting der insekten en voordeelig tegen den koornbrand, die ook somtyds de Turksche Tarwe aenrandt. Er bestaen verscheidene wyzen om de Turksche Tarwe te zaeijen : wanneer de landen vooraf wel bereid of gemest zyn, kan men met de hand het graen in de voren der ploegen, omtrent 6 of 7 centimeters diep leggen, dan daertusschen drie sneden van den ploeg ruimte laten, en weder in de vierde snê of vore van den ploeg hetzelfde verrigten, op zoo eene wyze dat de planten ongeveer 70 centimeters van elkander staen; maer de beste wyze, hoewel zy de kostelykste is, maer die toch alle akkerlieden zonder peerden kunnen verrigten, is van de Turksche Tarwe in kleine putjes te planten, die men met de spade regelmatig regt, op gelyken afstand, 6 of 7 centimeters diep in de aerde maekt; men legt 2 graentjes in ieder putje, en bedekt die dan met de aerde van het volgende putje. Oogenblikkelyk na het planten, moet men het land met de egge verscheide mael lang en dwaers doortrekken en met de rol wel toeleggen. Indien men, zoodra de jonge planten 9 of 10 centimeters hoogte bekomen hebben, bemerkt dat er meer dan eene plant uit de putjes gesproten is, kan men met de hand eene van die zaedjes uitheffen en op de gefaelde opene plaets verplanten, wel zorgende van al de noodelooze planten weg te nemen, en de kloekste op zoo eene wyze te schikken, dat zy altoos omtrent 70 centimeters van elkander staen, hetgeen in goede vruchtbare landeryen wel 90 centimeters mag wezen; derhalve zyn er vele landbouwers die zich misgrypen, als zy denken veel graen in te oogsten, met die planten digt te laten staen groeijen, daer dit dikwils de stralen der zon belet, en verder de stengen, in plaets van 3 of 4 aren, maer 1 of 2 zwakke aren voortbrengen. Zorg by het aenkweeken. – Terwyl de Turksche Tarwe wast, is niets zoo voordeelig om de stengen te versterken en veel schoone aren met volwassene granen te verkrygen, als de bewerking en zuiverhouding der gronden, hetgeen men, terwyl de Turksche Tarwe groeit, drie mael moet herhalen. Het voornaemste dezer bewerking is het land wel te bebouwen, van alle onkruid te zuiveren en de stengen van onder frischheid te geven, om nieuwe wortels te maken, die hun tegen het geweldig schudden der winden en onweders versterken. Men begint ten eerste met de omspitting of uitwieding van het onkruid, zoodra men de overtollige planten heeft uitgetrokken en al de andere goed heeft geplaetst. De tweede zuivering of omspitting moet gebeuren als de planten omtrent 32 of 33 centimeters hoogte hebben bereikt, dan legt men de aerde hoopgewys rondom aen de wortels, by elken voet van de stengen, hetgeen onze landbouwers ophullen noemen. De derde zuivering of bewerking wordt meest verrigt als de planten beginnen de aren te vormen en hare granen te maken. Het gebeurt dikwils dat die planten aen de onderste liddeelen en wortels uitspruitsels voortbrengen, die men zorgvuldig moet afsnyden, en aen de beesten te voeden kan geven, ook moet men zorgen de misgroeide en laelst gegroeide aren, die toch hunnen vollen wasdom niet meer kunnen verkrygen, af te weren, om den groei der welgewassene te vervoorderen. Het is maer na deze drie gemelde bewerkingen, dat men tusschen de ydele spatie, die men by het planten van de Turksche Tarwe moet laten, verscheidene soorten van Struik boonen, die niet klimmen, of Koolen, Savooijen en Aerdappels mag planten, en ook Rapen of andere planten, die de Turksche Tarwe voordeelig zyn en tot voedsel kunnen dienen, zaeijen. De Turksche Tarwe is ook van vele vyanden gekweld, die haren wasdom dikwils hinderen en zich met die planten voeden, zoo als huis- en wilde gedierten, tegen dewelke een akkerman wel moet waken, vooral wanneer zy hare rypheid verkrygt; zy is ook, gelyk veel andere vreemde planten, aenden invloed der ongestadige luchtgesteldheid gevoelig, en lydt veel van de koude saizoenen, overmatige vochtigheid en langdurige droogte, vooral ten tyde dat zy bloeit, want de langdurige koude regen kan grootendeels het mislukken der aren en granen veroorzaken. De Turksche Tarwe is ook dikwils aen den koornbrand onderhevig. In sommige landstreken snydt men, na het bloeijen, de toppen der stengen af, om de beesten te voeden en de rypheid der granen te verhaesten, maer men kan deze handeling niet genoeg mispryzen, daer het gevolg daervan, in plaets van voordeelig, altoos nadeelig aen de aren en granen moet wezen, dewyl dit den omloop en de beweging van het sap belet, dat de granen moet voeden. Sommigen zyn ook van gedacht dat men een groot deel van de bladen moet aftrekken, om de krachten der stengen en aren te vermeerderen, hetgeen ook zeer tegenstrydig is, want de Turksche Tarwe moet meer dan alle andere planten hare bladen behouden, daer deze rond de stengen eene soort van trechter vormen, die den dauw van den dampkring bevat, en elk blad als een waterbakje is, dat door de natuer geschikt schynt om de verversching aen die planten te geven en de aren en granen tot hunne rypheid te voeden. Men mag dus maer de bladen afplukken als de Turksche Tarwe geheel hare rypheid bekomen heeft, en de bovenste toppen dan ook afsnyden, die alsdan nog aen de beesten een goed voedsel verschaffen. Voornamelyk in Italië, Spaenje en Zuid-Frankryk worden de paerden en muilezels met de bladen en toppen 's winters gevoed.

Tyd der inoogsting. - De Turksche Tarwe doet hare rypheid zien aen de opdrooging van een groot deel der bladen en stengen, die een witachtig kleur verkrygen, en aen de bewindsels der aren, die er zich van verwyderen, op zoo eene wyze, dat men de blinkende gekleurde granen gemeenlyk wel kan zien, hetgeen alhier te lande maer 4 maenden na het zaeijen plaets heeft. Men wint byna altyd met de aren aen de stengen eenige dagen in de zonne te laten droogen, waerdoor het graen zynen volmaekten wasdom schynt te verkrygen, daer het overblyvende sap der stengen nog altoos naer de aren dringt. In sommige koude landen, waer de Turksche Tarwe hare rypheid slecht bekomt, wordt zy op ovens gedroogd, maer dit verslecht altoos de hoedanigheid der granen, zy verliezen hunnen glans, de pelletjes zyn droog en de meelachtige deelen broos, het doet ook de kiempjes van het graen te veel opdroogen, om weer te planten. Wanneer men ziet dat de granen op verschillige aren eenen zekeren graed van rypheid hebben bekomen, plukt men de aren met hunne stengen af, legt die in huis, in de schuer of op eene overdekte plaets in kleine hoopjes, open te droogen, en roert die, terwyl hy droogen, verscheidene mael, opdat de bewindsels der aren niet zouden beschimmelen, hetgeen de deugd der granen verslecht en hun eenen bitteren smaek doet verkrygen, nadat de bewindsels volkomen droog zyn, trekt of snydt men de aren van hunne stengen, en legt die op den zolder of onder een afdak; men laet de aren zoo lang met het graen vast, tot dat men die tot het verbruiken schikt, men kan die ook, om wel te droogen, op de zolders 10 of 12 te samen aen lange stokken hangen, en by deze bewerking de rype aren van de onrype afscheiden, welke laetste men eerst gebruikt om de beesten en pluimgedierten te voeden, omdat zy eerst bederven. De stengen, die na het inoogsten te velde blyven en om hunnen houtachtigen aerd door de beesten niet geëten worden, kan men uittrekken, en nadat zy wel gedroogd zyn, gebruiken om den oven te heeten of in de keuken te verbranden. Behalve dat zy groote hitte geven, houden zy nog zeer veel potassche in, die zeer goed is om linnen en andere stoffen mede te bleeken of te wasschen. Wanneer men de Turksche Tarwe begeert te gebruiken of te verkoopen, ontlost men de granen uit de holligheid der aren, hetzy met de hand of met die tegen den lemmer van een plomp mes af te schrabben, hetzy door die met eenen stok af te kloppen of onder de voeten met holleblokken af te stampen, maer altoos op zoo eene wyze dat men de granen niet breke. Wanneer nu de Turksche Tarwe afgekorreld is, want men die, om ze van de pelletjes en alle andere vuiligheid te zuiveren, en zet de granen in zakken op eenen zolder waer somtyds eene loopende lucht heerscht, opdat de kalanders en andere nadeelige insekten hunne eijers daerin niet zouden kunnen afleggen. Wanneer men dit graen tot meel doet malen, moet het volkomen droog zyn, omdat het anderszins te zeer aen de molensteenen kleeft en den meelbuidel by het teemschen te veel besmeert, indien men het malen te huis kon verrigten, of dit graen door den gortmolen, op de wyze van de Geerst kon pellen, dan zou men wel een derde meel meer bekomen. De zemelen van dit meel zyn zeer voordeelig om de huisdieren te voeden. Men kan het meel van de Turksche Tarwe, in zakken op drooge koele plaetsen gezet, een jaer lang tegen het verderf bewaren. Men kan op verschillige wyzen de Turksche Tarwe voor het voedsel der menschen en huisdieren gebruiken, maer gelyk het meel aen kleefachtige stoffe ontbreekt, kan men dit in goed huisbrood niet verwerken, zonder er een derde Tarwemeel by te vermengen; men kan ook by dure tyden er brood van bakken, door het met een derde Havermeel en een vierde Tarwemeel te mengen; de helft Turksche Tarwemeel en de helft Geerstemeel, met een vierde Tarwemeel, verschaft een brood byna zoo goed als van zuivere Tarwe, als er het Roggemeel voor de helft inkomt, is het brood te vast en heeft gemeenlyk eenen flauwen smaek. De Turksche Tarwe verschaft aen de menschen eene zoo gezonde als aengename en goede spyze, hetzy om soepe, melkpap, kruidkoeken of beschuit mede te maken. De pastybakkers gebruiken het meel om meeldeeg, meelreep, gortenbry en fyne koekjes mede te maken. Men zegt dat het meel van de Turksche Tarwe in soep bereid, by voorkeur tot spyze moet dienen aen de persoonen die den steen en het graveel in de blaes schromen, en zeer dienstig

« VorigeDoorgaan »