Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

eenen hoest kunnen behouden; het wordt veel van de bessemmakers gezocht.

Het Berg-Riet (Arundo epigejos van Linnaeus) groeit veel in België op de bergachtige plaetsen, en wordt ook jong van de koeijen, paerden, schapen en andere kruidetende dieren gezocht.

Het Spaensch Riet (Arundo donax van Linnaeus) groeit meest in de zuidelyke deelen van Europa, op sommige plaetsen wel 3 meters hoog, met dikke, geknoople, gepypte, harde, effene schachten, en stamomvattende, breede, spitse groene bladen. Dit Riet wordt alle jaren by de aerde afgesneden, en dient om kamen voor de wevers, bobynen voor de spinnersen, horden om vruchten op te droogen, visschers hengelrocden en veel andere werken van te maken. In Zuid-Frankryk, Spaenje en elders koken de kraem vrouwen dit Riet en drinken het afgekookt sap, om haer zog te vermeerderen; zy zeggen dat als zy dit drinken, hare jonge kinderen aen het zuer van hare melk niet onderhevig zyn. Deze plant wordt door wortelscheiding vermenigvuldigd, en kan, met die by koude winters een weinig met dorre bladen te bedekken, zeer wel ons klimaet wederstaen.

Het Bamboes-Riet (Arundo Bambos van Linnaeus) groeit meest in de warme landen van de Indiën, alwaer het eene groote inkomst aen de planters verschaft, en wordt veel gebruikt om wandelstokken en alle soorten van sieraedwerken mede te maken.

RIVINA, in 't fransch Rivina, in 't latyn Ridina, is door Jussieu onder de familie van de Meldeplanten gesteld, en onder de 4. klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De kleine Rivina (Rivina humilis van Linnaeus) is een langlevend klein heester-boomgewas van Amerika, dat met eivormige bladen groeit. Geheel deze plant is met grysachtigen groenen en willen dons bedekt; zy bloeit in de warme serren in april, met bloemtrosjes en kleine witte bloempjes, waerna zeer schoone bolvormige roode beziën volgen, die zeer bevallig zyn en een groot deel van 't jaer op de plant blyven.

De Rivina laevis van Linnaeus, is een heester-houtgewas van Amerika, dat in struiken groeit, met gladde, hartvormige bladen, die dikwils een roodachtig gemengd kleur hebben; bloeit met trossen en kleine witte bloempjes, die vruchten met een levendig rood kleur voortbrengen.

De purpere Rivina (Ridina purpurescens) is een nieuw langlevend heester-houtgewas van Brezilië, dat door sommigen Rivina brasiliensis wordt genoemd; het bloeit met witachtige bloempjes, die purpere beziën, in den vorm van Lenzen, voortbrengen.

De Rivina paniculata van Linnaeus, is een langlevend klein boomgewas van Persië, dat met trosvormige aren, op de

wyze van de druivetrossen bloemt.

Al deze schoone houtgewassen moeten alhier in de warme serren worden gekweekt, en kunnen door het zaed van de rype beziën in de serren, op lauwe broeibakken, vroeg in het voorjaer gezaeid worden; de zaeijelingen, die het tweede jaer dikwils al bloemen dragen, versieren de serren door hunne bevallige lieflyke beziën.

ROELLA, in 't fransch Roella, in 't latyn Roella, is door Jussieu onder de familie van de klokvormige bloemplanten gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Roella met haertjes gerand (Roella ciliata van Linnaeus) is eene langlevende kleine plant van Afrika, die boomgewys, zeer getakkeld groeit, met lynvormige bladen, aen de randen met veel haertjes versierd, en meest alhier in july bloeit, met trechtervormige bloemkransen en schoone violette bloemen, die langs binnen wit zyn, zeer bevallige meeldraedjes hebben en ronde zaedhuisjes, in twee hutjes verdeeld, voortbrengen.

De Roella reticulata van Linnaeus, is een langlevend gewas van de Kaep, met bladen door haertjes versierd, welk aen de Gorteria wel gelykt.

De Roella muscosa van Linnaeus, is eene langlevende kruidplant van de Kaep, die met veel eivormige, getande bladen

groeit, en stengels die schoone trechtervormige bloemen op de loppen dragen.

Al deze planten moeten alhier in de malige serren of in goede oranjehuizen gekweekt zyn, en kunnen door inleggers en afzetsels in den heigrond vermenigvuldigd worden.

ROERKRUID, Hof-Roerkruid, wild Roerkruid, rood Melizoenkruid, Wolgras, in 't fransch Gnaphale des Jardins, in 't latyn Gnaphalium, door Tournefort Elychrysum genoemd; door Jussieu onder de familie van de bloemirosdragende kruidplanten gesteld, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen-veelechtigen-overbodigen.

Men vindt heden zeer veel soorten van deze planten; ten tyde van Linnaeus waren er alreeds 58 bekend, die sedert 200danig zyn vermenigvuldigd, dat men op sommige lysten wel 70 soorten vindt, waeronder veel nieuwe Papier- en Stroobloemen zyn, die ik in het artikel der Stroobloemen zal melden; my hier bepalende met deze te beschryven, die men hier en elders gemeenlyk Roerkruid en rood Melizoenkruid noemt.

Het Roerkruid met witten zilverachtigen dons bedekt (Gnaphalium dioïcum van Linnaeus) is eene langlevende kleine kruidplant van Europa, die in België in de belommerde beiden en drooge velden wast, en ook in de bloemtuinen wordt gekweekt; zy groeit met lynvormige blaedjes aen de aerde gestrekt, waeruit in mei stengeltjes met witten zilverachtigen dons bedekt, spruiten, die maer omtrent 10 of 12 centimeters hoog wassen, en waerop van juny tot in september roodachtige lieve bloemtrosjes bloeijen.

De Gnaphalium dioica rosea, van Jan Verschaffelt, gelykt wel van bladen en stengels aen den voormelden, maer draegt zeer lieflyke rooskleurige bloemtrosjes, die zaedjes met witte zilveren wolle bedekt voortbrengen.

Het Zand-Roerkruid (Gnaphalium arenarium van Linnaeus) is een langlevend klein wit kruid, dat alhier in de drooge zandachtige velden groeit.

Het Roerkruid van Virginië (Gnaphalium margaritaceum van Linnaeus) is van Amerika, maer groeit in België op de bergen

en in sommige bosschen, en bloeil met witte blocmen, die gele bloemstralen hebben.

Het Roerkruid dat aen de Filago wel gelykt (Gnaphalium salvaticum van Linnaeus) is eene plant van Zwitserland, die ook in de zuidelyke deelen van België in de drooge bosschen groeit, in struiken, met witachtige bloempjes op de stengels, en ook andere die met bleekgele bloempjes bloeijen.

Het oostersch Roerkruid (Gnaphalium orientale van Linnaeus) groeit met altoosblyvende, lynvormige blaedjes en enkele slengels van omtrent 25 centimeters hoog; bloeit van mei tot in augusty, met trosjes en gele blinkende bloemen.

Het bolvormig Roerkruid (Gnaphalium eximium van Linnacus) groeit met eivormige, geslotene bladen, stengels en geschulpte rooze roodachtige bloemkelken en gele bloemen; wordt alhier in de bloemtuinen door het zaed en struikscheiding vermenigvuldigd.

Het Roerkruid dat in België wast, is verdroogende en samentrekkende van kracht; het water dat van dit kruid gedistilleerd wordt, is zeer geprezen, zegt Dodonaeus, tegen den kanker, inzonderlyk van de borsten, want het belet de verborgene kankers tot zweringen te komen, als men dit water met eenen linnen doek alle dagen daer oplegt. Veel geneesmeesters gebruiken ook de bladen van de Mansooren (Asarum eyropaeum), om dit water, dat voor den kanker te verdryven wordt geacht, mede te maken. Lobel zegt dat het gemeen Roerkruid in zynen tyd werd geprezen om het rood melizoen en de melkziekte te genezen. Het Roerkruid, in wyn gezoden, geneest niet alleenlyk de eerslgemelde ziekte, maer ook allerlei overvloedige krankheden der vrouwen en stopt den buikloop.

ROGGE, in 't fransch Seigle, in 't latyn Secale, is onder de 15° klasse, 3° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Grasplanten, en onder de 3. klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie stofdraden bloeijen en drie slampertjes hebben.

De Winter-Rogge (Secale cereale van Linnaeus) is eene kruid

plant, die alle jaren alhier in den herfst te velde wordt gezaeid, en veel gelykenis met de Tarwe heeft, maer er toch eenigzins van verschilt. Men erkent wel de Rogge aen de stengels, bladen en langwerpige, platachtige aren, die zeer zyn gebaerd, van weêrzyde twee lagen hebben en rereenigde bloeibloempjes, die te samen met twee kafvliesjes in de bloemkelkjes zyn geschikt; het graen, dat langachtig en byna van boven rondachtig punlig is, in de bloemkransjes ryp wordt en een bruinachtig kleur verkrygt, scheidt ligtelyk uit de aren.

Men vindt ook de Zomer-Rogge (Secale orientale van Linnaeus), die van de Egeïsche zee af komstig is, en de kleine ZomerRogge (Secale creticum) van Griekenland, die alhier meest in het voorjaer wordt gezaeid.

De Roggeplant is min moeijelyk om kweeken dan de Tarwe, en wilt in alle diep bewerkle gronden zeer goed aerden, inzonderlyk als die 's winters niet onder water staen, want te veel koude vochtigheid kan de Rogge doen kwynen; maer in alle andere gronden, waer de wortels diep uit den grond hun voedsel kunnen trekken, begeert zy by alle andere éénjarige planten gezaeid te zyn, en kan zeer wel onze wintersche koude wederstaen; zy is ook zeer voordeelig om er voort in de lente klavers in te zaeijen, en het volgende jaer, nadat die Klavers gediend hebben om de kruidetende dieren te voeden, dit land te bewerken en er Tarwe in te zaeijen. Nadat de Rogge, die hier meest in july hare rypheid verkrygt, afgepikt en nadien ingeoogst is, wordt het land alwaer die Rogge heeft gestaen, meest aensłonds gebruikt om er Rapen in te zaeijen. De gewoonte die men in sommige landstreken van België heeft, van de Rogge ondereen met de Tarwe te žaeijen, is zeer tegenstrydig aen den regten regel, dewyl die

granen dezelfde naluer van grond niet begeren en ook ten zelfden tyde hunne rypheid niet verkrygen; want dikwils schilt het alhier 18 of 20 dagen, dat de Rogge eerder dan de Tarwe rypt; derhalve is het zeer moeijelyk die te samen af te pikken, zonder de eene of de andere te hinderen, want de Rogge te ryp op het veld staende, verliest by het afpikken haer graen, en de Tarwe te vroeg afgepikt, geeft weinig meel. Het is dus het voor

BIBL. UNIV.

GENT

« VorigeDoorgaan »