Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Het indiaensch Rielgras (Cyperus alternifolius en C. paniculatus van Linnaeus), dat zeer lieflyk met bloemtrossen bloeit, groeit meest in Madagascar en elders in de Indiën. Het kastaenjeachtig Rietgras (Cyperus castanea van Willdenow) groeit veel in de Oost-Indiën. Men heeft hier ook in België het lang Rietgras (Cyperus longus van Linnaeus), dat in de poelen, grachten, staende en loopende waters wast, met driehoekige gebladerde schachten, kroonwyze geschikte bloemen, bloote stelen en achtereenvolgende aren. Deze planten worden meest in het voorjaer door wortelscheiding en ook door het zaed vermenigvuldigd.

RIETGRAS, Waterlisch, Waterlint, in 't fransch Ruban d'eau, in 't latyn Sparganium, is onder de 15° klasse, 4° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraedjes bloeijen, door Jussieu onder de familie van de Donzen en Waterplanten, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia triandria, éénhuizigendriemannigen. Het takkig Rietgras of Waterlisch (Sparganium ramosum van Willdenow), is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België in de vyvers, staende en loopende waters groeit, met veel geknoopte wortels en lange, smalle bladen, die langer en smaller dan het geel Lisch zyn, en waertusschen effene, gladde stengels zonder knoopen uitspruiten, die omtrent 1 meter hoog wassen, op welker toppen van in juny tot in augusty trossen met schoone bleekrooze, witachtige bloempjes bloeijen, die in 't midden geel safraenachtig gekleurde meeldraedjes hebben, en kleine ronde bollekens met kleine zaedjes vervuld voortbrengen. Het hoog Rietgras (Sparganium erectum van Linnaeus), groeit ook in België in de poelen en loopende waters, met driekantige regte bladen, en getakkelde stengels die alle jaren uit de wortels spruiten en begint in juny te bloeijen, met bleekrooze, witachtige bloemen. Het eenvoudig Rietgras (Sparganium simplex van Willdenow), groeit ook in België en elders, in de poelen en staende waters.

Het Waterlisch (Sparganium natans van Linnaeus), groeit in België in de grachten en poelen, met platte, liggende bladen. Ik heb het weinig zien bloeijen.

De oude Kruidbeschryvers noemden het Rietgras Gladiolus aquatilis, hetgeen Waterlisch wilt zeggen. Dit kruid bezit eene verkoelende kracht. De wortels en het zaed, zegt Dodonaeus, werden in de oude tyden ingenomen, om de beten der slangen te genezen, maer de nieuwe Kruidbeschryvers hebben die middelen verworpen en door andere vervangen, die krachtigere uitwerksels hebben.

RIETPLANT, gemeen Riet, in 't fransch Roseau, Canne, in 't latyn Arundo, is onder de 15° klasse, 3e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de Grasplanten, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben. Het gemeen Riet (Arundo phragmites van Linnaeus) is eene langlevende plant van Europa, die in België in de vochtige meerschen, poelen en aen de kanten der waters wast. Dit Riet jong en groen afgemaeid, is eene goede voeding voor de koeijen, die er veel melk en boter van geven, het hooi is ook zeer goed om de paerden te voeden, te oud geworden zynde, kan het maer dienen als strooisel, om de huizen mede te dekken en van de bloempluimen bessems te maken. Het Zand-Riet (Arundo arenaria van Linnaeus) wast in België en elders aen de zeeduinen, met veel wortels, geknoopte stengels en gerolde, scherppuntige, gestreepte bladen. Dit Riet, door de veelheid zymer wortels, schikt zich zeer wel om aen de kanten der zandachtige loopende waters te zaeijen en de beweging van het zand en uitstrooming te beletten, dit jong Riet wordt van de kruidetende dieren gretig gezocht. Het Pluim-Riet (Arundo calamagrostis van Linnaeus) groeit in België veel in de vyvers en poelen en ook in sommige vochtige bosschen. Ik moet hier doen bemerken, dat de kruidetende dieren zich daervan verwyderen, ten zy als zy door den honger gepraemd zyn, want het is hun zeer nadeelig, dewyl zy daervan eenen hoest kunnen behouden; het wordt veel van de bessemmakers gezocht. Het Berg-Riet (Arundo epigejos van Linnaeus) groeit veel in België op de bergachtige plaetsen, en wordt ook jong van de koeijen, paerden, schapen en andere kruidetende dieren gezocht. Het Spaensch Riet (Arundo donav van Linnaeus) groeit meest in de zuidelyke deelen van Europa, op sommige plaetsen wel 3 meters hoog, met dikke, geknoopte, gepypte, harde, effene schachten, en stamomvattende, breede, spitse groene bladen. Dit Riet wordt alle jaren by de aerde afgesneden, en dient om kamen voor de wevers, bobynen voor de spinnersen, horden om vruchten op te droogen, visschers hengelroeden en veel andere werken van te maken. In Zuid-Frankryk, Spaenje en elders koken de kraemvrouwen dit Riet en drinken het afgekookt sap, om haer zog te vermeerderen; zy zeggen dat als zy dit drinken, hare jonge kinderen aen het zuer van hare melk niet onderhevig zyn. Deze plant wordt door wortelscheiding vermenigvuldigd, en kan, met die by koude winters een weinig met dorre bladen te bedekken, zeer wel ons klimaet wederstaen. Het Bamboes-Riet (Arundo Bambos van Linnaeus) groeit meest in de warme landen van de Indiën, alwaer het eene groote inkomst aen de planters verschaft, en wordt veel gebruikt om wandelstokken en alle soorten van sieraedwerken mede te maken.

RIVINA, in 't fransch Rivina, in 't latyn Rivina, is door Jussieu onder de familie van de Meldeplanten gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De kleine Rivina (Rivina humilis van Linnaeus) is een langlevend klein heester-boomgewas van Amerika, dat met eivormige bladen groeit. Geheel deze plant is met grysachtigen groenen en witten dons bedekt; zy bloeit in de warme serren in april, met bloemtrosjes en kleine witte bloempjes, waerna zeer schoone bolvormige roode beziën volgen, die zeer bevallig zyn en een groot deel van 't jaer op de plant blyven.

De Rivina laevis van Linnaeus, is een heester-houtgewas van Amerika, dat in struiken groeit, met gladde, hartvormige bladen, die dikwils een roodachtig gemengd kleur hebben, bloeit met trossen en kleine witte bloempjes, die vruchten met een levendig rood kleur voortbrengen.

De purpere Rivina (Rivina purpurescens) is een nieuw langlevend heester-houtgewas van Brezilië, dat door sommigen Rivina brasiliensis wordt genoemd, het bloeit met witachtige bloempjes, die purpere beziën, in den vorm van Lenzen, voortbrengen.

De Rivina paniculata van Linnaeus, is een langlevend klein boomgewas van Persië, dat met trosvormige aren, op de wyze van de druivetrossen bloemt.

Al deze schoone houtgewassen moeten alhier in de warme serren worden gekweekt, en kunnen door het zaed van de rype beziën in de serren, op lauwe broeibakken, vroeg in het voorjaer gezaeid worden; de zaeijelingen, die het tweede jaer dikwils al bloemen dragen, versieren de serren door hunne bevallige lieflyke beziën.

ROELLA, in 't fransch Roella, in 't latyn Roella, is door Jussieu onder de familie van de klokvormige bloemplanten gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Roella met haertjes gerand (Roella ciliata van Linnaeus) is eene langlevende kleine plant van Afrika, die boomgewys, zeer getakkeld groeit, met lynvormige bladen, aen de randen met veel haertjes versierd, en meest alhier in july bloeit, met trechtervormige bloemkransen en schoone violette bloemen, die langs binnen wit zyn, zeer bevallige meeldraedjes hebben en ronde zaedhuisjes, in twee hutjes verdeeld, voortbrengen. De Roella reticulata van Linnaeus, is een langlevend gewas van de Kaep, met bladen door haertjes versierd, welk aen de Gorteria wel gelykt. De Roella muscosa van Linnaeus, is eene langlevende kruidplant van de Kaep, die met veel eivormige, getande bladen groeit, en stengels die schoone trechtervormige bloemen op de toppen dragen. Al deze planten moeten alhier in de matige serren of in goede oranjehuizen gekweekt zyn, en kunnen door inleggers en afzetsels in den heigrond vermenigvuldigd worden.

ROERKRUID, Hof-Roerkruid, wild Roerkruid, rood Melizoenkruid, Wolgras, in 't fransch Gnaphale des Jardins, in 't latyn Gnaphalium, door Tournefort Elychrysum genoemd, door Jussieu onder de familie van de bloemtrosdragende kruidplanten gesteld, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superftua, samenhelmigen-veelechtigen-overbodigen. Men vindt heden zeer veel soorten van deze planten; ten tyde van Linnaeus waren er alreeds 58 bekend, die sedert zoodanig zyn vermenigvuldigd, dat men op sommige lysten wel 70 soorten vindt, waeronder veel nieuwe Papier- en Stroobloemen zyn, die ik in het artikel der Stroobloemen zal melden; my hier bepalende met deze te beschryven, die men hier en elders gemeenlyk Roerkruid en rood Melizoenkruid noemt. Het Roerkruid met witten zilverachtigen dons bedekt (Gnaphalium dioicum van Linnaeus) is eene langlevende kleine kruidplant van Europa, die in België in de belommerde heiden en drooge velden wast, en ook in de bloemtuinen wordt gekweekt, zy groeit met lynvormige blaedjes aen de aerde gestrekt, waeruit in mei stengeltjes met witten zilverachtigen dons bedekt, spruiten, die maer omtrent 10 of 12 centimeters hoog wassen, en waerop van juny tot in september roodachtige lieve bloemtrosjes bloeijen. De Gnaphalium divica rosea, van Jan Verschaffelt, gelykt wel van bladen en stengels aen den voormelden, maer draegt zeer lieflyke rooskleurige bloemtrosjes, die zaedjes met witte zilveren wolle bedekt voortbrengen. Het Zand-Roerkruid (Gnaphalium arenarium van Linnaeus) is een langlevend klein wit kruid, dat alhier in de drooge zandachlige velden groeit. Het Roerkruid van Virginië (Gnaphalium margaritaceum van Linnaeus) is van Amerika, maer groeit in België op de bergen

« VorigeDoorgaan »