Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

wassen, en waerop kroonwyze geschikte bloemen bloeijen die zwarte zaedjes voortbrengen; dit zaed kan drie jaren voor het zaeijen goed blyven.

De Porei heeft de krachten van den Ajuin en Bieslook, het zaed met azyn op het voorhoofd gesmeerd, stilt het bloeden uit den neus. De Poreiwortels op witten wyn of goeden brandewyn geweekt, en by tyds er van gedronken, is zeer dienstig voor de waterzuchtige menschen, en wordt als een pisafdryvend middel geacht. Men vindt in de oude boeken beschreven, dat de keizer Nero alle dagen nuchteren wat Porei met olie bereid tot zyn ontbyt nam, om eene goede stem te hebben. Het Poreizaed gestooten en met wyn gedronken, stilt de druppelpis en wordt voor de gebreken der waterzucht bereid.

POURRETIA, in 't fransch Pourretia, in 't latyn Pourretia, is door Jussieu onder de familie van de Vlasdoodersplant gesteld, en onder de 6e klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De luchstoffige Pourretia (Pourretia aëranthos) is eene langlevende kruidplant van Zuid-Amerika, die onlangs van Peru alhier is overgevoerd, zy groeit met lynvormige bladen, aen de wortels gestrekt, die met witten stofachtigen dons zyn bedekt, en stengels die maer omtrent 12 of 15 centimeters hoog wassen, bloeit met aren en zeer lieflyke kleine blauwe bloempjes, die met purpere plekjes zyn versierd.

Deze plant moet alhier in de warme serren in potten met gaten, in het droog zand, worden geplant, en kan door afzetsels, gelyk de Angelieren, vermenigvuldigd worden; zy bloeit zelfs op planken, gelyk de Naekte Meid (Colchicum). Men kan deze plant by onze bloemisten alhier verkrygen, maer zy is nog zeldzaem verspreid.

PORSELEIN, Porseleinplant, in 't fransch Pourpier, in 't latyn Portulaca, is onder de 6e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Porseleinplanten, en onder de 11° klasse van Linnaeus, Dodecandria monogynia, slach van

A

planten die met twaelf meeldraedjes bloeijen en maer één stampertje hebben. De Hof-Porselein (Portulaca oleracea van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa; zy groeit met dikke, vette, sappige, gladde, blinkende en byna doorschynende stengels, met zydestelen verdeeld, en dikke, lange, breedachtige, wigvormige, gladde bladen, waertusschen de stelen uitschieten, die in den zomer met kleine bleekgele bloempjes op de toppen bloeijen, die zwart zaed, in groene huiskens besloten, voortbrengen. De gele tamme Porselein (Portulaca pilosa van Linnaeus) is van Amerika, en wordt heden alhier in de moeshoven ook veel gezaeid, in wel bewerkte gronden, nadat er geenen vorst meer te vreezen is, zy wordt ook wel in broeibakken gezaeid om voort te verplanten, men bewaert de eerste planten voor het zaed, dat wel zeven of acht jaren voor het zaeijen kan goed blyven. Een goede hovenier zaeit meest de Porselein in mei, zy wordt jong in de keukens bereid, om met de spyzen te eten, en ook veel in potten met zout opgelegd, om 's winters te gebruiken, waertoe men ze eerst een weinig laet koken, met zout mengt en de potten

met eene schyf gesmolten boter wel toedekt, hetgeen zelfs den

smaek van de Porselein verbetert om 's winters te eten. De Porselein is van over zeer oude tyden voor een nuttig gezond voedsel bekend, en is zeer dienstig voor de verstopte lever en milte; in den wyn gekookt, is zy zeer goed voor eene verkoude borst en kwade maeg; zy doet zachtjes den buik lossen, verwekt den eetlust en wordt aen de terende zieken bevolen, omdat zy de taeije fluimen van de lever zachtjes lost en de bloedspuwing stelpt. Het sap van de Porselein met arabische gom vermengd, en alzoo pilsgewyze ingenomen, is zeer nuttig voor degenen die bloed pissen, en dit sap met honig gemengd, geneest de gebreken van de borst. Gedistilleerd water van Porselein vermag al hetzelfde dat het sap uitwerken kan, maer is inzonderlyk nuttig om de tandzweer te verdryven en alle ontstekingen des monds te genezen. De bladeren van de Porselein met Geerstenmout-meel gemengd, verkoelen al de ontstekende zeeren en zweren, en op de roode oogen gelegd, verzachten de pyn en verjagen het wild vuer; zy zyn ook goed voor alle verhittingen en harde gezwellen.

PRANGWORTEL, Stalkruid, in 't fransch Arréte-Boeuf, Bugrane, in 't latyn Ononis, is onder de 10° klasse, 4e sectie van Tournefort gesteld, der planten die vlindervormige bloemen dragen; door Jussieu onder de familie der planten die peulvruchten voortbrengen, en onder de 17e klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien meeldraedjes. Men vindt van deze gewassen in sommige rangschikkende lysten veel verscheidene soorten, ten tyde van Linnaeus waren er alreede 32 bekend, die heden byna allen by onze bloemisten gekweekt worden. De heesterachtige Prangwortel (Ononis fruticosa van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Alpische gebergten, dat in struiken, gelakkeld, omtrent 60 centimeters hoog wast, met veel lommerryke lansvormige bladen, met drie blaedjes, die een schoon groen kleur hebben, en meest alhier in juny bloeit, met zeer lieflyke groote purpere bloemen. De Prangwortel met ronde bladen (Ononis rotundifolia van Linnaeus), is ook een houtachtig kruidgewas van Italië, dat met donkergroene, eivormige, getande bladen groeit, bloemkelken met vruchtbodem en drie bladen heeft, en peulvruchten voortbrengt. De Ononis macrophylla van Linnaeus, is een houtachtig kruidgewas van de Kaep, de Ononis tridentata is een houtachtig kruid van Spaenje, dat met donkergroene, dikke, in drie getande bladen groeit, de Ononis antiquorum is een langlevend kruidgewas van Zuid-Europa, de Ononis hircina van Willdenow en de Omonis altissima van Lamarck, zyn twee langlevende kruidplanten van Duitschland, de Ononis natriv komt van Spaenje, en moet alhier 's winters in de oranjery of matige serren bevryd worden, maer al de andere Prangwortels kunnen onze koude winters wederstaen. De gedoornde Prangwortel (Ononis spinosa van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die in België aen de wegen en bouwlanden wast, met stengels door scherpe doorntjes bezet en groene blaedjes, die aen het S. Janskruid (Hypericum) en Linzenblaedjes gelyken, en in augusty bloeit, met peersachtige, rooskleurige en witte bloempjes, die aen de Ertenbloempjes gelyken en kleine peulen of hauwkens voortbrengen, met platte, breede zaden gevuld. De Veld-Prangwortel (Ononis arvensis van Linnaeus) groeit in België in de landen, in drooge velden, aen de wegen en elders in zandachtige gronden, met stengels van maer omtrent 25 centimeters hoog en dronkergroene, eivormige, getande blaedjes, bloeit met purpere bloempjes die dikwils dubbel zyn. Hy werd van de oude Kruidbeschryvers Resta bovis en Remora aratri genoemd, omdat hy door zyne wortels de ploegyzers verhinderde, en de ossen die den ploeg trokken, dikwils deed stil staen. De wortels van deze planten zyn warm van aerd tot in den derden graed, dun makende en doorsnydende van krachten, zoo Dodonaeus ons in zyn Kruidboek, bladz. 1165, betuigt. De schors van deze wortels met wyn ingenomen, doet water lossen en breekt den steen en graveel, de wortels met azyn gekookt en daermede den mond gewasschen, doen de tandzweer vergaen; de vermaerde Matthiolus zegt dat die wortels in poeijers eenigen tyd ingenomen, de vleezige scheursels, in 't latyn Carnosus ramer, geneest. Lobel spreekt van de Prangwortels, Ononis natrir, van de gemeene met gele bloemen, van de Ononis silvestris en de Ononis spinosa, en zegt dat de jonge bovenste toppen van dit gewas veel als de Aspergie worden gebruikt en als Salade geëten; dat ook in vele landen de schors der wortels met suiker of honig wordt bereid, dat er een water wordt mede gedistilleerd en ook poeijers van gemaekt, dewelke allen ingenomen, de pis verwekten, de verstoptheid van de lever en milt openen en bovenal den steen vermorzelen en afdryven. Dit kruid wordt ook Stalkruid geheeten, omdat het water waerin de wortels gezoden zyn, de peerden te drinken gegeven, hunne langopgehoudene verstopte pis spoedig afdryft. Al de Prangwortels kunnen door het zaed en inleggers van jonge loten vermenigvuldigd worden.

PRIEM, Hondschacht, Smeerkruid, Zomerwortel, Vogelnest,

Raep-Priem, Hongerkruid, Bremraep, in 't fransch Orobanche, in 't latyn Orobanche, is onder de 3e klasse, 4e sectie van Tournefort gesteld, der planten die met figuergedaenten gelipt bloemen; door Jussieu onder de familie van het Luizenkruid, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloeijen en zaed dragen dat in een zaedhuisje besloten is. De groote Priem of Hondschacht (Orobanche major van Linnaeus) is eene kruidplant van Europa, die in België en andere landen in de Klavers, Tarwe, Geerste, Ginst en elders wast, op drooge plaetsen, met roodachtige, hollige en schraelharige stengels van omtrent 25 centimeters hoog, die malsch en breekachtig zyn, en met ronde, bruinachtige, geschulpte blaedjes bekleed; zy groeit tamelyk diep in den grond, met eenen dikken wortel en vezeltjes, en op het bovenste der schachten bloeijen alhier meest van july tot in september witte, gele kleine bloempjes, met twee bloemblaedjes in de kelken en twee gelipte bloemkransjes, die zaedhuisjes met veel kleine zaedjes voortbrengen. De Priem of Vogelnest (Orobanche cernua van Linnaeus) is eene kruidplant, die in Zuid-Frankryk groeit, en die Ch. Van Hoorebeke veel in Vlaenderen heeft ontdekt, zy groeit alhier meest in de drooge velden, aen de kanten der heiden en hooge bosschen, te Waerschoot, Lembeke en elders, met geschulpte bladen aen de wortels en dunne, gebogene stengels, maer omtrent 18 centimeters hoog; deze plant wordt meest van de landlieden Anblad geheeten. De Priem of Vogelnest (Oronbanche elatior of Oronbanche laevis van Linnaeus) groeit veel in België in de drooge landen en bosschen, in den Ginst en Bremen, met wortels die aen eenen vogelnest gelyken, en waeruit gemeenelyk in juny twee of drie stengels spruiten, die omtrent 20 centimeters hoog groeijen en schrael zyn, en op welker toppen ook bleeke, geelachtige, witte bloempjes trosgewys bloeijen, die geene lipjes hebben en veel zaedjes voortbrengen. w De Priemen (Orobanche major) die alhier meest in de Klavers groeijen, worden onder de zuigplanten (parasita) gesteld, het is te zeggen planten die op eene andere groeijen, en haer stuif

« VorigeDoorgaan »