Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

De Grosse mignonne maekt schoon gewas, met fyngetande bladen, geeft schoone groote rooskleurige bloemen en zeer aengename, lekkere, sappige vruchten, die in Frankryk veel worden geacht.

De Magdeleine blanche is eene schoone groote Perzik, van gedaenle rondachtig, wit van kleur en dikwils iels naer het geel hellende, maer roodblozende op de zonnezyde; het vleesch is wit, en vast aen den steen, en, ryp zynde, zeer smiltende en vol van een zeer aengenaem suikerachtig sap. De bloeisels zyn van een schoon bleek roozekleur.

De Magdeleine rouge is eene medesoort van de laetstgemelde en matig groot; haer kleur is roodblozend op de zonnezyde en groenachtig by den muer; het vleesch is ook rood omtrent den steen en aengenaem van smaek. Deze boom moet hier te lande eenen goeden grond hebben, anders is de vrucht grof en onsmakelyk; het bloeisel heeft een hoogrood kleur. De witte en roode Magdeleine-Perzik boomen zyn wel kenbaer aen hunne bladen, die geland en gekerfd zyn.

De Bourdine of Belle de Narbonne is eene zeer schoone Perzik; de boom maekt schoon gewas, groeit met tamelyk groote bladen en roosachtige bloeisels en draegt bier te lande zeer sterk. De vrucht is groot, naer boven somtyds wat tepelachtig, naer de zonnezyde schoon rooskleurig en bleek wit naer

den
muer; zy

heeft eenen geurigen wynachtigen smaek.

De Melcoton tardive is eene schoone, groote, eivormige Perzik, wier schil ligt met wol is overdekt; haer kleur is wilachtig van binnen en somtyds is ze een weinig roodblozend van buiten; rypt hier in september en is van eenen zeer aengenamen smaek. De bloem is klein en rood. Men moet dezen Perzikboom in het zuiden aen den muer plaetsen, en er weinig vruchten aen laten, of by koude saizoenen worden zy niet ryp.

De Oranje-Perzik is eene groole Perzik, rondachtig van gedaente en geel van kleur; maer aen de zonnezyde doorgaens met purper gevlekt; haer vleesch is geelachtig, vast aen den steen, die roodachtig is, smiltend in den mond en van eenen aengenamen, geurigen smaek, wanneer zy wel ryp is; maer in slechte jaren valt zy somtyds wat meelachtig en onsmakelyk.

De Téton de Vénus is eene schoone Perzik, van eene middelmatige grootle; hare gedaente is langwerpig rond; zy heeft eenen heel diepen naed, als of ze in iwee verdeeld ware; haer kleur is witachtig en blank, roodblozende op de zonnezyde; haer vleesch is smiltende, vol sap en van eenen heel aengenamen geurigen smaek. Zy gelykt wel aen de Bourdine, maer wordt hier moeije

lyk ryp.

Men kweekt hier nog de Royale Perzik, die zeer wel aen de Admirable gelykt, de Violette royale, de Zwolsche Perzik, met hare schoone dubbele bloemen en groote vruchten, en de Italiaensche (Pêche d'Italie), met hare lange rondachtige vruchten, die aen de zonnezyde schoon roodblozend en bleekgroen aen den muer zyn, en een zacht, smiltend, sappig en aengenaem vleesch hebben.

Alle Perziken, om hare hoedanigheden en volmaektheid te hebben, moeten wel ryp maer ook niet overryÞ zyn; want overryp verliezen zy haren smaek, en worden somtyds melig, papachtig of taei; daerom is er veel aengelegen die van pas ryp te plukken. Men kan de rypheid van de Perziken

Perziken op de volgende wyze wel ontdekken : men neemt ze met de volle hand zachtjes vast, en als zy ryp is, roert men haer gemakkelyk van den steel los, zonder die te drukken of te vlekken of er den duim op te duwen, welk het vleesch doet bederven of plekken veroorzaekt. Men kan ook wel de rypheid bemerken aen het kleur, dewyl eene rype Perzik een helder glanzende kleur bekomt.

Om de Perzik wel ryp te doen worden en smakelyk te hebben, mag men op de boomen nooit te veel vruchten laten; zy moeten hier te lande in het Zuiden of Zuid-Oosten aen de muren geplant en in leiboomen worden gekweekt, en de muren van boven met ten minste 50 of 60 centimeters breedte zyn bedekt, om ze te beschermen tegen den kouden regen, sneeuw, hagel en vorst, die men hier in het voorjaer in den bloeityd veel beproeft, zoo als men te Montreuil, by Parys, die boomen kweekt. De Perzikboomen willen hier in losse, zandachtige gronden wel aerden; zy begeren geen versch peerdenmest, maer wel koele vette. Die boomen worden meest voortgeteelt door middel van oculeren op jonge witte of

zwarte Pruimelaers en Mirabellenhout; want de Perziken splitsgewyze geënt willen niet lukken; zy worden ook in Frankryk op Amandelboomen gezet. Een goede hovenier zal nooit andere Perzikboomen planten dan die twee of drie jaer geoculeerd zyn; by het planten moet men zorgen van die boomen niet te diep in den grond te zetten, en de leiboomen moeten ten minste 2 meters van elkander zyn geplant, hetgeen van beide zyden 1 meter breedte maekt, om de takken wel te kunnen leiden en na het snoeijen den groud wel te kunnen omspitten. Gelyk de Perzikboomen hier in ons klimaet maer twintig of vyf-en-twintig jaren oude bereiken, kan men er tusschen aen de muren jonge boomen planten, om niet schielyk uit de vruchten te geraken. Het snyden van de Perzikboomen is ook van een zeer groot belang: want er is byna geen boom waertoe meer kunst en oplettendheid noodig is, om hem wel te snyden. Ten eerste, moet men wel zorgen by het snoeijen dat hy van onder in 't midden niet te kael wordt of naekte takken verkrygt, dat men de jonge draegbare scheuten naer het midden tracht te brengen, om naer onderzoek te leiden en dat men nooit de water- of wilde takken de overhand laet krygen, daer die al de krachten van den boom naer zich trekken, maer die by tyds wegsnoeijen en afknypen, hetwelk meest in den zomer by het inbinden geschiedt, en als men ziet dat de boom te groote takken uitwerpt, moet men die inkorten en al de wonden met griffellak bedekken; ook al de zwakke en onnoodige takken in het voorjaer wegsnoeijen, enkelyk de vruchtdragende takjes behouden en nooit te veel gewas aen den boom laten, want het overvloedig hout doet den boom kwynen, versterven en slechte vruchten voortbrengen.

Om deze boomen tegen de gevaren der roofdieren en den krul te beschutten, is het beste middel die 's morgens vroeg en 's avonds, als de zon verdwenen is, met tabaksap, zeep en zout in het koud water geweekt of water waerin aerdappels gekookt zyn, eenige dagen te besproeijen, of de schors van witte Moerbeziëboom takken in het water eenige dagen laten trekken, en daermede met eene spuit besproeijen, gelyk ik in myn werk over den Belgische Moerbeziëboom-planter en Zyworm-opvoeder, bl. 19,

heb gemeld, en waerover ik nog op het einde van dit werk een bezonder artikel zal schryven.

Het gebruik van de Perzik vruchten is hier wel bekend; de rype Perziken rauw geëten en daerop een glas wyn gedronken, zyn zeer aengenaem en verkoelende van kracht; zy kunnen ook op dezelfde wyze als de Abrikozen gekonfyt worden. Het bloeisel van de Perzikboomen is zeer dienstig voor de menschen die zwaermoedig en met de miltziekte gekweld zyn, en voor verstopping in het lichaem; zy worden met syroop en conserve bereid. De herfstbladen van de Perzikboomen als thee gedronken, zyn zeer goed om in de afgaende koortsen te nemen; uit de kernen der Perziksteenen kan men eenen aengenamen Ratafiat maken; door de kernen te stampen en met een weinig Kaneel en Kruidnagels op brandewyn in de zon te laten trekken en klaer over te halen, bekomt men eenen goeden smakelyken drank, die men gemeenlyk Persico noemt; met water gebruikt, versterkt dit liqueur de maeg en maekt eenen goeden adem; het sap uit de Perzikbladen geperst en in de ooren gedaen, doodt de wormen in de ooren en doet de elterachtige stoffe daeruit vloeijen.

PERZIKKRUID, Persekruid, wilde Wilge, in 't fransch Persicaire, in 't latyn Polygonum, is onder de 15° klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldravdjes bloemen; door Jussieu onder de familie van de veelknoppige planten, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en drie stampertjes hebben.

Het Perzikkruid (Polygonum persicaria van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in Vlaenderen en elders in België aen de grachten en wegen, op velte gronden, in den zomer groeit, met veel wortels en ronde, geknoopte stengels, omtrent 25 centimeters hoog; de bladen zyn als die van de Perzik boomen en gelyken ook aen de Wilgenbladen, waerom dit kruid hier le lande meest wilde Wilge wordt genoeind; de bladen, bloemen en zaed gelyken ook aen het Water-Peperkruid, maer de bladen hebben in 't midden eene bruine zwarlacbtige plek, die hen van het Water-Peperkruid doet verschillen; het bloeit ook in augusty, met

ge

druifwyze geschikte trosjes, witachtige peerse en ineengedrongene bloempjes, die bruine breede zaedjes voortbrengen. Dit kruid is niet scherp of heet op de tong gelyk het Water-Peperkruid, maer schynt wat zuerachtig van smaek te wezen. Het werd van Lobel Persicaria pusilla repens genoemd, en van de oude Kruidkenners Persicaria perpetua geheeten. Plinius noemde dit kruid Plumbago, naer zyne kracht, omdat het sap het gebrek der oogen welk men Plumbum noemt, geneest. Dit kruid is zeer verkoelende, en geslooten, is het zeer dienstig om op de versche wonden te leggen. Men vindt veel schaepherders die het over zich dragen, inzonderlyk het sap, om de versche wonden en verhittende zeeren te nezen; er wordt ook een water uit dit kruid gedistilleerd, om in de geneesmiddels te mengen en als verkoelend middel te gebruiken. Sommige oude geneesheeren zeggen dat zy met dit sap de duisterheid der oogen hebben genezen. Hoewel dit kruid ten alle kanten onder het Water-Peperkruid groeit, kan men die nogtans wel uit elkander kennen; want men vindt dit Perzikkruid altoos met bruine zwartachtige plekjes op het midden der bladen, terwyl men op de Water-Peper geene bemerkt. De eenvoudige landlieden zeggen dat die plekjes voortkomen van het bloed onzes Zaligmakers, dat dit kruid onder het kruis op den Kalvarieberg heeft gestaen en alzoo die plekjes behouden heeft. Men noemt ook Persekruid met hauwen (Persicaria siliquosa), het Kruidje roert

iny niot.

PETERSELIE, Eppe, Hof-Eppe, in 't fransch Persil, Ache, in 't latyn Apium petroselinum, is onder de 7° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende planten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia umbellata, die met vyf helmstyltjes bloeijen en drie stampertjes hebben.

De Hof-Peterselie (Apium petroselinum van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Zuid-Europa en Macedoniën, waervan men heden eenige medesoorten vindt, die allen in de moeshoven alle jaren worden gezaeid, en groeijen met tamelyk dikke wortels en gekerfde, groene bladen, die eenen aengenamen geur in

« VorigeDoorgaan »