Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

heb gemeld, en waerover ik nog op het einde van dit werk een bezonder artikel zal schryven. Het gebruik van de Perzikvruchten is hier wel bekend; de rype Perziken rauw geëten en daerop een glas wyn gedronken, zyn zeer aengenaem en verkoelende van kracht; zy kunnen ook op dezelfde wyze als de Abrikozen gekonfyt worden. Het bloeisel van de Perzikboomen is zeer dienstig voor de menschen die zwaermoedig en met de miltziekte gekweld zyn, en voor verstopping in het lichaem; zy worden met syroop en conserve bereid. De herfstbladen van de Perzikboomen als thee gedronken, zyn zeer goed om in de afgaende koortsen te nemen, uit de kernen der Perziksteenen kan men eenen aengenamen Ratafiat maken, door de kernen te stampen en met een weinig Kaneel en Kruidnagels op brandewyn in de zon te laten trekken en klaer over te halen, bekomt men eenen goeden smakelyken drank, die men gemeenlyk Persico noemt, met water gebruikt, versterkt dit liqueur de maeg en maekt eenen goeden adem; het sap uit de Perzikbladen geperst en in de ooren gedaen, doodt de wormen in de ooren en doet de etterachtige stoffe daeruit vloeijen.

PERZIKKRUID, Persekruid, wilde Wilge, in 't fransch Persicaire, in 't latyn Polygonum, is onder de 15° klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraedjes bloemen; door Jussieu onder de familie van de veelknoppige planten, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria trigynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en drie stampertjes hebben.

Het Perzikkruid (Polygonum persicaria van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in Vlaenderen en elders in België aen de grachten en wegen, op vette gronden, in den zomer groeit, met veel wortels en ronde, geknoopte stengels, omtrent 25 centimeters hoog; de bladen zyn als die van de Perzikboomen en gelyken ook aen de Wilgenbladen, waerom dit kruid hier te lande meest wilde Wilge wordt genoemd, de bladen, bloemen en zaed gelyken ook aen het Water-Peperkruid, maer de bladen hebben in 't midden eene bruine zwartachtige plek, die hen van het Water-Peperkruid doet verschillen; het bloeit ook in augusty, met druifwyze geschikte trosjes, witachtige peerse en ineengedrongene bloempjes, die bruine breede zaedjes voortbrengen. Dit kruid is niet scherp of heet op de tong gelyk het Water-Peperkruid, maer schynt wat zuerachtig van smaek te wezen. Het werd van Lobel Persicaria pusilla repens genoemd, en van de oude Kruidkenners Persicaria perpetua geheeten. Plinius noemde dit kruid Plumbago, naer zyne kracht, omdat het sap het gebrek der oogen welk men Plumbum noemt, geneest. Dit kruid is zeer verkoelende, en gestooten, is het zeer dienstig om op de versche wonden te leggen. Men vindt veel schaepherders die het over zich dragen, inzonderlyk het sap, om de versche wonden en verhittende zeeren te genezen; er wordt ook een water uit dit kruid gedistilleerd, om in de geneesmiddels te mengen en als verkoelend middel te gebruiken. Sommige oude geneesheeren zeggen dat zy met dit sap de duisterheid der oogen hebben genezen. Hoewel dit kruid ten alle kanten onder het Water-Peperkruid groeit, kan men die nogtans wel uit elkander kennen, want men vindt dit Perzikkruid altoos met bruine zwartachtige plekjes op het midden der bladen, terwyl men op de Water-Peper geene bemerkt. De eenvoudige landlieden zeggen dat die plekjes voortkomen van het bloed onzes Zaligmakers, dat dit kruid onder het kruis op den Kalvarieberg heeft gestaen en alzoo die plekjes behouden heeft. Men noemt ook Persekruid met hauwen (Persicaria siliquosa), het Kruidje roert my niet. e PETERSELIE, Eppe, Hof-Eppe, in 't fransch Persil, Ache, in 't latyn Apium petroselinum, is onder de 7° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende planten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia umbellata, die met vyf helmstyltjes bloeijen en drie stampertjes hebben. De Hof-Peterselie (Apium petroselinum van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Zuid-Europa en Macedoniën, waervan men heden eenige medesoorten vindt, die allen in de moeshoven alle jaren worden gezaeid, en groeijen met tamelyk dikke wortels en gekerfde, groene bladen, die eenen aengenamen geur inhouden en als toekruid in de keuken in velerhande spyzen worden gebruikt. De gedaente van de Peterselie is te wel van eenieder bekend, om die te beschryven, en de nuttige deugden van geheel dit kruid zyn van over zeer oude tyden in Europa vermaerd. De Peterselie is warm en droog van aerd tot in denderden graed; het zaed en de wortels met witten zoeten wyn bereid en gedronken, is zeer dienstig tegen de koudpis, om het ingewand te verwarmen en tegen de huiverachtige en schuddende koortsen te gebruiken. De wortels gestooten en plaestergewys op de harde gezwellen gelegd, doen die verteren, het sap met roet of vet gesmolten en opgelegd, doet de wraten en puisten in korten tyd verdwynen, en het zaed met honig ingenomen, zegt Gabriël Grimaud, verwekt de maendstonden der vrouwen, verdryft en verzacht de pyn en krimpingen des buiks en doet de pis afdryven, de wortels van de groote HofEppe bezitten ook dezelfde kracht. De Peterselie wordt hier meest in den herfst en in de lente in de hoven gezaeid; deze plant is een vergift voor de papegaeijen, maer de hazen en konynen zyn er op verlekkerd. De Peterselie is zeer dienstig voor de ziekten der schapen.

PETUNIA, Betunia, in 't fransch Petunie, in 't latyn Petunia, is onder de familie van de Solanées gesteld, planten die tot het geslacht der Nachtschade behooren, en onder de 5 klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Men heeft heden alhier door het zaed wel 60 soorten van verschillige kleuren dezer bloemen verkregen, die langlevende planten zyn, als men die 's winters in potten in de oranjery bevryd, en die ook zeer gemakkelyk wortel vatten, als men ze door afzetsels of inleggers voortzet, zy willen in ligten grond zeer wel aerden, bloeijen in de planthuizen in vollen grond, byna geheel den zomer, en beginnen dikwils van in maerte, in de matige serren te bloemen. Men heeft enkelyk sedert drie jaren de volgende soorten door het zaed gewonnen, die allen zeer schoone kleuren voortbrengen.

De Petunia atrosanguinea, met levendige roode heldere bloemen, Petunia atropurpurea, met donkerroode en purper violette bloemen, Petunia alha nigriv, met witte bloemen, die in de bloemkransjes zwart gespikkeld zyn; Petunia grandiflora, - Beauty, - belle Pompadour,- bicolor, - Defiance, Enchanteresse, elegans superba,- exquisita, - Sapho,-largelilae,- lady Peel,-lady Sale, - Madonna, -Medora,-Maria Madalena, mirabilis, - magna rosea, - marginata, - pallida superba, - purpurea striata, - princesse royale, rosea elegans, - sir Sale, - stiped major, - alba superba, - splendens, - Susanna, - Psyche, - sir Peel, - striata, - triumphans, -. Van Geertii, - sylvestris, - Warschootsiana, en meer andere soorten, die door hare lieflyke bloemen zeer behagen. Men kan het ryp zaed van deze bloemen vroeg in het voorjaer in hullekens in de vrye lucht, op goede plaetsen zaeijen, om nadien met dolkens te verplanten, de zaeijelingen groeijen binnen den zomer wel 60 centimeters hoog, en bloeijen nog van july tot in october, wanneer men die in potten zet, om 's winters in de planthuizen of matige serren te bevryden. Sommige bloemisten zaeijen die ook in den winter op teilen in de oranjery, om voorts in potten te verplanten en vroeg bloemen te hebben.

PHLOMIS, in 't fransch Phlomis, in 't latyn Phlomis, door Tournefort Leonurus genoemd, door Jussieu onder de familie der lipvormige bloemplanten gesteld, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en maekt zaed dragen.

De Phlomis met gebobbelde wortels (Phlomis tuberosa van Linnaeus) is eene langlevende groote kruidplant van Siberiën, die in struiken, met stengels, tamelyk hoog groeit, met groote, lange, hartvormige bladen, en hier van juny tot in september bloeit, met violette bloemen, ringvormig geschikt. Deze plant wordt in de bloemhoven gekweekt en alle drie of vier jaren door wortelscheiding verplant; zy kan ook door het zaed worden vermenigvuldigd en begeert in drooge zomers veel water.

De heesterachtige Phlomis (Phlomis fruticosa van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Europa, dat in Siciliën en elders in Italië op de bergen en in de bosschen groeit, en hier in de planthuizen wordt gekweekt, het wast heestergewys, met kruidachtige stengels en doorzigtige, ronde, lansvormige, puntige en wit bewolde bladen, omtrent 70 centimeters hoog; bloeit meest van juny tot in september, met ringvormig geschikte, schoone gele bloemen, die zeer versierend zyn.

De Phlomis met smalle bladen (Phlomis angustifolia) heeft zeer lieflyke gele bloemen; de Phlomis met yzermaelachtige bladen (Phlomis ferruginea) draegt schoone gele bloemen.

De Phlomis leonurus van Linnaeus, is een heesterachtig gewas van de Kaep, dat met lansvormige, getande en gekerfde bladen groeit, en hier van july tot in october bloeit, met lange bloemtrosjes en gele bloemen en bloemkelken, die ringwyze zyn geschikt.

De Phlomis lychnitis van Linnaeus, komt van Oost-Europa, en groeit met eivormige, puntige bladen, maer 30 of 35 centimeters hoog, en bloeit met gele bloemen en zeer schoone gewolde meeldraedjes. Deze planten, waervan ik de kracht niet ken, worden hier 's winters in de oranjery bevryd, en door afzetsels en wortelscheiding vermenigvuldigd.

PHYLICA, in 't fransch Phylique, in 't latyn Phylica, is onder de familie van de Wegdoorns gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Heide-Phylica (Phylica ericoides van Linnaeus) is een langlevend, klein heester-houtgewas van Ethiopiën, dat in struiken zeer getakkeld groeit, met veel kleine, lynvormige blaedjes, en hier van in maerte tot in september bloeit, met kleine, zuivere, witte bloempjes op de toppen, die eenen zeer aengenamen geur verspreiden en den reuk van den Amandeldeeg hebben.

De pluimachtige Phylica (Phylica plumosa van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van de Kaep, dat met smalle, puntige bladen, langs boven gewold groeit, en meest in juny bloeit, met groote bloemen op de toppen, die een lieflyk wit kleur hebben en welriekende wyn.

« VorigeDoorgaan »