Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

daer het wel 3 meters hoogte bekomt, met katjes en zeven meeldraedjes bloeit en dubbel groote, roode beziën voortbrengt.

De hooge Peerdensteert (Ephedra altissima van Desfontaines) is een boomachtig gewas van Barbariën, dat zeer getakkeld, met hangende draedjes wast, die aen eenen peerdensteert gelyken, en beziën geeft die een koraelkleur hebben.

Deze wonderbare schoone en belangryke gewassen worden meest door inleggers en uitloopers vermenigvuldigd, maer de hooge Peerdensteert (Ephedra altissima) kan moeijelyk onze koude winters wederstaen en moet in de matige serren of planthuizen bevryd worden. Deze gewassen werden door de oude Kruidbeschryvers Zeedruiven (Uva marina) genoemd. De beziën hebben eene zeer samentrekkende kracht, tien van de zelve met wyn ingenomen, doen den buikloop en rooden vloed stoppen; zy worden ook met pillen en kalfsdeeg (Páte de mou de veau) bereid, om den hoest en aemborstigheid te verzachten, de verzuring en rommeling des buiks te helpen en de pisse af te dryven.

PEERDSKLAUW, in 't fransch Cacalie, in 't latyn Cacalia, is onder de 12e klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld, der planten die met verscheidene bloemen versierd bloeijen; door Jussieu onder de familie der bloemtrosdragende planten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigen-veelechtigen-gelykbloeijenden.

De Peerdsklauw met Goudbloem-bladen (Cacalia sonchifolia van Linnaeus), is eene éénjarige kruidplant van de Indiën, die met dunne stengels, omtrent 30 of 40 centimeters hoog wast, met de bladen verdeeld groeit en van juny tot in augusty bloeit, met zeer lieflyke bloemtrosjes, die een schoon hoogrood en geelachtig oranjekleur hebben. Deze plant kan met zorg hier in de vrye lucht onze winters wederstaen, en als zy door afzetsels in potten, in de oranjery wordt gekweekt, kan men die levendig behouden.

De Peerdsklauw met Meldebladen (Cacalia atriplicifolia van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Canada, zy groeit met stengels en hartvormige, getande bladen, en bloeit ook meest

ma

in july, met schoone bloemen, die vyf blaedjes in de bloemkelken hebben. De welriekende Peerdsklauw (Cacalia suaveolens van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Canada, die met stengels en spiesvormige, getande bladen groeit, en ook in july bloeit, met witte bloemen en zeer schoone gele kopjes op de meeldraedjes der bloemen, die lieflyk versieren. De pykvormige Peerdsklauw (Cacalia hastata van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Siberiën, die met eenen stengel groeit en drielobbige bladen, die puntig, geland en gekerfd zyn; zy wast meer dan 1 meter hoog, en bloeit hier in july, met witte bloemen, welker kopjes der meeldraedjes een zwart kleur hebben. Al deze gemelde planten kunnen onze winters wederstaen, maer de volgende soorten moeten in de oranjehuizen bevryd zyn : de Peerdsklauw met houtachtige stengels (Cacalia anteuphorbium van Linnaeus), eene plant van de Kaep; de Cacalia carnosa van den Hortus Kew., met hare schoone bloemen, van Afrika, de Cacalia articulata van Linnaeus en de Cacalia cylindriaca van Lamarck, zyn houtachtige gewassen van de Kaep, die om hunne schoone bloemen hier worden gekweekt, zy kunnen door het zaed in de broeibakken en door afzetsels vermenigvuldigd worden.

PEERLZAED, Perelkruid, Steenkruid, in 't fransch Grémil, in 't latyn Lithospermum, is onder de 2e klasse, 4° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Bernagieplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Het Winkel-Peerlzaed (Lithospermum officinale van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België omstreeks Antwerpen, Mechelen en ook in Vlaenderen op drooge plaetsen in de velden wast, met drie of vier ruwe, harige stengels, die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, en somtyds langs de aerde liggen, met langwerpige, spitse, ruwe, donkergroene bladen en bloemsteeltjes waerop meest den geheelen zomer witte, blauwachtige, trechtervormige bloempjes bloeijen,

met vyf bloemblaedjes in de kransjes, die een weinig langer dan de bloemkelken zyn, en kleine, steenachtige vruchten als nootjes voortbrengen. Het klein of Weld-Peerlzaed (Lithospermum arvense van Linnaeus) is een éénjarig kruid van Europa, dat veel in Vlaenderen in de velden en bewerkte landen wast, met getakkelde stengels, en meest in july bloeit, met blauwachtige, blecke bloempjes, die zaed met haertjes bedekt voortbrengen. Het groot Peerlzaedkruid (Lithospermum fruticosum van Linnaeus) is eene langlevende plant van Italië, die met houtachtige stengels en lynvormige bladen, wel 1 meter hoog wast, en met blauwachtige bloemen bloeit, welker meeldraedjes de lengte van de bloemkransjes hebben. Deze planten worden om hare deugden in veel kruidhoven gekweekt, het Winkel-Peerlzaed dat eene zeer levendige, roode verw inhoudt, wordt in sommige landen van Europa vergaderd en bereid om de stoffen rood te verwen; het wordt ook in poeijer gestampt en met wyn bereid en gedronken; het doet water lossen, breekt den steen van de nieren en blaes en stelpt de druppelpis. Het kruid van dit Peerlzaed, zegt Lobel, wordt zeer geprezen, om den vloed van het mannelyk zaed, die men Gonorrhoea noemt, te doen ophouden, om dit krachtiger te maken, wordt het gemeenlyk met witten Amber en Weegbreezaed of -kruid gemengd en door afkooksels gebruikt. Het poeijer van dit zaed met wyn gedronken, is zeer goed voor de vrouwen die in den arbeid gaen vallen; het bezit inzonderlyk een hulpmiddel dat het baren aendryft, maer het schynt dat het groot Peerlzaed (Lithospermum fruticosum) zoo krachtig niet is, derhalve moet men het zaed van het Winkel-Perelkruid gebruiken. Clusius spreekt van een Peerlzaed, dat hy omtrent Weenen in Oostenryk heeft gevonden, Lithospermum virgatum wordt genoemd, en met blauwe, purperachtige bloempjes bloeit, maer volgens de beschryving zou dit wel aen het Winkel-Peerlzaed gelyken en ook dezelfde kracht inhouden. Deze planten worden hier in den kruidhof der Hoogeschool gekweekt en door het zaed vermenigvuldigd; de groene bladen worden alhier veel door afkooksel als thee gedronken.

PEPERBOOM, in 't fransch Poivrier, in 't latyn Piper, is door Jussieu onder de familie der Brandnetels gesteld, en onder de 2° klasse van Linnaeus, Diandria trigynia, die met twee meeldraedjes bloemen en drie stampertjes hebben. Men vindt heden verscheidene soorten van Peperboomen en planten, die in de Oost- en West-Indiën en andere warme landen wassen, en hier allen in de warme serren worden gekweekt. De zwarte Peperboom (Piper migrum van Linnaeus) is een langlevende boom van de Indiën, die zeer getakkeld groeit, met eivormige, gladde, geribde bladen, die te samen zeventallig op eenen bladsteel zyn gedragen, en zwarte Peperbeziën voortbrengt. De Betel-Peperboom (Piper betle van Linnaeus) groeit met langwerpige in zeven geribde bladen, die op tweetandige bladstelen groeijen. De Siriboa-Peperboom (Piper Siriboa van Linnaeus) groeit met hartvormige in zeven geribde bladen. De Piper nitidum van Swartz, groeit meest in de west-indische eilanden; de Piper acuminatum van Swartz, groeit in de warme landen van Amerika, de Piper magnoliaefolium van Jacquin, groeit meest in Zuid-Amerika, de Piper umbellatum wordt veel te Sl-Domingo gekweekt. Het kruid dat ook Peperbeziën voortbrengt (Piper blandum van Willdenow) is eene langlevende kruidplant van Bresiliën; de Piper verticillatum van Willdenow, is van Zuid-Amerika, de Piper pulchellum van den Hortus Kew., wordt veel in de Antillische Eilanden gekweekt, het Peperkruid (Piper rhomboidale van Desfontaines) wordt ook veel in Zuid-Amerika gekweekt. Het is van deze planten en boomen dat de beste peperbeziën komen, die door den handel naer Europa worden gezonden, hier in poeijers gemalen en als toekruid in velerlei spyzen worden gebruikt. De Peper is zeer warm en verdroogende van kracht, en wordt als aenhitsend middel somtyds in de medecynen gemengd, daer hy met den Mostaerd van krachten gelyk, maer veel heviger en verhittender is. De Peper in plaesters bereid, en voor het rhumatismus op het vel gelegd, doet dit zeer rood worden, en eindigt met op het vel veel ziltachtige waterpuisten te doen komen, die eene tamelyke grootte verkrygen. Derhalve kan men hierdoor wel bemerken dat te veel Peper inwendig genomen, dezelfde krachten in de maeg uitwerkt, aldaer ook waterpuisten verwekt, die schadelyke en doodelyke gevolgen kunnen veroorzaken, en ook de lever en andere deelen der ingewanden doet verhitten. Men moet dus den Peper altoos met mate inwendig gebruiken. De Peperboomen en kruidplanten kunnen door het zaed, afzetsels, inleggers en wortelscheuring in het voorjaer vermenigvuldigd worden, maer moeten hier het geheele jaer in de warme serren verblyven.

PERENBOOM, Peerboom, Perelaer, in 't fransch Poirier, in 't latyn Pyrus, is onder de 21e klasse, 8e sectie van Tournefort gesteld, der boomen die roosvormige bloemen dragen, door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, boomen die met twintig en meer meeldraedjes bloeijen en vyf stampertjes hebben, die op den kelk zyn vastgehecht.

De gemeene Perenboom (Pyrus communis van Linnaeus) is een langlevende boom van Europa, die zeer getakkeld groeit, in sommige vette gronden wel 7 of 8 meters hoog, met groenblinkende, getande en gekerfde bladen, in mei bloeit, met bloemtrosjes en bloemkelken in vyf verdeeld, met vyf bloembladen, en vruchten voortbrengt met vyf hutjes, die gemeenlyk vyf korreltjes inhouden.

Deze kostelyke Perenboom, die door zyne bloemen en vruchten onze hoven zoo schoon versiert, brengt ons, volgens de lysten van sommige kweekers, wel met honderde soorten mede. De leeraer Thouin rekent in zyne verzameling 300 verschillige soorten van Peren, en men vindt er op de naemlyst der kweekery van den Luxembourg, te Parys, 200 gemeld. Als men zich wilt gedragen aen sommige katalogussen van koopmans en kweekers van België, Frankryk en Duitschland, vindt men in hunne verzamelingen nog meer verscheidene soorten; nogtans is het hier door onze behendige kweekers wel bekend, dat vele van die soorten hier hare rypheid niet kunnen bekomen of ten minste

III. 19

« VorigeDoorgaan »