Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

digd, en moet hier 's winters in de oranjehuizen bevryd of in de vrye lucht wel gedekt zyn.

PAPIERBLOEM, in 't fransch Immortelle a grandes fleurs, Aerantheme, in 't latyn Xeranthemum, is onder de 14e klasse, 5" sectie, der Straelbloemen van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de bloemtrosdragende kruidplanten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen-veelechtigen overbodigen. De Papierbloem met groote gekroonde bloemen (Xeranthemum speciosissimum) is eene nieuwe tweejarige kruidplant van de Kaep, die hier in het voorjaer in hullekens wordt gezaeid en voort met dolkens verplant, en van july tot in den winter bloeit, met schoone gele bloemen en lieflyke witte stralen, welker bloembladen als blinkende papier verbeelden. De éénjarige Papierbloem (Xeranthemum annuum van Linnaeus) is eene éénjarige zaeiplant van Italië, die hier vroeg in de lente in de bloemhoven wordt gezaeid, en met stengels wel 40 centimeters hoog wast, met smalle, witachtige, steellooze bladen, en meest van july tot in november bloeit, met enkele witte, violette, gryze en andere gekleurde bloemen, volgens de medesoorten, die men door het zaed verkrygt. De Papierbloem met blinkende schoone bloembladen (Xeranthemum bracteatum), is eene nieuwe kruidplant, die alhier onlangs van Nieuw-Holland is overgevoerd, zy groeit met stengels, wel 90 centimeters hoog, met lansvormige, donkergroene bladen, en bloeit van july tot in den winter, met breedgekroonde bloemen, die een blinkende geelverguld kleur hebben, en welke men in het zand zeer lang kan bewaren. Men zaeit deze planten zeer vroeg in den winter in de oranjeryen, om in de lente in de vrye lucht te planten en het volgende jaer in de planthuizen te bevryden. Men kan ze door afzetsels, met zorg, verscheidene jaren behouden. Men zaeit hier nog den Xeranthemum inapertum van Willdenow, die van Oostenryk oorspronkelyk is, en veel andere soorten, die om hare zeldzame bloemen in de hoven worden gekweekt. PASSIEBLOEM, in 't fransch Grenadille, Fleur de la Passion, in 't latyn Passiflora, door Tournefort Granadilla genoemd, door Jussieu onder de familie der Kauwoerden of Meloenen gesteld, en onder de 16° klasse van Linnaeus, Monadelphia pentandria, éénbroederigen, met vyf helmstyltjes.

De blauwachtige Passiebloem (Passiflora coerulea van Linnaeus) is eene langlevende, rankachtige plant van Bresilië, die heestergewyze, met hechtrankjes, wel 4 meters lang uitgestrekt wast, met bruinachtig groene, vingervormige bladen, en hier meest van juny tot in october bloeit, met eenzame en breede okselbloemen, langs binnen met purperachtige cirkels, blauwe franjen in de straelkransen en witte omloopen, en welker geslachtdeelen eenigzins de werktuigen der passie van onzen Heer vertoonen.

De trosvormige Passiebloem (Passiflora racemosa) is ook van Amerika en gelykt van gedaente wel aen de eerstgemelde, maer de bloemen verschillen en hebben purpere franjen en stralen, die ook de werktuigen der passie van onzen Heer verbeelden.

Deze twee planten brengen in de warme landen van Peru zeer goede oranjeachtige gele vruchten voort, die sappig zyn, eenen zeer aengenamen smaek hebben, versch in Bresilië veel worden geëten, voor zeer gezond zyn geacht en onder den naem van Granadillevruchten zyn bekend; zy worden tegen de verstoptheid der ingewanden en als buikweekmakend middel gebruikt.

De volgende soorten van Passiebloemen worden hier by onze bloemisten in de matige serren gekweekt : De Passiflora alba, edulis, linearis, Milneri hybrida, - Weely, - onychina, - Wollichiana, pallida, alata, van Willdenow; P. rubra, van Linnaeus; P. glauca, adiantum, van Willdenow; P. holosericea, incarnata, ciliata en meer andere, die allen van Zuid-Amerika alhier zyn overgevoerd, door uitspruitsels, afzetsels en inleggers, die zeer ligt wortel vatten, vermenigvuldigd en 's winters in de matige serren gekweekt worden.

PASTINAK, Witte Wortel, in 't fransch Panais, in 't latyn Pastinaca, is onder de 7e klasse, 5° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de zonneschermdragende kruidplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf helmstyltjes bloemen en twee stampertjes hebben. De Hof-Pastinak (Pastinaca sativa van Linnaeus) is eene tweejarige plant van Europa, die met dikke wortels in den grond groeit, het eerste jaer bladstelen en veel bladen geeft en het tweede stengels van omtrent 80 centimeters hoog en bladstelen met gevleugelde bladen aen de stengels verdeeld, bloeit meest in july, met rondvormig geschikte gele bloemen op de toppen, die ronde, platte zaden voortbrengen, welke hier alle jaren in de moeshoven en de velden worden gezaeid. De Pastinak (Pastinaca opoponax van Linnaeus) wordt veel in Italië, Frankryk en Duitschland gezaeid. De wortels van de tamme Pastinaken zyn zoet en aengenaem van reuk en matig warm en vochtig van aerd. Die wortels in de spyzen gebruikt, zyn voedzaem; gezoden en als toekruid bereid, maken zy den buik noch week noch hard; zy verdunnen de spyze, doen pissen en al de overlastingen van de blaes scheiden; zy verzoeten ook de pyn en verdryven de winden des weedoms en buiks : maer, zegt Lobel, zy vermeerderen de lustigheid en vleeschelyke begeerte der mannen en vrouwen. De bladen met honig gestooten en opgelegd, genezen en zuiveren de voortetende zeerigheden. Van het water uit de bladen in mei gedistilleerd, 's morgens en 's avonds een glas gedronken, of daermede gestreken, is zeer goed tegen de beroerdheid, de geraekte en bevende leden. De Pastinaken kunnen zeer wel onze koude winters wederstaen, en worden hier te lande veel in de lente gezaeid, om 's winters de kruidetende dieren mede te voeden, inzonderlyk de koeijen, die er veel melk en goede boter van geven.

PAUWENSTEERT, Tygerbloem, in 't fransch Queue de paon, Tigridie, in 't latyn Tigridia, is door Jussieu onder de familie van de Lischbloemen en de Ferraria gesteld, en onder de 16e klasse van Linnaeus, Monadelphia triandria, éénbroederigen, welker meeldraedjes tot een lichaem zyn vereenigd en die drie stampertjes hebben.

De Pauwensteert met geschakeerde bloemen (Tigridia pavonia van Redouté), is een kleine, langwerpige bloembolplant van Peru en Mexiko, die Willdenow Ferraria pavonia noemt, zy groeit met geschulpte bloembollen en stengels, die omtrent 40 centimeters hoog wassen, en puntig geploeide bladen, die alle jaren uit die bollen spruiten, bloeit meest van in july tot augusty, aen iederen stengel met twee of drie holvormige bloemen, die te midden cirkelvormig zyn, en van boven met ongeregelde, straelvormige randen en drie hangende bloembladen, die langs buiten een geelrood violette kleur hebben en van binnen geelachtig purper, met allerliefste kleuren gespikkeld en getygerd zyn.

Deze schoone bloemen worden alhier ook Achtuer-bloemen genoemd, en kunnen door het ryp zaed in het voorjaer gezaeid worden, waerdoor men veel medesoorten kan bekomen, zy worden ook door de bloembolscheiding vermenigvuldigd en op de wyze van de Ferraria, na het bloeijen, in den herfst, 's winters in het droog zand te meuken gelegd, om die in het voorjaer op eene standplaets in de perken der bloemtuinen te planten (Zie het artikel van de Ferraria).

PEEN, Gele Wortel, Gele Peen, in 't fransch Carotte, Racine potagère, in 't latyn Daucus, is onder de 7e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de zonneschermdragende kruidplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf helmstyltjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

De tamme Peen of Gele Wortel (Daucus sativa van Linnaeus) is eene tweejarige plant, die hier alle jaren in de moeshoven en velden wordt gezaeid, en groeit met dikke gele wortels, bladstelen en donkergroene, dun uitgesnedene bladen, en het tweede jaer ook stengels met bladstelen en veel kleine donkergroene, uitgesnedene blaedjes heeft, bloeit meest in july, met zonneschermige trossen en witachtige bloempjes op de toppen, die ruwe zaedjes voortbrengen.

De gemeene Gele Wortel of Peen (Daucus carotta van Linnaeus) is ook eene tweejarige plant van Europa, die in de moes

hoven en velden alle jaren wordt gezaeid, van gedaente aen de eerstgemelde gelykt, met zeer dikke wortels in den grond schiet en waervan men door het zaed medesoorten heeft verkregen, die met roodachtige gele, witachtige gele en violetachtige, dikke wortels boven en in de aerde groeijen; zy worden in het voorjaer vroeg gezaeid, om de menschen en dieren te voeden, inzonderlyk de koeijen, peerden, ezels, verkens en geiten. Alle die wortels worden voor zeer gezond geacht, houden eene verkoelende en middelbaer warme kracht in en worden veel met vleeschsop geëten. Het zaed en de wortels bezitten een pisafdryvend middel, en zyn bekwaem om de pyn des buiks te stelpen; de bladen van die Penen met honig gestooten, zuiveren de voortetende zweren en zyn ook zeer goed om op de kwetsuren der beenen en schinkelen te leggen. Men maekt heden met het sap van de roode gele wortels veel sausen en bereidt er ook mostaerd mede. Het kruid van die wortels wordt veel gebruikt om de konynen te voeden, en de hazen zyn er ook op verlekkerd. Eindelyk, al de nuttige deugden van de Penen zyn van eenieder te wel bekend, om daerover meer te schryven.

PEERDENSTEERT, Kattesteert, Zeedruif, in 't fransch Ephédre, Préles, Raisin de mer, in 't latyn Ephedra, is door Jussieu onder de familie van de boomen die kegelvormige vruchten dragen gesteld, en onder de 22e klasse van Linnaeus, Dioecia monadelphia, tweehuizigen-éénbroederigen.

De Peerdensteert met een aertje, of Zeedruif (Ephedra monostachya van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Siberië, dat met dunnen, geknoopten stam, zeer getakkeld, in struiken, meer dan 1 meter hoog groeit, met verscheidene altoosgroene, bloote stengels aen den stam geschikt, waerop meest in den herfst katjes bloeijen, die zeer lieflyke roode beziën voortbrengen, welke men aen de kinderen geeft om Paternosters te versieren en kransen mede te maken.

De Peerdensteert met twee aren (Ephedra distachya van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Frankryk, dat weinig van het voormelde verschilt, dan door de grootte,

« VorigeDoorgaan »