Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

PANDANUS, in 't fransch Baquois, Vacoua odorant, in 't latyn Pandanus, is door Jussieu onder de familie der planten van een onzeker zetsel gesteld, en onder de 22e klasse van Linnaeus, Dioecia monandria, tweehuizigen-éénmannigen, die op eene plant al mannekens- en op de andere al wyfkensbloemen dragen. De welriekende Pandanus (Pandanus odoratissimus van Linnaeus) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Ceylan, dat hier om zynen welriekenden geur in de matige serren wordt gekweekt. De Pandanus utilis, is een nieuw langlevend boomgewas van Madagascar, dat met zyne wortels diep in de aerde schiet, en de groeizame krachten voor het voedsel des stams daeruit haelt; van onder zeer dik en naer boven langzaem dunner en spits wast, met stamomvattende bladen, die dikwils 2 meters lang en wel 20 centimeters breed groeijen, en op de boorden met roodachtige, puntige doorns zyn versierd; bloemt in de warme landen met steellooze bloeischeeden; de wyfkensbloemen zyn zonder kelkjes of kransjes en brengen vruchten voort. Deze planten moeten hier in de warme serren gekweekt worden, alwaer zy in potten hare groeikracht niet genoeg kunnen ontwikkelen om vruchten te dragen, zy worden meest door het ryp zaed dat men van het land harer afkomst verkrygt, in de warme serren gezaeid en door uitloopers vermenigvuldigd. Men vindt hier nog andere soorten by onze bloemkweekers, zoo als de Pandanus oeschymene en Pandanus polydosa, die in het jaer 1805, door M. Levingston, uit de Philippinsche Eilanden naer Europa zyn overgebragt, en waeruit men een zeer schoon rietpapier kan trekken en heden ook veel kunstbloemen maekt, die door de kunstbloemwerkers by voorkeur worden gebruikt, omdat zy beter haren stand en kleuren behouden. Het ware te wenschen dat men die schoone versierende boomen hier in de vrye lucht, gelyk in de warme landen kon kweeken; maer zy kunnen geene 6 graden koude wederstaen.

PANIKKOORN, Hirs, Milie, in 't fransch Panis, Millet, in 't latyn Panicum, is onder de 15e klasse, 3° sectie van Tournefort

gesteld, der planten die met meeldraedjes bloeijen, door Jussieu onder de familie der Grasplanten, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria digynia, planten die met drie meeldraedjes bloeijen en maer twee stampertjes hebben. Het gemeen Panikkoorn (Panicum miliaceum van Linnaeus) is eene éénjarige zaeiplant van de Indiën, die in Italië, Frankryk, Duitschland en België wordt gezaeid; zy groeit met geknoopt stroo en bladen, die aen klein Riet gelyken, en bloeit met aren op de toppen der stelen, het zaed wast met dunne vellekens bekleed, is hard, plat en effen en heeft een blinkende bruin kleur, het houdt veel olie in en wordt ook als voedsel gebruikt, maer is sloppende en verdroogende van kracht. Dit zaed met vygen gemengd, verzoet en stelpt de onlydelyke smart der weedommen, gebakken en geëten, geeft het veel voedsel. Volgens de oude Kronyken, werd dat Panikkoorn in de WII° eeuw van de Indiën eerst in Europa verspreid. Het italiaensch Panikkoorn (Panicum italicum) groeit met groote stelen, die wel 2 meters hoog wassen, en langwerpige bladen; op de stelen bloeijen dikke, lange aren, gelyk krappen, die zeer veel zaed voortbrengen. Het wordt veel in Italië en elders in de warme landen alle jaren in de lente gezaeid, om brood mede te bakken en ook 's winters de pluimgedierten, schapen, geiten en andere kruidetende dieren te voeden. Het kransvormig Panikkoorn (Panicum verticillatum van Linnaeus) is ook eene éénjarige plant van Zuid-Europa, die in Frankryk en elders in de velden wordt gezaeid, en wast met aren rond de toppen en vierkantige, kleine trosjes, die ook veel zaed voortbrengen. - . Het groenachtig Panikkoorn (Panicum glaucum van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Italië, die ook in Spaenje en elders wordt gezaeid. Het wild Panikkoorn (Panicum crus-galli van Linnaeus) groeit op sommige zandachtige plaetsen in België, met geknoopt stroo, omtrent 1 meter hoog, met aren, die vyfhoekig zyn verdeeld, en gebaerd kaf; het brengt geelachtig zaed voort. Men vindt nog het Panikkoorn S. Jobs tranen (Panicum lacryma

Jobi) en het groen Panikkoorn (Panicum viridi) van Zuid-Europa, dat veel in Duitschland wordt gezaeid, en tot voeding van menschen en dieren, op de wyze van het Koorn, wordt gebruikt, als ook om olie van te maken. Het stroo, dat eenen zoeten smaek inhoudt, dient ook veel om de huizen en hutten te dekken en beesten te voeden.

PANTOEFELBLOEM, in 't fransch Fleur d pantoufle, Calceolaire, in 't latyn Calceolaria, is door Jussieu onder de familie van het Speenkruid gesteld, en onder de 2e klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee stofdraden bloemen en maer één stampertje hebben. De gevleugelde Pantoefelbloem (Calceolaria pinnata van Linnaeus) is eene kruidplant van Peru, die met stengels en gevleugelde bladen groeit, en van juny tot in september bloeit, met hooggele bloemen, die door hare gezwollene bloemkransen wel aen eene panloefel gelyken.

De Panfoefelbloem met effene bladen (Calceolaria integrifolia van Linnaeus), van Amerika, groeit maer omtrent 20 centimeters hoog, met stengels en getande en gekerfde bladen, en draegt byna den geheelen zomer gele bloemen, die eenen zeer sterken geur inhouden.

De doorbladige Pantoefelbloem (Calceolaria perfoliata) is eene plant van Nieuw-Grenada, in Amerika, die met stengels door de bladen pylvormig wast, en meest in july bloeit, met gele bloemen, welker kelken in vier zyn verdeeld, met gezwollene kransjes, die aen eene pantoefel gelyken.

Deze planten worden door het zaed en afzetsels vermenigvuldigd, maer kunnen onze koude winters niet wederstaen, en moeten in de planthuizen worden bevryd. Men heeft nog eenige soorten van die Pantoefelbloemen van Zuid-Amerika in Europa overgebragt, die volgens den heer Thiébaut de Berneaud en andere nieuwe Kruidbeschryvers, in de medecynen worden gemengd.

PAPENBLOEM, Pisbloem, wild Cichoreikruid, Peerdenbloem,

Papenkruid, in 't fransch Pissenlit, Dent de Lion, in 't latyn Leontodon, door Tournefort Dens Leonis genoemd, door Jussieu onder de familie van de Cichorei gesteld, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigenveelechtigen-gelykbloeijenden.

De Pisbloem (Leontodon taravacum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en elders ten alle kanten in de meerschen, velden en landen, op vette plaetsen wast, met wortels en langwerpige, getande bladen, die by de aerde gestrekt zyn, en met hollige schachten, die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, waerop hier van april tot in july dikwils gele bloemen bloeijen, die eenen zoeten aengenamen geur hebben en wolachtig bekroonde zaedjes voortbrengen, die door den wind ten alle kanten vervliegen.

De wortels zyn lang en langs buiten geelachtig wit, en van binnen vol wit melkachtig sap, hetwelk men ook in de schachten, bladen en bloemen ziet vloeijen, als men die snydt of kwetst. De bittere smaek van dit melkachtig sap betoont genoeg dat dit kruid eene verkoelende en scheidende kracht inhoudt. Dit kruid wordt voor geheel gezond geacht en als Salade geëten; het dryft de pis af, maekt den buik week en is zeer goed voor de menschen die met het graveel zyn gekweld. Men mag vrylyk dit kruid gebruiken, in al hetgene waerin men de Cichorei en Andyve nuttig en behulpzaem vindt. Het melkachtig sap, gelyk dat van het Kankerkruid, kan ook de wratten van het vel doen verdwynen; het gedistilleerd water van het Papenkruid is zeer goed om de zeere oogen mede te baden. Dit kruid gestooten, is goed om op de vurige zweren te leggen en wordt in de wonddranken gebruikt, de bloemen worden ook groen en droog in den verkoeldrank gekookt. Dit kruid wordt hier veel van de landlieden opgezocht, om in de keuken als Salade te gebruiken, het opent de darmen, dryft de pis naer de blaes, doet slapen, zuivert het bloed en wordt met Huiswortels of Donderbladen in pappen gekookt en langs buiten op de ongezonde leden en gezwollene zeeren gelegd, met melk gezoden, verhelpt het den buikloop en roodenloop.

PAPENHOED, Spilboom, Papenmuts, Papenhout, in 't fransch Fusain, Bonnet de prétre, in 't latyn Evonymus, is onder de 21e klasse, 3" sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Sleedoorns, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Papenhoed (Evonymus europaeus van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa, dat in België ten alle kanten in de bosschen groeit, in struiken, met eivormige, steellooze bladen, zeer lommerryk op de takjes verspreid. Het wordt om zyne welriekende witte bloemen en schoone roode vruchten veel in de lusttuinen geplant, de beziën en het kernzaed gestampt, houden eene schoone gele verw in, die in sommige streken van Europa wordt vergaderd, om aen de stoffen een geel kleur te geven; de regte spillen der takjes dienen hier veel om spinrokken mede te maken en worden voor lardeerpriemen gebruikt. De Papenhoed met breede bladen (Evonymus latifolius van den Hortus Kew.), is een langlevend heestergewas van Amerika, dat hier veel in de engelsche hoven wordt geplant, om zyne schoone roode vruchten, die de lusthoven versieren, aen lange stelen hangen, in vyf hutjes zyn verdeeld en eenen vyfkantigen hoed vormen. Die beziën bezitten ook eene gele verw. De wratachtige Papenhoed (Evonymus verrucosus) van Amerika, is een heester-boomgewas, met ruwe schors en uitwassende knobbels bekleed, maer welk schoone gele beziën voortbrengt, die versierend aen de takjes hangen. De zwartachtige purpere Papenmuts (Evonymus atropurpureus van den Hortus Kew.) is een heester-houtgewas van NoordAmerika, dat in de lusthoven om zyne lieflyke zwartachtige purpere beziën wordt geplant. Men vindt nog den Evonymus pyracanthaefolia, E. caroliniensis en E. angustifolia, die hier allen in de lusthoven geplant en door het zaed en uitloopers vermenigvuldigd worden, maer de witte zilverachtige Papenmuts (Evonymus argentea) van Amerika, met zyne schoone bonte geschakeerde bladen en kleine groenachtige bloemen, wordt door afzetsels en inleggers vermenigvul

« VorigeDoorgaan »