Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

gewolde, lansvormige, plompe bladen en trechtervormige bloempjes, die de meeldraedjes, welke geel zyn, korter dan de bloemkransjes hebben en waervan al de deelen eene roode verw inhouden. De Ossentong van Italië (Anchusa italica van Retzius) is eene tweejarige kruidplant van Italië, die hier in de bloemhoven wordt gezaeid, bloeit van july tot in september, met veel lieflyke blauwe bloempjes. De altydgroene Ossentong (Anchusa sempervirens van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Spaenje, die ook in 't wilde wast; zy wordt hier en elders om hare lieflyke blauwe bloemkransjes veel in de bloemhoven geplant. In Spaenje en elders, zegt Clusius, verkoopt men kleine dooskens vol van eene zalve, met de wortels van de Ossentongen gemaekt, en waermede de vrouwen haer aengezigt blanketten. De wortels met Hyssope en Kersse gekookt, en het sap gedronken, dooden de lintwormen en breede wormen die in des menschen lyf groeijen, waervoor men meest de officinale Ossentong gebruikt, zy wordt ook met wyn gezoden en gedronken tegen den weedom der nieren en lenden, maer jaegt de vrucht af, zegt Dodonaeus, en derhalve mogen zy van geene zwangere vrouwen gedronken worden. De bladen met honig en meel bereid, genezen de verstuikte leden, en het water waerin die wortels gezoden zyn, in de kamers gesproeid, brengt de vlooijen om.

OTHONPLANT, in 't fransch Othonne, in 't latyn Othonna, door Tournefort Jacoboea genoemd, en onder zyne 14e klasse, 1" sectie, der Straelbloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtrosdragende planten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia necessaria, noodzakelyke veelwyvery of samenhelmigen, planten die met meeldraedjes en stampertjes, op de wyze van de Goudbloemen, bloeijen.

Men vindt op sommige bloemlysten 27 soorten van die planten, die allen meest van de Kaep en Ethiopië, in Afrika, oorspronkelyk zyn, en waervan enkelyk de volgende om hare schoone bloemen hier by onze bloemisten worden gekweekt:

De Othonna pectinata van Linnaeus, is een langlevend houtachtig gewas van Ethiopië, met gelidteekende stengels en gevleugelde bladen, gedeeltelyk van den cirkel afgescheiden, en kleine lynvormige blaedjes, die tegenover elkander groeijen, bloeit hier meest in de matige serren van in mei, met roode bloemkelken en gele gestraelde bloemen, die aen de Thunusbloemen eenigzins gelyken. De Othonna athanasiae van Jacquin, is eene langlevende houtachtige kruidplant van de Kaep, die draedvormig, met stengels en gevleugelde bladen wast, en met ronde bloemkelken en twaelf getande bloeiblaedjes bloeit. De Othonna tagetes van Linnaeus, is eene éénjarige kruidplant van de Kaep, die geheel wel in al hare deelen aen de Thunusbloemen gelykt. De Othonna tenuissima van Linnaeus, is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Kaep de Goede Hoop, met regte stengels, talryke bladen en gestraelde geelachtige bloemen. De Othonna arborescens van Linnaeus, is een langlevend houtachtig boomgewas, dat met geheel langwerpige bladen en dikke, vleezige, bewolde stengels groeit, en bloemen met gele gespikkelde stralen draegt. De Othonna digitata wordt hier ook gekweekt. De bloemen van deze planten zyn zeer zwaer van reuk en hebben byna den geur van de dulle Kervel en Scheerlingkruid, die den mensch in zwymeling kan doen vallen en op de wyze van de Thunusbloemen hinderen, het hoofd zwaer maekt en doodelyke gevolgen kan hebben: ook hebben wy met die bloemen proeven gedaen, die met kaes gemengd en aen eene kat gegeven, die daervan zeer opzwol en weinig daerna stierf, zy zyn ook een goed muizen- en rattenvergift. Deze planten kunnen door het zaed in het voorjaer in de planthuizen, op teilen, gezaeid en ook door struik- en wortelscheiding en afzetsels vermenigvuldigd worden.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

P.

Palmboom. – Pancratium. – Pandanus. - Panikkoorn. - Pantoeselbloem. – Papenbloem. – Papenhoed. - Papierbloem. - Passiebloem. - Pastinak. – Pauwensteert. – Peen. - Peerdensteert. Peerdsklauw. – Peerlzaed. – Peperboom. – Perenboom. – Peren van Japan. – Perzikboom. - Perzikkruid. – Peterselie. – Petunia. - Phlomis. – Phylica. - Pillenkruid. - Pimelea. - Pimernel. – Pimpernootboom. - Pinckneya. - Pioen. - Pistache# – Pitcairnia. – Pittosporum. - Plaenboom. – Platte ert.

– Platychilum. – Platylobium. - Plompen. – Pluimboom. – Podalyria. – Podocarpus. – Poelkruid. - Poelruite. – Poinciana. – Pokhout. – Pompoen. - Pontederia. - Populier. - Porei. Pourretia. – Porselein. - Prangwortel. - Priem. – Priemgras. Prostranthera. – Pruimboom. – Psoralea. – Ptelea. – Pultenaea. – Purgeerkruid. – Pylriet. - Pynboom.

PALMBOOM, Busboom, in 't fransch Buis, in 't latyn Buxus, is onder de 18° klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelkplanten, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia tetrandria, éénhuizigen-viermannigen, planten wier geslachtsdeelen in onderscheidene bloemen zyn, maer die toch op denzelfden boom bloeijen. De Palmboom met altoosgroene bladen (Buxus sempervirens van Linnaeus), is een langlevend heester-houtgewas van ZuidEuropa, dat van over zeer oude tyden in België is bekend, ten alle kanten in de hoven, rond de boorden en als scheerhagen gekweekt, en door struikscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd wordt. Men vindt onder deze heestergewassen de smalbladige Palm (Buvus angustifolia), de balearische Palm (Buvus balearia van Willdenow) van de Balearische eilanden, en meer andere medesoorten, met breede bladen, die hier in de oranjehuizen, gelyk de heesterachtige Palm (Buxus suffruticosa), met bonte bladen, worden bevryd. De wortels, hout en bladen van den gemeenen Palmboom, met zyne altoosblyvende groene bladen, houden eene bezondere eigenschap in en bezitten de krachten van het Pokhout; zy zyn droog en samentrekkende van natuer, en worden gemeenelyk door afkooksel in de geneesmiddelen gebruikt; 5 of 6 decagrammen, in eenen liter water op de helft verkookt, is zeer dienstig, zegt Gabriël Grimaud, om voor de langdurige velziekte, koude zinkingen en de Venusziekte te gebruiken. Er wordt ook door de kunstscheiding uit die Palmboomen eene zekere olie getrokken, die voor de vallende ziekte en moederpyn zeer wordt geprezen en voor de tandpyn wordt gebruikt. Het schynt, volgens de oude overleveringen, dat dit gewas in onze tael den naem van Palm heeft verkregen, omdat men op Palmzondag de takken tot het maken van kransen en tot bewyding gebruikt, ter gedachtenis der intrede van onzen Zaligmaker Jesus Christus te Jerusalem, welke onze Kerk alle jaren op dien dag viert, want eerst, in de oude tyden, werd het Bosboom genoemd. Het hout van den Palmboom, dat zeer hard en digt is, glad bewerkt en een geelachtig kleur behoudt, wordt gebruikt om allerlei fraeije instrumenten van te maken, zoo als fluiten, haut-bois, zakpypen, doozen, kabinetwerken, kammen, lepels en vorken, en van de draeijers en schrynwerkers zeer geprezen. De gemeene Palmboom wordt hier te lande, om hagen mede te planten, door inleggers van de Jonge loten vermenigvuldigd.

PANCRATIUM, in 't fransch Pancratier, in 't latyn Pancratium, is van Tournefort onder zyne 9° klasse, 2" sectie der Lelieplanten gesteld, door Jussieu onder de familie van de Narcissebloem of Paeschlelie, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. Men vindt heden by onze bloemisten veel verscheidene soorten van die gewassen.

De antillische Pancratium (Pancratium caribaeum van Linnaeus) is eene langlevende, groote bloembolplant van de Antillische Eilanden, die met bladen van omtrent 30 centimeters lang groeit, en eenen schacht die alle jaren uit de bollen spruit en wel 50 centimeters hoog wast, bloeit hier in de lente en zelfs twee

III. 18

of driemael binnen het jaer in de warme serren, met veel schoone, witte bloemen, die eenen zeer zoeten aengenamen reuk verspreiden. De ambonsche Pancratium (Pancratium amboinense van Linnaeus) is eene langlevende bloembolplant van het eiland Amboina, die met schachten omtrent 40 of 50 centimeters hoog wast, met pylvormige bladstelen en groote bladen, bloeit hier in den zomer, met bloemtrosjes en zes of zeven witte, lange, gepypte bloemen, die in vyf of zes verdeeld zyn en eenen aengenamen geur hebben. De groote halsvormige Pancratium (Pancratium calathinum) van Zuid-Amerika, groeit met bloote schachten en lynvormige bladen, omtrent 50 centimeters hoog, en bloeit met twee bloote witte bloemen op de toppen, die lange gepypte halzen hebben en eenen lieflyken reuk verspreiden. De tweeryige Pancratium (Pancratium distichum) van Amerika, bloeit hier meest in den zomer met zes of zeven schoone witte bloemen, langs twee kanten aen de stengen verdeeld, die eenen zeer welriekenden zoeten geur hebben. De schoone hoogverhevene Pancratium (Pancratium speciosum van Redouté), de Pancratium amoenum en de Pancratium mevicanum van Willdenow, worden hier allen in de warme serren gekweekt en door bolscheiding vermenigvuldigd. De Pancratium maritimum van Linnaeus, en de Pancratium illyricum van Linnaeus, zyn langlevende, groote bloembolplanten die in Italië, Spaenje en elders veel aen de zeekanten groeijen, en hier in de bloemhoven, op de wyze van de Lelie worden geplant, alle jaren in de lente uit de aerde spruiten en in den zomer peerskleurige bloemen dragen. De inwoners van Spaenje noemen die planten Cebolla albarana, gelyk de Zee-Ajuin, die nogtans van krachten en smaek daeraen geenzins gelykt. De oude Kruidkenners noemden die planten ook Pancratium monspellensium en Asphodille van Montpellier. De inwoners van Spaenje en Languedoc houden die voor vergiftige en schadelyke planten, die zy nooit plukken, en zeggen dat de reuk der bloemen kan doen in bezwyming vallen, en voor degenen die ze eten, kwade gevolgen veroorzaken.

« VorigeDoorgaan »