Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

dieren gesteken, om al de waterachtige gebreken der borst te genezen.

NOTENBOOM, Okkernootboom, Notelaer, Woudnootboom, in 't fransch Moyer, in 't latyn Juglans, is onder de 19° klasse, 1" sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met katjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Terpentynboomen, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, éénhuizigen-veelmannigen.

De Okkernootboom (Juglans regia van Linnaeus) is een boom van Persiën, die in België aen den grond is gewend, en ten alle kanten in Europa wast; hy begeert van natuer eenen droogen, vruchtbaren grond, en een opene, vrye lucht, want in vochtige, zandachtige en natte styve kleigronden wilt hy niet wel aerden, hy kan onze winterkoude vry wel tegenstaen, en als de oude boomen beginnen drooge takken te krygen, moet men die kandelaren, hetgeen in october moet worden verrigt, want als men die in het voorjaer afsnoeit, verliezen die boomen te geweldig veel sap, hetgeen hen doet kwynen en versterven. Derhalve moet men zooveel mogelyk de wonden van de Notenboomen met griffellak bedekken. Deze boomen, om veel vruchten te dragen, moeten in dreven en buiten de hoven op opene plaetsen worden geplant, want door hunne lommerryke groote kroonen, benemen zy de kracht van alle omstaende gewassen. De voortteeling dezer boomen geschiedt hier meest door de Noten, die men in den winter onder het zand in eene matige plaets te meuken zet en met de lente plant. De Noten van die boomen voortkomende dienen tot spyze en worden veel versch gebruikt, zy zyn zeer smakelyk om een glas wyn mede te drinken, zyn voedzaem en maken, versch geëten, goed bloed. Er bestaet in 't latyn een oud spreekwoord, dat zegt : post pisces nuces, post carnea caseus adsit, hetgeen in onze tael bediedt : na den visch moet men noten, en na vleesch kaes eten.

Volgens sommige schryvers zyn de Noten een behoedmiddel tegen pest en andere besmettelyke ziekten, als zy met wyn en ruitebladen, vygen en zout dikwils geëten worden. Er wordt ook veel goede olie uit de Noten geperst, die tot allerlei gebruiken dient, zoo wel voor brandolie als om de spyzen te bereiden, hoe verscher zy wordt gebruikt, hoe smakelyker die is, zy wordt somtyds in Zuid-Frankryk, Italië en elders, alwaer die Noten veel groeijen, met olie van de Olyfboomen gemengd, die zy door haren zoeten smaek wel verheft, maer hetgeen men zeer ligtelyk kan bemerken, met enkelyk eenen vinger in de olie van olyven te steken, die door de natuerlyke warmte der menschen aen den vinger smelt en er van afdruipt, en zoo de Olyfolie met Notenolie of andere is vervalscht, zal de laetste druppel zwartachtig schynen. De drooge notekerns geven ook veel olie, die door de fynschilders wordt gebruikt; zy is ook zeer goed om op de liesbreuken en gescheurdheid der menschen en kinderen te leggen, welke eenige dagen daermede bestreken, zachtjes genezen, maer de drooge Noten geëten, zyn hard om verteren en nadeelig aen de flauwe magen. De groene, onrype Noten worden ook wel met suiker gekonfyt om in de keuken te gebruiken, welke konfytuer een zeer aengenaem middel is om de maeg en hart der zwakke en zieke menschen te versterken. De buitenste groene bolsters en schillen van die noten worden heden alle jaren groen opgekocht en vergaderd om tot verw te bereiden en allerlei stoffen mede te verwen, waeraen zy een schoon bruinachtig kleur verschaffen, en waervoor die boven alle andere verw den voorkeur verdienen. Het hout en wortels worden van de schrynwerkers, draeijers en meubelmakers zeer gezocht om allerlei schoone bruinkleurige meubels mede te maken. De oude schryvers en sommige menschen van dezen tyd, die, zonder eene ware kennis te zoeken, maer veeltyds babbelen, zeggen dat de Notenboomen beter vruchten dragen wanneer zy in den herfst, by het afdoen der rype Noten, braef met lange stokken geslagen worden; waeruit die onbeschaefde latynsche verzen by de Ouden ontstaen zyn : Nuw, Asinus mulier simili sunt lege ligata; Naectria nil fructus faecunt, si verbera cessans,

maer niettegenstaende die onstichtelyke woorden, zullen die slagen den Notenboom geenzins vruchtbaer maken, als hy niet met zorg en op eene goede standplaets gekweekt wordt.

WYFTIENDE HOOFDSTUK.
(TD.

Oleander. - Olmboom. – Olyfboom. – Onderhage. – Onzer Lieve Vrouwen Bedstroo. – Onzer Vrouwenschoen. – Oogentroost. Ooijevaersbek. - Oranjeboom. – Orego. – Orellanboom. – Ossenoog. - Ossentong. - Othonplant.

OLEANDER, Oleanderboom, Rooze-Laurier, in 't fransch Laurier-Rose, Merion, in 't latyn Nerium, door Tournefort onder zyne 20° klasse, 5° sectie gesteld, der boomen die roosvormige bloemen dragen, door Jussieu onder de familie van de Hondendoodplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De gewone Oleander (Merium oleander van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van de Oost-Indiën, dat hier in de planthuizen wordt gekweekt, en heestergewys, getakkeld groeit, met lansvormige, puntige, donkergroene bladen, bloeit hier meest in juny, met zeer lieflyke, schoone rooskleurige bloemen, op de toppen der bloemstelen, die scheef hangen, en blaesachtige zaedhuisjes met wolachtige bekroonde zaedjes voortbrengen. Men heeft er door het zaeijen verscheidene medesoorten van verkregen, die witte, bleekrooskleurige en roosachtige vleeskleurige bloemen dragen, en ook sommige die geschakeerd zyn; zy hebben den geur van de Vanille. De welriekende Oleander (Merium odorum van Willdenow) is een langlevend heester-boomgewas van de Indiën, dat hier ook in july met allerliefste roozebloemen bloeit, en waervan men door het zaed ook schoone dubbele en enkele witte en bleek rooskleurige heeft bekomen. Zy worden hier op de wyze van de Guichelaersbloemen gezaeid, maer meest in ons klimaet vermenigvuldigd door inleggers en afzetsels, die zelfs in het water wortel vatten, als men de jonge afgesnedene loten in eene fles met water steekt. Die Oleanders welke in Italië, ZuidFrankryk en andere warme landen in de vrye lucht worden geplant, moeten hier, om wel te bloemen, tot in july in de matige serren by het glas verblyven. Het sap van de boomen, bloemen en bladen dier Oleanders, bezit een geweldig vergift, om de honden, ezels, muilen en meer andere viervoetige dieren te dooden. De schapen, geiten en andere kruidetende dieren kunnen aen die boomen niet wederstaen, en als zy alleenlyk de bladen eten of van het water drinken waerin de Oleanderbladen geweekt zyn, moeten zy er van sterven, want de Oleanders houden de krachten in van de Zwaluwwortel (Dompte-venin). In de oude tyden dopten de boogschutters de punten hunner pylen in dit sap, omdat de wonden daermede gemaekt, zeer doodelyk waren. De liefhebbers van deze planten moeten wel aendacht nemen dat by het kweeken dezer boomen, het sap dat in het snyden er uit vloeit en ook uit de bloemen en bladen druipt, geene wonden raekt, want het zou droevige gevallen kunnen veroorzaken en den mensch doen sterven. Dit sap wordt ook met syroop als vliegevergift gebruikt, waervan zy weldra sterven. In de warme landen worden de bladen veel in de bedsteden gelegd, om de vlooijen te dooden en de wandluizen te verjagen, en men ziet ook nooit aerdmuizen de Oleanders aenranden, want het sap bezit ook een hevig muizenvergift; de menschen moeten zich wel wachten van die boomen in hunne slaepkamers te plaetsen. Men vindt hier nog by sommige liefhebbers de volgende Oleanders : Merium coronarium, van den Hortus Kew., van de Indiën, Werium atropurpureum, W. luteum novum, W. Mabirii, M. multiflorum, W. pomponium, W. purpur.flora pleno, W. splendens, W. tinctorium, W. Ragonot, W. Duchesse d’Angoulême, IW. Henri de France, W. Du Sanglet, en zeer veel andere medesoorten die hier in de matige serren worden gekweekt, met allerschoonste bloemen de planthuizen versieren en allen op dezelfde wyze als de eerstgemelde vermenigvuldigd worden.

OLMBOOM, Olm, Ypenboom, in 't fransch Orme, Ormille, in 't latyn Ulmus, is onder de 20° klasse, 3e sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der boomen die met katjes bloeijen, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, boomen die met vyf meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben. De Veld- of gemeene Olmboom (Ulmus campestris van Linnaeus) is een langlevend groot boomgewas van Europa, dat in België en elders ten alle kanten in de bosschen en velden wast, en waeronder men heden de vette Olmen vindt, gelyk den Ulmus suberosa van Willdenow, die met roodachtige katjes bloeit, den Ulmus effusus van Willdenow, den Ulmus americana van Linnaeus, en den kleinen Olmboom (Ulmus pumila van Siberiën), die heden allen in België worden gekweekt. Deze boomen zyn van eenieder te wel bekend om geheel hunne gedaente van groeijen, met hunne bladen en bloemen te beschryven. Zy groeijen schielyk en zeer groot op, en in onze lage, vochtige gronden wassen zy boven alle andere soorten van boomen. Ik zal enkelyk de wyze van die voort te kweeken met hunne nuttige deugden beschryven. De Olmboomen kunnen zeer wel onze koude winters wederstaen en vermenigvuldigd worden door het zaed, welk men gemeenlyk in het voorjaer op bedden, in de hoven of akkers zaeit en met 4 of 5 centimeters aerde bedekt. Nadat de jonge plantsoenen twee of drie jaren oud geworden zyn en men de peen wortels gekort heeft, plant men die in de kweekery, 80 of 90 centimeters van elkanderen, en koestert die tot dat zy groot genoeg zyn om elders op eene verblyfplaets te planten. Hoewel men door het zaeijen van de Olmen ook medesoorten kan bekomen, worden zy alhier te lande meest door inleggers van jonge plantsoenen in het voorjaer vermenigvuldigd, hetgeen op de volgende wyze kan geschieden: men neemt de schoonste boomkens van de vette Olmen en legt alle de takken te gronde, by middel van eenen haek, waermede men den stam doet buigen en tevens de takken ter neder brengt, dan maekt men aen de hiertoe bestemde takjes eenige kerfkens en dekt ze met aerde, zorgende van het uiterste einde bloot te laten, en daertegen een daertoe geschikt steunstokje regt te zetten, als men die gedurende de zomerhitte nu en dan behoorlyk besproeit, schieten al die telgen

« VorigeDoorgaan »