Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

De Othonna pectinata van Linnaeus, is een langlevend houtachtig gewas van Ethiopië, met gelidteekende stengels en gevleugelde bladen, gedeeltelyk van den cirkel afgescheiden, en kleine lynvormige blaedjes, die tegenover elkander groeijen, bloeit hier meest in de matige serren van in mei, met roode bloemkelken en gele gestraelde bloemen, die aen de Thunusbloemen eenigzins gelyken. De Othonna athanasiae van Jacquin, is eene langlevende houtachtige kruidplant van de Kaep, die draedvormig, met stengels en gevleugelde bladen wast, en met ronde bloemkelken en twaelf getande bloeiblaedjes bloeit. De Othonna tagetes van Linnaeus, is eene éénjarige kruidplant van de Kaep, die geheel wel in al hare deelen aen de Thunusbloemen gelykt. De Othonna tenuissima van Linnaeus, is een langlevend houtachtig kruidgewas van de Kaep de Goede Hoop, met regte stengels, talryke bladen en gestraelde geelachtige bloemen. De Othonna arborescens van Linnaeus, is een langlevend houtachtig boomgewas, dat met geheel langwerpige bladen en dikke, vleezige, bewolde stengels groeit, en bloemen met gele gespikkelde stralen draegt. De Othonna digitata wordt hier ook gekweekt. De bloemen van deze planten zyn zeer zwaer van reuk en hebben byna den geur van de dulle Kervel en Scheerlingkruid, die den mensch in zwymeling kan doen vallen en op de wyze van de Thunusbloemen hinderen, het hoofd zwaer maekt en doodelyke gevolgen kan hebben: ook hebben wy met die bloemen proeven gedaen, die met kaes gemengd en aen eene kat gegeven, die daervan zeer opzwol en weinig daerna stierf, zy zyn ook een goed muizen- en rattenvergift. Deze planten kunnen door het zaed in het voorjaer in de planthuizen, op teilen, gezaeid en ook door struik- en wortelscheiding en afzetsels vermenigvuldigd worden.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

P. Palmboom. – Pancratium. – Pandanus. - Panikkoorn. – Pantoeselbloem. – Papenbloem. – Papenhoed. - Papierbloem. – Passiebloem. – Pastinak. – Pauwensteert. – Peen. – Peerdensteert. Peerdsklauw. – Peerlzaed. – Peperboom. – Perenboom. – Peren van Japan. – Perzikboom. - Perzikkruid, – Peterselie. – Petunia. - Phlomis. – Phylica. - Pillenkruid. - Pimelea. - Pimpernel. – Pimpernootboom. - Pinckneya. - Pioen. - Pistacheboom. – Pitcairnia. – Pittosporum. - Plaenboom. - Platte ert.

– Platychilum. – Platylobium. - Plompen. – Pluimboom. – Podalyria. – Podocarpus. -Poelkruid. – Poelruite. – Poinciana. – Pokhout. – Pompoen. - Pontederia. - Populier. - Porei. Pourretia. – Porselein. - Prangwortel. – Priem. – Priemgras. – Prostranthera. – Pruimboom. – Psoralea. – Ptelea. – Pultenaea. – Purgeerkruid. – Pylriet. – Pynboom.

PALMBOOM, Busboom, in 't fransch Buis, in 't latyn Buxus, is onder de 18° klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Wolfsmelkplanten, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia tetrandria, éénhuizigen-viermannigen, planten wier geslachtsdeelen in onderscheidene bloemen zyn, maer die toch op denzelfden boom bloeijen. De Palmboom met altoosgroene bladen (Buxus sempervirens van Linnaeus), is een langlevend heester-houtgewas van ZuidEuropa, dat van over zeer oude tyden in België is bekend, ten alle kanten in de hoven, rond de boorden en als scheerhagen gekweekt, en door struikscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd wordt. Men vindt onder deze heestergewassen de smalbladige Palm (Buvus angustifolia), de balearische Palm (Buvus balearia van Willdenow) van de Balearische eilanden, en meer andere medesoorten, met breede bladen, die hier in de oranjehuizen, gelyk de heesterachtige Palm (Buxus suffruticosa), met bonte bladen, worden bevryd. De wortels, hout en bladen van den gemeenen Palmboom, met zyne altoosblyvende groene bladen, houden eene bezondere eigenschap in en bezitten de krachten van het Pokhout; zy zyn droog en samentrekkende van natuer, en worden gemeenelyk door afkooksel in de geneesmiddelen gebruikt; 5 of 6 decagrammen, in eenen liter water op de helft verkookt, is zeer dienstig, zegt Gabriël Grimaud, om voor de langdurige velziekte, koude zinkingen en de Venusziekte te gebruiken. Er wordt ook door de kunstscheiding uit die Palmboomen eene zekere olie getrokken, die voor de vallende ziekte en moederpyn zeer wordt geprezen en voor de tandpyn wordt gebruikt. Het schynt, volgens de oude overleveringen, dat dit gewas in onze tael den naem van Palm heeft verkregen, omdat men op Palmzondag de takken tot het maken van kransen en tot bewyding gebruikt, ter gedachtenis der intrede van onzen Zaligmaker Jesus Christus te Jerusalem, welke onze Kerk alle jaren op dien dag viert, want eerst, in de oude tyden, werd het Bosboom genoemd. Het hout van den Palmboom, dat zeer hard en digt is, glad bewerkt en een geelachtig kleur behoudt, wordt gebruikt om allerlei fraeije instrumenten van te maken, zoo als fluiten, haut-bois, zakpypen, doozen, kabinetwerken, kammen, lepels en vorken, en van de draeijers en schrynwerkers zeer geprezen. De gemeene Palmboom wordt hier te lande, om hagen mede te planten, door inleggers van de Jonge loten vermenigvuldigd.

PANCRATIUM, in 't fransch Pancratier, in 't latyn Pancratium, is van Tournefort onder zyne 9° klasse, 2° sectie der Lelieplanten gesteld; door Jussieu onder de familie van de Narcissebloem of Paeschlelie, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hevandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. Men vindt heden by onze bloemisten veel verscheidene soorten van die gewassen.

De antillische Pancratium (Pancratium caribaeum van Linnaeus) is eene langlevende, groote bloembolplant van de Antillische Eilanden, die met bladen van omtrent 30 centimeters lang groeit, en eenen schacht die alle jaren uit de bollen spruit en wel 50 centimeters hoog wast, bloeit hier in de lente en zelfs twee

III. 18

of driemael binnen het jaer in de warme serren, met veel schoone, witte bloemen, die eenen zeer zoeten aengenamen reuk verspreiden. De ambonsche Pancratium (Pancratium amboinense van Linnaeus) is eene langlevende bloembolplant van het eiland Amboina, die met schachten omtrent 40 of 50 centimeters hoog wast, met pylvormige bladstelen en groote bladen, bloeit hier in den zomer, met bloemtrosjes en zes of zeven witte, lange, gepypte bloemen, die in vyf of zes verdeeld zyn en eenen aengenamen geur hebben. De groote halsvormige Pancratium (Pancratium calathinum) van Zuid-Amerika, groeit met bloote schachten en lynvormige bladen, omtrent 50 centimeters hoog, en bloeit met twee bloote witte bloemen op de toppen, die lange gepypte halzen hebben en eenen lieflyken reuk verspreiden. De tweeryige Pancratium (Pancratium distichum) van Amerika, bloeit hier meest in den zomer met zes of zeven schoone witte bloemen, langs twee kanten aen de stengen verdeeld, die eenen zeer welriekenden zoeten geur hebben. De schoone hoogverhevene Pancratium (Pancratium speciosum van Redouté), de Pancratium amoenum en de Pancratium mevicanum van Willdenow, worden hier allen in de warme serren gekweekt en door bolscheiding vermenigvuldigd. De Pancratium maritimum van Linnaeus, en de Pancratium illyricum van Linnaeus, zyn langlevende, groote bloembolplanten die in Italië, Spaenje en elders veel aen de zeekanten groeijen, en hier in de bloemhoven, op de wyze van de Lelie worden geplant, alle jaren in de lente uit de aerde spruiten en in den zomer peerskleurige bloemen dragen. De inwoners van Spaenje noemen die planten Cebolla albarana, gelyk de Zee-Ajuin, die nogtans van krachten en smaek daeraen geenzins gelykt. De oude Kruidkenners noemden die planten ook Pancratium monspellensium en Asphodille van Montpellier. De inwoners van Spaenje en Languedoc houden die voor vergiftige en schadelyke planten, die zy nooit plukken, en zeggen dat de reuk der bloemen kan doen in bezwyming vallen, en voor degenen die ze eten, kwade gevolgen veroorzaken.

PANDANUS, in 't fransch Baquois, Vacoua odorant, in 't latyn Pandanus, is door Jussieu onder de familie der planten van een onzeker zetsel gesteld, en onder de 22e klasse van Linnaeus, Dioecia monandria, tweehuizigen-éénmannigen, die op eene plant al mannekens- en op de andere al wyfkensbloemen dragen. De welriekende Pandanus (Pandanus odoratissimus van Linnaeus) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Ceylan, dat hier om zynen welriekenden geur in de matige serren wordt gekweekt. De Pandanus utilis, is een nieuw langlevend boomgewas van Madagascar, dat met zyne wortels diep in de aerde schiet, en de groeizame krachten voor het voedsel des stams daeruit haelt; van onder zeer dik en naer boven langzaem dunner en spits wast, met stamomvattende bladen, die dikwils 2 meters lang en wel 20 centimeters breed groeijen, en op de boorden met roodachtige, puntige doorns zyn versierd; bloemt in de warme landen met steellooze bloeischeeden; de wyfkensbloemen zyn zonder kelkjes of kransjes en brengen vruchten voort. Deze planten moeten hier in de warme serren gekweekt worden, alwaer zy in potten hare groeikracht niet genoeg kunnen ontwikkelen om vruchten te dragen, zy worden meest door het ryp zaed dat men van het land harer afkomst verkrygt, in de warme serren gezaeid en door uitloopers vermenigvuldigd. Men vindt hier nog andere soorten by onze bloemkweekers, zoo als de Pandanus oeschymene en Pandanus polydosa, die in het jaer 1805, door M. Levingston, uit de Philippinsche Eilanden naer Europa zyn overgebragt, en waeruit men een zeer schoon rietpapier kan trekken en heden ook veel kunstbloemen maekt, die door de kunstbloemwerkers by voorkeur worden gebruikt, omdat zy beter haren stand en kleuren behouden. Het ware te wenschen dat men die schoone versierende boomen hier in de vrye lucht, gelyk in de warme landen kon kweeken; maer zy kunnen geene 6 graden koude wederstaen.

PANIKKOORN, Hirs, Milie, in 't fransch Panis, Millet, in 't latyn Panicum, is onder de 15e klasse, 3° sectie van Tournefort

« VorigeDoorgaan »