Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Frankryk en andere warme landen in de vrye lucht worden geplant, moeten hier, om wel te bloemen, tot in july in de matige serren by het glas verblyven. Het sap van de boomen, bloemen en bladen dier Oleanders, bezit een geweldig vergift, om de honden, ezels, muilen en meer andere viervoetige dieren te dooden. De schapen, geiten en andere kruidetende dieren kunnen aen die boomen niet wederstaen, en als zy alleenlyk de bladen eten of van het water drinken waerin de Oleanderbladen geweekt zyn, moeten zy er van sterven, want de Oleanders houden de krachten in van de Zwaluwwortel (Dompte-venin). In de oude tyden dopten de boogschutters de punten hunner pylen in dit sap, omdat de wonden daermede gemaekt, zeer doodelyk waren. De liefhebbers van deze planten moeten wel aendacht nemen dat by het kweeken dezer boomen, het sap dat in het snyden er uit vloeit en ook uit de bloemen en bladen druipt, geene wonden raekt, want het zou droevige gevallen kunnen veroorzaken en den mensch doen sterven. Dit sap wordt ook met syroop als vliegevergift gebruikt, waervan zy weldra sterven. In de warme landen worden de bladen veel in de bedsteden gelegd, om de vlooijen te dooden en de wandluizen te verjagen, en men ziet ook nooit aerdmuizen de Oleanders aenranden, want het sap bezit ook een hevig muizenvergift; de menschen moeten zich wel wachten van die boomen in hunne slaepkamers te plaetsen. Men vindt hier nog by sommige liefhebbers de volgende Oleanders : Merium coronarium, van den Hortus Kew., van de Indiën, Werium atropurpureum, W. luteum novum, W. Mabirii, M. multiflorum, W. pomponium, W. purpur.flora pleno, W. splendens, W. tinctorium, W. Ragonot, W. Duchesse d’Angoulême, IW. Henri de France, W. Du Sanglet, en zeer veel andere medesoorten die hier in de matige serren worden gekweekt, met allerschoonste bloemen de planthuizen versieren en allen op dezelfde wyze als de eerstgemelde vermenigvuldigd worden.

OLMBOOM, Olm, Ypenboom, in 't fransch Orme, Ormille, in 't latyn Ulmus, is onder de 20° klasse, 3e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der boomen die met katjes bloeijen, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, boomen die met vyf meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben. De Veld- of gemeene Olmboom (Ulmus campestris van Linnaeus) is een langlevend groot boomgewas van Europa, dat in België en elders ten alle kanten in de bosschen en velden wast, en waeronder men heden de vette Olmen vindt, gelyk den Ulmus suberosa van Willdenow, die met roodachtige katjes bloeit, den Ulmus effusus van Willdenow, den Ulmus americana van Linnaeus, en den kleinen Olmboom (Ulmus pumila van Siberiën), die heden allen in België worden gekweekt. Deze boomen zyn van eenieder te wel bekend om geheel hunne gedaente van groeijen, met hunne bladen en bloemen te beschryven. Zy groeijen schielyk en zeer groot op, en in onze lage, vochtige gronden wassen zy boven alle andere soorten van boomen. Ik zal enkelyk de wyze van die voort te kweeken met hunne nuttige deugden beschryven. De Olmboomen kunnen zeer wel onze koude winters wederstaen en vermenigvuldigd worden door het zaed, welk men gemeenlyk in het voorjaer op bedden, in de hoven of akkers zaeit en met 4 of 5 centimeters aerde bedekt. Nadat de jonge plantsoenen twee of drie jaren oud geworden zyn en men de peenwortels gekort heeft, plant men die in de kweekery, 80 of 90 centimeters van elkanderen, en koestert die tot dat zy groot genoeg zyn om elders op eene verblyfplaets te planten. Hoewel men door het zaeijen van de Olmen ook medesoorten kan bekomen, worden zy alhier te lande meest door inleggers van jonge plantsoenen in het voorjaer vermenigvuldigd, hetgeen op de volgende wyze kan geschieden: men neemt de schoonste boomkens van de vette Olmen en legt alle de takken te gronde, by middel van eenen haek, waermede men den stam doet buigen en tevens de takken ter neder brengt, dan maekt men aen de hiertoe bestemde takjes eenige kerfkens en dekt ze met aerde, zorgende van het uiterste einde bloot te laten, en daertegen een daertoe geschikt steunstokje regt te zetten, als men die gedurende de zomerhitte nu en dan behoorlyk besproeit, schieten al die telgen wortel. Dit is de voordeeligste handelwys om op korten tyd de kweekplaetsen te versieren, en men scheidt ze na een of twee jaren van den moederboom om ze in de kweekery te verplanten.

De Olmboomen worden in België veel rondom de landen, velden en wegen geplant, en schieten hunne wortels dik en diep in de aerde, zonder veel zywortels te maken. Het hout van de Olmboomen is roosachtig van kleur, zeer hard, taei en fyn van draed, en derhalve wordt het hier zeer geacht en van de wagenmakers, molenwerkers en voor affuiten van kanonnen gebruikt; insgelyks tot kabinetten, tafels, stoelen en veel andere huislyke dingen bewerkt. In sommige landen, waer de weiden voor het vee schaers zyn, worden de Olmbladen als hooi gedroogd, om 's winters de koeijen, schapen en geiten mede te voeden, die er veel melk van geven; de koeijen die hier in den herfst de bladen eten, die van de boomen vallen, geven zeer smakelyke boter. De Olmboomen zyn alleen schadelyk aen de biën. Het zaed wordt van de hoenders en ander pluimgedierte gretig gezocht en gaerne geëten; zy worden er zeer vet van. De bladen der Olmboomen klein gestooten, heelen en genezen de versche wonden, en met azyn gestooten, genezen zy de schurftheid. Deze boomen zyn ook nuttig in de geneeskunde, want de middenste schors met boomolie gekookt, geeft eene zeer goede wondolie, om allerlei versche wonden te genezen. Hiertoe dient ook, en zelfs nog beter, het vet of balsemachtig vocht, dat men in de blaesjes vindt, die men dikwils op den rug der bladen van deze boomen ziet, als men de moeite wilt nemen van dit vocht te vergaderen, kan dit balsemachtig sap drie jaren zonder bederven bewaren; het wordt zeer geprezen om de breuken der kinderen mede te genezen, maer die blaeskens moeten in juny vergaderd zyn, eer de kleine wormpjes die doorsteken. De Olmen werden ook in de oude tyden Ipenboomen

genoemd.

OLYFBOOM, in 't fransch Olivier, in 't latyn Olea sativa, is onder de 20° klasse, 2° sectie, der éénbloembladige boomen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Jasmynen, en onder de 2e klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, boomen die met twee helmstyltjes of stuifdraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Olyfboom (Olea europea van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Zuid-Europa en Azië, dat in de warme landen tamelyk hoog groeit, met veel takken, breed verspreid, en vele langachtige, harde, smalle, lansvormige, witachtige bladen, bloeit meest in juny, met witte bloemen, druif- of troswyze op de takken verspreid, die vruchten of olyven voortbrengen, welke eerst langwerpige, langs buiten groenachtige beziën zyn; maer als zy ryp geworden zyn, zwartachtig en van binnen met een vet sap vervuld zyn, en in haer midden elk eenen harden kernsteen hebben. Dit sap wordt uit de rype beziën geperst, en gemeenlyk olyfolie en boomolie genoemd. De olyfvruchten worden in de warme landen maer in november ryp, en de boomen kunnen geene tien graden koude wederstaen of zy vervriezen geheel tot aen de wortels, derhalve worden zy in de warme gewesten van Italië, Spaenje, Zuid-Frankryk, Griekenland en de daerby liggende eilanden gekweekt, en groeijen gaerne aen de kanten der Middelandsche Zee, want vyftig mylen van daer willen zy niet meer groeijen, of ten minste geene vruchten meer dragen, Deze boomen worden door het kernzaed wel gezaeid, maer wachten gemeenelyk zeven of acht jaren eer zy vruchten geven; daerom worden zy meest door inleggers in die warme landen vermenigvuldigd, en door uitloopers die aen den voet der oude boomen schieten, voortgekweekt. De Olyfboomen worden ook in de koude luchtgesteldheid op teilen gezaeid en in de planthuizen 's winters bevryd, maer brengen hier geene vruchten voort. De onrype Olyven zyn koud en samentrekkend van aerd en matig warm van krachten; zy worden met de spyzen gebruikt en met zout opgelegd, versterken de werking der maeg, verdroogen de vochtigheid en zyn zeer nuttig voor degenen die veel zeeveren en spuwen; zy verwekken den eetlust en nemen het walachtige der spyzen weg. De jonge takjes en bladen zyn ook samentrekkend van naluer, en goed om op de zweringen en brandpuisten te leggen. De olie van de geheel rype Olyven is matig warm en aengenaem van smaek; zy kan langen tyd bewaren, heeft meer kracht om te doen verteren en de borst te verzachten, en wordt by voorkeur met de spyzen en als samentrekkend middel in verscheidene kwalen en ziekten gebruikt. Eindelyk de olyfolie bezit zoovele krachten en wordt op zoo velerlei wyze gebruikt, dat men daerover een geheel boekdeel zou kunnen schryven; derhalve zal ik overgaen tot het beschryven van de uitheemsche Olyfboomen, die om hun schoon gewas en bloemen hier in de matige serren worden gekweekt. De Olyfboom van Amerika (Olea americana van Linnaeus) is een langlevend boomgewas, dat met eenen regten stam, in het land zyner afkomst, wel 4 meters hoog groeit, zeer getakkeld, met geheel gladde, lansvormige bladen, en hier meest in de matige serren in mei bloeit, met zeer welriekende gele bloemen, die blauwachtige vruchten voortbrengen. De verhevene Olyfboom (Olea excelsa van den Hortus Kew.) is een langlevend boomgewas van het eiland Madera, dat getakkeld wel 4 of 5 meters hoog wast, met bloemen van weinig belang, maer zeer schoone, donkergroene bladen, die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden; hy wordt derhalve in Spaenje en Portugael veel in de lusttuinen en engelsche hoven geplant. De welriekende Olyfboom (Olea flagrans van Thunberg) is een klein boomgewas van Japan, dat maer omtrent 2 meters hoog wast, met dunne en zwakke takken en altoosblyvende, groote, eivormige bladen, bloeit meest in july, met trosjes en kleine witte bloempjes, die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden en veel worden gebruikt om den thee en sommige liqueuren eenen lieflyken reuk te geven. Onze bloemisten kweeken hier nog den Olea emarginata, van Madagascar, wit op de randen der bloembladen geteekend; den Olea undulata, den Olea capensis, van de Kaep; den Olea salicifolia en den Olea divaricata, die hier allen in de matige serren of oranjehuizen worden gekweekt, en door het zaed of in

leggers, op de wyze van de eerstgemelde Olyfboomen, worden vermenigvuldigd.

III. - 17

« VorigeDoorgaan »