Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

voortgekomen; de voldoenste aenmerking die ik hier tot voorbeeld kan aenhalen, is uit het uitnemend goed werk van M. den doctor Roques, onder den naem van Phytographie française, Fransche Plant- of Gewasbeschryving, verschenen, waervan het tweede deel in 1840 is uitgegeven, en waerin hy zegt, dat hy somtyds het uittreksel van het Nieskruid met kwik en solfer heeft gemengd, en na eene bloedlating gebruikt om de zinnelooze menschen te helpen en ylkoortsachtige ziekten te bestryden; hy raedt ook het Nieskruid aen tegen de waterzucht, en schryft de volgende wyze voor om die plant te gebruiken : Neemt eene once versche Nieskruidwortels en eene handvol Byvoet of Alsem, laet dit in een liter wyn of bier wel weeken, en daervan eenige dagen een of twee koffy kopjes ingenomen, kan de hardnekkigste afgaende koortsen verdryven.

Het zwart Nieskruid wordt inzonderlyk van de veeartsen en paerdenmeesters ten platten lande by voorkeur gezocht, omdat het schynt nog scherper van krachten dan het winter- en het groen Nieskruid te zyn.

NIESWORTEL, Onzer Vrouwen Voorschoot, Witte en Zwarte Nieswortel, in 't fransch Ellebore blanc, Varaire, in 't latyn Veratrum, is onder de 6e klasse, 6° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Rietplanten, en onder de 23e klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtigenéénhuizigen.

De witte Nieswortel (Veratrum album van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Zwitserland, die met bolachtige, gevezelde wortels en eenen stengel die alle jaren uit de wortels spruit, omtrent 25 centimeters hoog wast, en met steellooze, groole bladen, die in vyf of zes verdeeld, de stengels omvatten en aen de Wegbreebladen gelyken, maer op de wyze van de groole Gentianebladen zyn geploeid, bloeit meest in den zomer, met witachtige bloemen, troswyze geschikt, met vyf of zes bloemblaedjes en zes meeldraedjes, die zaedhuizen met witte zaedjes voortbrengen.

De zwarte Nieswortel (Veratrum nigrum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Siberiën, die wel aen de eerstgemelde gelykt, maer met grootere bladen groeit en groenachtigere bloemen draegt. De gele Nieswortel (Veratrum luteum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Noord-Amerika, ook met steellooze bladen aen de stengels en trosvormige gele bloemen. Alle deze planten bloeijen meest in augusty, worden door het zaed en bolscheiding vermenigvuldigd, en kunnen zeer wel onze koude winters wederstaen. Zy worden hier meest om hare schoone bloemen gekweekt, want ten eerste, de witte Nieswortels zyn zeer gevaerlyk, en door het groot geweld hunner krachten, kunnen zy dikwils de dood verhaesten in stede van betering te verschaffen, die wortels zyn zoodanig geweldig van krachten, dat zy in poeijer, of het sap daeruit gehaeld, met gerstemeel en honig gemengd, of met vleesch en suiker gekneed, een goed middel zyn om de ratten en muizen te dooden, hetgeen ik door ondervinding kan verzekeren. De kwakzalvers bedienen zich somtyds van die wortels die zoo doodelyk zyn, zonder dat zy er de gevaerlyke krachten van kennen, waerdoor zy de zieken, in plaets van ze te genezen, doen sterven. Zy mengen die Nieswortels met Marjoleinebladen fyn in poeijer gestampt, om de menschen sterk te doen niezen, hetgeen ook kwade gevolgen kan veroorzaken. De witte Nieswortel in poeijer met honig of syroop gemengd en op een schotel geroerd, doet de muggen en vliegen sterven, allen die daervan eten moeten zwellen en bersten. Witte Nieswortels met looge gezoden, zyn zeer goed om de luizen en meten te dooden, als men de kleederen daerin wascht of het hoofd daermede zuivert. De zwarte Nieswortels zyn ook scherp en inbytende van krachten, en worden van de veeartsen als buikzuiverend middel, om de paerden van de snot te zuiveren, met andere geneesmiddelen gemengd. Sommige duiven-liefhebbers mengen het poeijer van die Nieswortels met tarwe, om de vreemde duiven die naer hun kot komen te vangen, als die daervan eten vallen zy in zwymeling, zoodanig dat men ze dan met de hand kan vangen. De Nieswortels worden ook in het vel op de borst der paerden en andere dieren gesteken, om al de waterachtige gebreken der borst te genezen.

NOTENBOOM, Okkernootboom, Notelaer, Woudnootboom, in 't fransch Moyer, in 't latyn Juglans, is onder de 19° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met katjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Terpentynboomen, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, éénhuizigen-veelmannigen.

De Okkernootboom (Juglans regia van Linnaeus) is een boom van Persiën, die in België aen den grond is gewend, en ten alle kanten in Europa wast; hy begeert van natuer eenen droogen, vruchtbaren grond, en een opene, vrye lucht, want in vochtige, zandachtige en natte styve kleigronden wilt hy niet wel aerden, hy kan onze winterkoude vry wel tegenstaen, en als de oude boomen beginnen drooge takken te krygen, moet men die kandelaren, hetgeen in october moet worden verrigt, want als men die in het voorjaer afsnoeit, verliezen die boomen te geweldig veel sap, hetgeen hen doet kwynen en versterven. Derhalve moet men zooveel mogelyk de wonden van de Notenboomen met griffellak bedekken. Deze boomen, om veel vruchten te dragen, moeten in dreven en buiten de hoven op opene plaetsen worden geplant, want door hunne lommerryke groote kroonen, benemen zy de kracht van alle omstaende gewassen. De voortteeling dezer boomen geschiedt hier meest door de Noten, die men in den winter onder het zand in eene matige plaets te meuken zet en met de lente plant. De Noten van die boomen voortkomende dienen tot spyze en worden veel versch gebruikt, zy zyn zeer smakelyk om een glas wyn mede te drinken, zyn voedzaem en maken, versch geëten, goed bloed. Er bestaet in 't latyn een oud spreekwoord, dat zegt : post pisces nuces, post carnea caseus adsit, hetgeen in onze tael bediedt : na den visch moet men noten, en na vleesch kaes eten.

Volgens sommige schryvers zyn de Noten een behoedmiddel tegen pest en andere besmettelyke ziekten, als zy met wyn en ruitebladen, vygen en zout dikwils geëten worden. Er wordt ook veel goede olie uit de Noten geperst, die tot allerlei gebruiken dient, zoo wel voor brandolie als om de spyzen te bereiden, hoe verscher zy wordt gebruikt, hoe smakelyker die is, zy wordt somtyds in Zuid-Frankryk, Italië en elders, alwaer die Noten veel groeijen, met olie van de Olyfboomen gemengd, die zy door haren zoeten smaek wel verheft, maer hetgeen men zeer ligtelyk kan bemerken, met enkelyk eenen vinger in de olie van olyven te steken, die door de natuerlyke warmte der menschen aen den vinger smelt en er van afdruipt, en zoo de Olyfolie met Notenolie of andere is vervalscht, zal de laetste druppel zwartachtig schynen. De drooge notekerns geven ook veel olie, die door de fynschilders wordt gebruikt; zy is ook zeer goed om op de liesbreuken en gescheurdheid der menschen en kinderen te leggen, welke eenige dagen daermede bestreken, zachtjes genezen, maer de drooge Noten geëten, zyn hard om verteren en nadeelig aen de flauwe magen. De groene, onrype Noten worden ook wel met suiker gekonfyt om in de keuken te gebruiken, welke konfytuer een zeer aengenaem middel is om de maeg en hart der zwakke en zieke menschen te versterken. De buitenste groene bolsters en schillen van die noten worden heden alle jaren groen opgekocht en vergaderd om tot verw te bereiden en allerlei stoffen mede te verwen, waeraen zy een schoon bruinachtig kleur verschaffen, en waervoor die boven alle andere verw den voorkeur verdienen. Het hout en wortels worden van de schrynwerkers, draeijers en meubelmakers zeer gezocht om allerlei schoone bruinkleurige meubels mede te maken. De oude schryvers en sommige menschen van dezen tyd, die, zonder eene ware kennis te zoeken, maer veeltyds babbelen, zeggen dat de Notenboomen beter vruchten dragen wanneer zy in den herfst, by het afdoen der rype Noten, braef met lange stokken geslagen worden; waeruit die onbeschaefde latynsche verzen by de Ouden ontstaen zyn : Nuar, Asinus mulier simili sunt lege ligata; Naectria nil fructus faecunt, si verbera cessans, maer niettegenstaende die onstichtelyke woorden, zullen die slagen den Notenboom geenzins vruchtbaer maken, als hy niet met zorg en op eene goede standplaets gekweekt wordt.

WYFTIENDE HOOFDSTUK.

- (TD. Oleander. - Olmboom. – Olyfboom. – Onderhage. – Onzer Lieve Vrouwen Bedstroo. – Onzer Vrouwenschoen. – Oogentroost. Ooijevaersbek. – Oranjeboom. – Orego. – Orellanboom. – Ossen

oog. - Ossentong. – Othonplant.

OLEANDER, Oleanderboom, Rooze-Laurier, in 't fransch Laurier-Rose, Merion, in 't latyn Werium, door Tournefort onder zyne 20° klasse, 5° sectie gesteld, der boomen die roosvormige bloemen dragen, door Jussieu onder de familie van de Hondendoodplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De gewone Oleander (Werium oleander van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van de Oost-Indiën, dat hier in de planthuizen wordt gekweekt, en heestergewys, getakkeld groeit, met lansvormige, puntige, donkergroene bladen, bloeit hier meest in juny, met zeer lieflyke, schoone rooskleurige bloemen, op de toppen der bloemstelen, die scheef hangen, en blaesachtige zaedhuisjes met wolachtige bekroonde zaedjes voortbrengen. Men heeft er door het zaeijen verscheidene medesoorten van verkregen, die witte, bleekrooskleurige en roosachtige vleeskleurige bloemen dragen, en ook sommige die geschakeerd zyn; zy hebben den geur van de Vanille. De welriekende Oleander (Nerium odorum van Willdenow) is een langlevend heester-boomgewas van de Indiën, dat hier ook in july met allerliefste roozebloemen bloeit, en waervan men door het zaed ook schoone dubbele en enkele witte en bleek rooskleurige heeft bekomen. Zy worden hier op de wyze van de Guichelaersbloemen gezaeid, maer meest in ons klimaet vermenigvuldigd door inleggers en aftelsels, die zelfs in het water wortel vatten, als men de jonge afgesnedene loten in eene fles met water steekt. Die Oleanders welke in Italië, Zuid

« VorigeDoorgaan »