Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

naeus, Monoecia tetrandria, éénhuizigen met vier meeldraedjes. De gedaenten van de Netels, die in België wassen, zyn van eenieder te wel bekend, om hier geheel hunne wyze van groeijen, bladen en bloemen te beschryven. Daerom zal ik hier enkelyk de namen melden : de Steen-Netel (Urtica pilulifera van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Zuid-Europa, die in België veel op de muren en steenhoopen wast, de scherpbytende Netel(Urtica urens van Linnaeus) is ook maer eene éénjarige plant, die veel in België in de velden, tuinen en hoven wast, de heete Netel(Urtica dioica van Linnaeus), waervan de eenen mannekensen de anderen wyfkensbloemen dragen, is eene langlevende plant van Europa, die in België ten alle kanten in de hagen, bosschen en velden wast; zy heeft den naem van Urtica bekomen uit 't latyn Uro, dat in onze tael brandend beteekent. Het is uit deze Netel dat het scherpzuer sap komt, welk men tot verhitting op het vel der lamme menschen legt. Het zaed van die Netels, met azyn en mostaerd papsgewyze op de lamme leden, alwaer de pyn hevig is gelegd, maekt die leden slap en doet de pyne verdwynen. De gemeene landlieden drinken de jonge toppen van die Netels als thee, en koken de bloemen en zaed om den witten vloed te stelpen. Men kan ook uit die Netels eenen draed trekken die op de wyze van den Kemp tot het spinnen wordt bereid, om koorden, pakdoek en allerlei provisie-zakken mede te maken. De groote Netel of roomsche Brandnetel (Urtica baccifera van Linnaeus) is een langlevend houtachtig kruidgewas van Amerika, det hier en elders in de kruidhoven wordt geplant, het heeft hollige stengels en hartvormige, getande bladen, die geheel ruw en met zeer scherpstekende, haerachtige of ruwe brandende wolle zyn bedekt; de wyfkensplanten brengen met haer bekleede beziën voort, en geheel deze plant is met zoodanige brandende haertjes bedekt, die pylachtig scherpstekend zyn, dat zy by het aenraken, terwyl de zon 's middags schynt, den mensch hevig kan doen in bezwyming vallen. De kempachtige Netel (Urtica cannabina van Linnaeus), die in Noord-Europa wast, wordt veel van de inwoners der noordsche landen vergaderd, en op de wyze van den Kemp bereid om eenen draed mede te spinnen, koorden te maken en stoffen te weven. De Urtica capensis, van Linnaeus, groeit veel in Afrika, Egypten en elders, de Urtica novea van China, met de Baccifera, moeten hier 's winters in de matige serren worden bevryd. De Urtica stimulans van Linnaeus, groeit veel in het eiland Java en elders in de Indiën. Het schynt dat elk land zyne Netels heeft, die uitwendig eene heete en stekende kracht hebben, en nogtans inwendig genomen, een verkoelend middel schynen te bezitten; het zaed bezonderlyk is warm en droog tot in den tweeden graed. Dit zaed met azyn in plaesters bereid, is zeer goed tegen alle kwade, inetende, kankerachtige zeeren; men maekt ook eene wonderbaer goede plaester tegen het sciatica, de heuppyn en jicht aen de voeten, met eene handvol Netelbladen en twee handvollen wilde Vlierbladen, die men, te samen gestooten, ter plaets alwaer de pyn is, legt. Eindelyk de jonge toppen van de Netels, met gepelde Gerst gezoden en gedronken, zuiveren de borst, doen al de taeije slymen lossen en dryven de pisse en steen van de nieren. De Urtica frutescens en de Urtica japonica van Linnaeus, die in de Oost-Indiën veel wassen, worden op de wyze van hier het Vlas in het water geroot en bereid om lynwaed en andere stoffen te maken; zy worden in de Indiën Coa genoemd, als of men koopwaren wilde zeggen. Men vindt weinige planten die in alle landen zoo gemeen zyn als de groote Netel, Urtica dioica, nogtans zyn er weinig die zoo een uitgestrekt nut inhouden. De stengen vóór hunne volkomene opdrooging afgemaeid, het is te zeggen, wanneer zy beginnen een geel kleur te verkrygen en de bladen verslensen, en dan op de wyze van den Kemp of Vlas geroot en bewerkt, geven eenen goeden draed, om linnen of ten minste koorden mede te maken. In Zweden worden er schier geene andere koorden gebruikt. De Egyptenaren trekken uit die Netel eenen zeer fynen draed, waermede zy goed lynwaed bereiden, zy maken met het zaed eene klaerbrandende olie. De opsteller van de derde reize Van Cock, verhaelt dat de inwoners van Kamtschatka zonder die Netels niet zouden kunnen blyven bestaen; zy maken daervan hunne vischnetten, hunne koorden en garen om hunne klee

P

deren te naeijen, en spinnen die, tot het maken van linnen, by de lange wintersche avonden. De Netel is ook een uitmuntend goed voedsel voor de kruidetende dieren, bovenal voor de koeijen die er veel melk en goede boter van geven, en opdat de haertjes in den muil van die dieren niet zouden steken, laet men de Netels eerst in de lucht verslensen of verwelken; in de stallen onder de beesten gestrooid, maken zy ook goede vette.

NETELBOOM, in 't fransch Micocoulier, in 't latyn Celtis, is onder de 21° klasse, 2° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der boomen die met katjes bloeijen, en onder de 23° klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtigenéénhuizigen. De zuider Netelboom (Celtis australis van Linnaeus) is een groote langlevende boom, die in de warme landen van Italië en Frankryk wel 15 meters hoog wast, met veel lange, gebogene takken, blinkende schors en groene, eivormige bladen, die byna aen de Olmboombladen gelyken, maer niet bekachtig uitgesneden zyn; bloeit veel in april, met katjes, die vruchten met zwartachtige drooge zaedjes voortbrengen. De west-indische Netelboom (Celtis occidentalis van Linnaeus) is een langlevende boom van Virginië, die nog hooger groeit, met blinkende, effene, ruwe bladen, en meest in mei bloeit, met trossen en kleine groenachtige bloempjes, die schoone roode beziën op de wyze van Krieken voortbrengen. Men vindt nog van die Netelboomen den Celtis cordata, van Desfontaines, en den Celtis crassifolia, van Lamarck, die van Noord-Amerika komen, en zeer schoon met gewolde stammen en takken wassen, met veel lange, hartvormige, zachte, groene bladen, die zeer lommerryk versieren. De oostersche Netelboom (Celtis orientalis van Willdenow), en de Celtis Tournefortii groeijen maer omtrent 6 of 7 meters hoog, getakkeld, met zeer breede, eivormige bladen. Men kweekt ook den Celt is chinensis, van China, en andere soorten van Amerika, die al onze koude winters zeer wel kunnen wederstaen, en waermede men heden in Frankryk, Engeland en elders veel de bosschen en ryen beplant. Het hout van deze boomen, dat zeer taei en hard gesloten is, wordt van de kunstwerkers veel gezocht om alle slach van fraeije meubelen mede te maken; het voegt zich ook zeer wel tot het draeijen. Deze boomen kunnen door het zaed

-- vermenigvuldigd worden, men zaeit die gemeenelyk hier op goede wel bewerkte gronden en vochtige aerde, en bevrydt ze de eerste drie of vier jaren 's winters met dorre bladen, om van daer in eene kweekery te verplanten.

NIESKRUID, Sneeuwklokken, in 't fransch Ellebore, in het latyn Helleborus, is onder de 6e klasse, 5e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de Ranunkels, en onder de 13e klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmigen met veel stampertjes. Het winter Nieskruid (Helleborus hiemalis van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Italië, die in België in de bloemhoven wordt gekweekt, en groeit met gepypte stengels, omtrent 25 of 30 centimeters hoog, bladen aen de wortels en stelen met zaedvliezen, waerop in maerte de bloemen groeijen, die enkel, met vyf bloembladen en twee bloemlipjes in de honigkelken, groenachtig geel van kleur zyn, en regtgebogene zaedhuisjes met veel zaedjes voortbrengen. Het zwart Nieskruid (Helleborus niger van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van de Alpische gebergten, die hier gemeenelyk Kersdagbloem wordt genoemd, en met vingervormige, dikke bladen en stengels van 20 centimeters hoog wast, bloeit van in december tot maerte, met groote, enkele bloembladen, die wit en rooskleurig zyn geteekend; zy wordt in de volkstael Sneeuwklokken genoemd. Het groen Nieskruid (Helleborus viridis van Linnaeus) groeit veel in Frankryk in de gebergten, de Helleborus foetidus, van Linnaeus, groeit in België omtrent Namen en Luik in de bergen en bosschen, de Helleborus lividus van den Hortus Kew., groeit in Corsica, en de Helleborus trifolius van Linnaeus, komt van Siberiën en van Amerika. Alle deze planten worden hier in den kruidhof der Hoogeschool gekweekt en meest door struik- en wortelscheiding vroeg in den herfst vermenigvuldigd.

Het winter Nieskruid (Helleborus hiemalis) werd in de oude tyden als braekverwekkend en buikzuiverend middel gebruikt, om de zotte en krankzinnige menschen te helpen. Het groen Nieskruid (Helleborus viridis), dat meest van krachten aen het oud Nieskruid gelykt, bezit een zeer geweldig buikzuiverend en een bezonder braekverwekkend hulpmiddel, dat door de oude geneesheeren veel werd gebruikt. Persius, in zyne schimpdichten, spot met de onwetendheid der doctoren die het Nieskruid voorschryven zonder er eene bezondere kennis van te hebben. De vermaerde Ovidius heeft ook eenige latynsche verzen aen dit kruid toegewyd, en zegt dat het Nieskruid van Anticyra in Griekenland, by de oude volkeren zoodanig was bekend, om de krankzinnige menschen te genezen, dat het algemeen spreekwoord was, als een mensch zwak van geest of in de hersenen ziek was, dat men hem moest naer Anticyra zenden, om door het Nieskruid gezuiverd te worden. Eene plant van zulk groot belang kon by een zoo bygeloovig volk als de Grieken in de oude tyden waren, niet zonder eenige plegtigheid verzameld worden. Theophrastes en Dioscorides hebben al de voorzorgen en de wyze om het Nieskruid in de ziekten te gebruiken, beschreven en voorgesteld, hetgeen Plinius letterlyk heeft nageschreven en getrouwelyk verhaelt. Alles hangt af, zegt de doctor Pelletan, zoon, van de kennis om het Nieskruid met mate te nemen en de krachten te verdeelen, als men dit voor braekmiddel of buikzuivering aen de zieken voorschryft, in de voorgaende tyden, zegt hy, werd het Nieskruid byzonderlyk voor de ziekten gebruikt, die men heden zenuwziekten, mansziekten, vallende ziekte, miltzucht, geraektheid en watervrees noemt, en ook om de hersenen der krankzinigen te herstellen; maer de hedendaegsche geneeskundigen hebben het gebruik dezer planten geheel verworpen. Nogtans kan men hare heilzame krachten niet in twyfel trekken, zonder kleinachting voor de oude hoogvermaerde geneesheeren en kundige mannen van het oud Griekenland, van waer de eerste kennissen in de geneeskunde en de beschryving van de krachten der planten zyn

« VorigeDoorgaan »