Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

levende bloembolplant van België, die uit het zacd is gesproten en zeer vroeg in de lente bloeit, met schoone, dubbele, gele honigkelken en sulferachtige, gele bloembladen, waeronder men medesoorten vindt die witte bloembladen en gele honigkelken hebben. De Narcisse die eenen muscusreuk inhoudt (Narcissus moschatus), is eene groote bloembolplant van Spaenje, die met lange, gepyple honigkelken hier in april bloemt, en waervan de Warcissus gouani eene medesoort schynt te zyn. De Dichters-Narcisse (Narcissus poeticus van Linnaeus) is eene schoone bloembolplant van Zuid-Frankryk, die met dubbele witte, welriekende bloemen hier meest in mei bloeit, en waeruit men door het zaed verscheidene medesoorten heeft verkregen. - Ovidius heeft deze plant met de volgende latynsche verzen vereerd. Iste egosum; sensi, nec me mea fallit imago : Uror armore mei, flammas moveoque feroque. De Narcissus pseudo-narcissus van Linnaeus, is eene langlevende bloembolplant van Europa, die in België op sommige plaetsen in de bosschen en elders wast, met gele, enkele bloemen, meest in mei bloeit en ook in de bloemhoven wordt geplant. De onvergelykbare Narcisse (Narcissus incomparabilis van Curtis) is eene bloem-bolplant van Zuid-Europa, die met allerschoonste dubbele, gele en witte bloemen bloeit, waeruit door het zaed verscheidene medesoorten zyn gesproten. De Narcissus jonquilla van Linnaeus, is oorspronkelyk van Spaenje, en bloeit hier in mei, met hooggele bloemen, waeronder men ook enkele vindt, die eenen welriekenden geur inhouden. De Narcissus calanthinus is van Portugael, de W. orientalis, van de Oost-Indiën, de W. odorus en de W. bulbocodium van Linnaeus, zyn van Zuid-Europa. Uit deze en meer andere soorten hebben de bloemkweekers in de Nederlanden en hier wel 30 medesoorten door het zaed verkregen, waeronder men op hunne bloemlysten de volgende namen bemerkt : de Narcissus galisthene, die met zeer schoone, dubbele, witgespikkelde bloemen in mei bloeit, de Narcissus oranjepheniv, met gele, oranje dubbele bloemen, Narcissus grand monarque, W. état général, W. favorite van Bulink, W. Minerve, W. grand sultan, met zeer lieflyke, witte en hoog oranjebloemen, de Narcissus soleil d'or, met allerschoonste gulden bloemen, Narcissus gloria mundi, met groote dubbele, witte bloembladen, hoog gele honigkelken en oranje stofdraden; Narcissus multiflore, M. des prés, en veel andere die ook in Frankryk, Duitschland en Italiën in 't wilde groeijen, in de bloemhoven worden geplant, door bloembolscheiding en door het zaed vermenigvuldigd worden, en ook in sommige streken van België, Tydloozen en Jenetjes worden genoemd. De Narcisse die in de meerschen groeit, en welker bloemen eenen flauwen geur inhouden, wordt door de kunstscheiders in het bloeijen vergaderd, om er door het overhalen eene gele gom uit te trekken, en voor sommige ziekten gebruikt, maer deze gomachtige stoffe, zegt de doctor en Leeraer Roques, bezit een vergiftig, zuer, slaepverwekkend middel, en een weinig te veel er van ingenomen, zal niet missen op den mensch een vergiftigend uitwerksel te veroorzaken. De Narcissen bezitten ook een doodelyk vergift voor alle de dieren, inzonderheid voor de honden, gelyk de kundige Orfila, in zyne verhandeling over de vergiften in 't algemeen, Toxicologie générale, 2 deel, bladz. 86, kenbaer maekt, en door ondervinding bewyst, dat de Narcissen in al hare deelen een brandend, inbytend vergift inhouden, welk niet lang wacht te werken, en eene spoedige dood kan veroorzaken, indien men er enkelyk eenige greintjes te veel van inneemt, maer nogtans, zegt hy verder, als dit doör eenen ervaren doctor, met verzigtigheid wordt gebruikt, houden zy een braekverwekkend middel in, dat op de gesteldheid der zenuwen en spieren der maeg schynt te werken, op de holachtige wonden gelegd, zyn de uitwerksels nog krachtiger. De doctor Dufresnoy, van Valencyn, schryft dat hy met de Narcissen, die omtrent Valencyn, in de meerschen en bosschen groeijen, vele proeven heeft gedaen, dat hy die met groot voordeel heeft gebruikt tegen de stuipziekte en kinkhoest der kinderen, en er eenen goeden uitslag heeft mede bekomen. De heeren doctors Armet en Waltecamps verhalen ook, dat zy de Narcisse die in de meerschen groeit, in poeijers met syroop hebben bereid, en daer van eene kleine dosis van 12 greintjes aen de jonge kinderen, die met stuiptrekkingen en kinkhoest waren gekweld, met groot voordeel hebben gegeven, dat die kinderen door eene hevige uitbraking, veel slym en etterachtig stof, die op de borst waren vergaderd, hebben overgegeven, en op korten tyd geheel hersteld waren. Voortyds werden de bloembollen van de Narcissen en het kruid te samen gekneed, en uitwendig op de gezwollene borsten der kraemvrouweu gelegd. Die bloembollen met gerstemeel of lynmeel bereid, zyn zeer dienstig om op de verharde zweren en gezwellen te leggen, en doen die op korten tyd zonder pyn uitbreken, zy trekken ook alle splinters uit die in de wonden blyven steken, maer de bloemen van de Narcissen in potten, of versch geplukt als bloemruikers in de huizen of beslotene kamers in het water gezet, zyn aen de menschen zeer nadeelig, want de reuk alleen kan hun schielyk van gevoelen berooven, den pols doen verdwynen en gevaren veroorzaken, inzonderlyk als men 's nachts in eene kamer slaept waer die bloemen zyn, kan de reuk zeer gemakkelyk den mensch doen verstikken en schielyk van gevoel en beweging berooven, hetgeen men dikwils in de dagbladen heeft bemerkt en waervan de doctor Remer, lid der geneeskundige faculteit van Parys, ook verscheidene droevige voorvallen bekend maekt, in een klein boekdeel over de tegen vergiftige middelen geschreven. Eindelyk de Alchimisten plegen uit die bloemen een water te trekken, dat zy gebruikten om voor de vallende ziekte en beroerdheid, het hoofd der zieken te wasschen. Volgens de oude Fabelkunde heeft de Narcisse haren naem verkregen, naer eenen zeer schoonen jongeling, Narcissus geheeten, die zyne eigene gedaente in het water eener fontein gezien hebbende, daerop verliefd werd, meinende dat het de gedaente van eene jonge vrouw was, die in 't water woonde, en door het groot verlangen naer dezelve tot eene tering gekomen, en van de Goden in deze schoone bloem is veranderd geweest. Derhalve hebben sommigen deze bloemen in 't latyn Narcissus poeticus geheeten, maer om deze fabelen te doen verwerpen, hebben anderen verzekerd dat deze bloem dien naem heeft naer hare kracht, die het gevoelen beneemt, en de leden en zenuwen tot eene

ongevoelige slaperigheid brengt, die men in het grieksch Marce pleegt te noemen.

NARDUS, Spykplant, Victoriewortels, in 't fransch Ward, in 't latyn Wardus, door Tournefort Gramen genoemd, door Jussieu onder de familie van de Grasplanten gesteld, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie meeldraedjes bloeijen en maer één stampertje hebben.

De Nardus of Spykplant (Nardus stricta van Linnaeus) is eene langlevende plant van Europa, die in België en elders in de heiden, drooge velden en op bergen wast, met ineengedrongene stengels, langs de aerde gestrekt, bladstelen en zeer veel groene bladen die schilferachtig wassen, van onder smal en van boven langzaem breed zyn, bloeit hier meest in augusty, met borstelachtige aren, die regt op de toppen bloeijen, met kleine, bleeke bloempjes, die versch en groen, eenen lieflyken reuk verspreiden, en zaedjes voortbrengen die aen de Steen-Valeriane of St. Joriskruid gelyken. Geheel dit kruid is zeer bitter van smaek, warm en droog tot in den eersten en tweeden graed en naer zich trekkende, sommige Kruidbeschryvers zeggen dat het van krachten aen de wilde Valeriane of St. Joriskruid gelykt. Men vindt nog den Wardus gangitis, van Linnaeus, die in Zuid-Frankryk en elders groeit, en den Nardus indica, van Linnaeus, die by sommige liefhebbers wordt gekweekt, en groeit met strooachtige stengels veel gebladerd, met rondom roodachtige bruine zyde bedekt, bloeit met hangende, borstelachtige aren, eenzydig geschikt, die eenen aengenamen reuk inhouden, deze planten worden door het zaed vermenigvuldigd.

NARDUSLAED, Tamme Nigelle, in 't fransch Nigelle, Quatre epices, Wielle, in 't latyn Wigella, is onder de 6e klasse, 4° sectie der roosvormige planten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Ranunkels, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria pentagynia, veelhelmigen, die van twintig tot honderd meeldraedjes, op het vruchtbeginsel vastgehecht, en vyf stampertjes hebben. Het Narduszaed (Nigella sativa van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Griekenland, die hier in de bloemhoven groeit, in struiken, met geknoopte en getakkelde stengels, omtrent 25 of 30 centimeters hoog, en witte gewolde bladen, bloeit meest in july, met vyf blauwachtige, witte bloembladen in de kelken, die dikwils tien zaedhuisjes voortbrengen. Het Narduszaed van Damascus (Nigella damascena van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Zuid-Europa, die met geknoopte stengels omtrent 30 centimeters hoog wast, met steellooze, groene, lansvormige bladen, en van juny tot in september bloeit, met zeer lieflyke, witachtige blauwe, fluweelachtige bloemen. Het spaensch Narduszaed (Nigella hispanica van Linnaeus) komt van Spaenje, en bloeit hier met schoone roodblinkende bloemen. v . Het Veld-Narduszaed (Wigella arvensis van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België en elders in de velden en koren wast, met gestreepte stengels en witte, teere, kleine, uitgesnedene bladen, die byna aen de Dille gelyken, bloeit meest in july, met witte, blauwachtige bloemen, die zaedhuisjes op de wyze van de Akelei en zwarte zaedjes voortbrengen. Het Narduszaed, dat van de oude Kruidbeschryvers Melanthimum sativum werd genoemd en hier in het koren groeit, ingenomen, verdryft al de windachtigheden die de werking der maeg beletten, maekt alle taeije en ruwe vochtigheden dun, opent de verstoptheden en dryft de rauwe spyzen aen; derhalve gebruiken sommige eenvoudige landlieden dit zaed, in stede van Ammoniak, om hunne koeijen in te geven, als zy door te veel rauwe klavers te eten, opgezwollen of opgeloopen zyn; verscheidene boeren hebben my verzekerd dat het de koeijen herstelt. Dit zaed met wyn ingenomen, geneest diegenen die kortborstig zyn en hunnen adem niet kunnen halen; gestooten en met azyn op het voorhoofd gelegd, verzacht het de hoofdpyn en doet de duisternissen der

« VorigeDoorgaan »