Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

boomgewas van Ethiopië, dat hier in de matige planthuizen in potten in den heigrond word gekweekt, bloeit hier in den zomer met zeer lieflyke bloemkelken, die, in twee half uitgesneden, te samen de bloemkransjes vormen, de kransjes zyn met eijerstokjes vervuld, en brengen in het land hunner afkomst beziën met een zaedje en nootjes met vyf kerntjes voort; al de deelen van deze plant houden, als de Myrte, eenen welriekenden geur in en bezitten ook dezelfde krachten. Onze kundige plantkweeker L. Van Houtte heeft onlangs alhier van de Indiën den Myrsine urvilleae verkregen, die nog zeer zeldzaem verspreid is en op zyne bloemlyst aen 50 franks staet aengekondigd. Alex. Verschaffelt heeft ook den Myrsine crassifolia van de Oost-Indiën verkregen, dien hy aen 2 franks de plant op zyne bloemlysten aengeduid heeft. De Myrsine spec. nova, van Nieuw-Holland, is hier door Van Geert, in 1844, eerst in den Casino ten toon gesteld. De naem van Myrsine komt uit het grieksch, en wilt ook in 't latyn Myrtus zeggen. e Deze gewassen worden hier op de wyze van de Myrtenboomen vermenigvuldigd, en moeten ook 's winters in de planthuizen of in een matige serre bevryd worden.

MYRTENBOOM, in 't fransch Myrthe, in 't latyn Myrtus, is onder de 21° klasse, 8° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der Myrtenboomen, en onder de 12e klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintighelmigen, planten die met twintig en meer helmslyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Gelyk de Myrtenboomen zeer veelslachtig zyn, en meest alle in onze tael verschillige namen hebben, zal ik my hier bepalen met de gemeene Myrtenboomen te beschryven.

De gemeene Myrtenboom (Myrtus communis van Linnaeus) is een langlevend, klein heester-boomgewas van Azië en Afrika, dat sedert zeer oude tyden in de warme deelen van Europa is verspreid, en waervan men door het zaed wel 40 verschillige soorten heeft verkregen, die meest alle de namen van de landen en streken, alwaer zy gewonnen zyn, hebben behouden, zoo als de romeinsche Myrte (Myrtus romana duplex), met dubbele bloemen, de italiaensche Myrte (Myrtus parvifolia); de andalouziesche Myrte en de mapelsche Myrte (Myrtus boëtica en Myrtus tarentina), enz., die in de warme gewesten in de lusthoven worden geplant, door hunne schoone, welriekende bloemen en vruchten de engelsche hoven zeer bevallig versieren, en aldaer somtyds wel 4 meters hoog groeijen; zy bloeijen van mei tot in july, met gespikkelde, roos- en veel andere kleurige bloemen. Deze Myrten werden vóórdezen in de geneesmiddelen gebruikt, om de spannende zenuwen en spieren te bewegen en verscheidene soorten van langdurige vallingen aen te dryven. De Katoen-Myrtenboom (Myrtus tomentosa) is een schoon langlevend klein boomgewas van China, dat met van onder door witten dons bedekte bladen groeit, en meest van juny tot july hier in de matige planthuizen bloeit, met zeer lieflyke, rooskleurige, groote bloemen en roode meeldraedjes, die de bloemen zeer verheffen. Men kweekt nog by verscheidene bloemisten den Myrtus pimenta, van Oost-Indiën, met de Myrtus annularis, M. bullata, M. melastomoides, M. tenuifolia, M. trinervia, en veel andere nieuwe soorten van de Indiën, die hier sedert drie of vier jaren zyn overgevoerd en door onze bloemisten in den Casino ten toon gesteld. Al deze Myrtenplanten worden door afzetsels en inleggers, op lauwe broeibakken, in de matige serren vermenigvuldigd en 's winters in de planthuizen bevryd.

[merged small][ocr errors]

Nachtschade. – Nachtschoone. – Naekte Meid. – Naeldekervel. Nagelkruid. – Nandine. - Narcisse. – Nardus. – Narduszaed. Naterwortelplant. - Navelkruid. - Nederpalmboom. - Negelbloem. – Netel. - Netelboom. – Nieskruid. – Nieswortel. – Notenboom.

NACHTSCHADE, in 't fransch Belladone, Belle Dame, in 't latyn Atropa belladona, is onder de 1e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Nachtschadeplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Nachtschade (Atropa belladona van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België op sommige plaetsen in de bergachtige bosschen, by Tervueren in Braband, en ook in Vlaenderen te Eename, Oosterzeele, Moortzeele en elders wast; zy groeit met getakkelde stengels, omtrent 1 meter hoog, en donkergroene, geheele, eivormige bladen, bloeit hier meest in juny, met klokvormige, roodachtige bruine bloemen, die ook een peers kleur hebben en aen den schoot der bladen uitspruiten; zy brengen donkerroode beziën voort, die door de bloemkelken tot hare rypheid worden verzeld, eerst groen zyn, dan rood worden, en nadien de gedaente van eene groote Morelkriek verkrygen en een schoon rood sap inhouden, dat in Italië en elders veel wordt gebruikt om een zeker blanketsel mede te maken, waerdoor die plant den naem van Belladona, Vrouwe Schoonheid, heeft verkregen. Maer deze beziën zyn onder de doodelyke slaepverwekkende middelen gesteld, en al de deelen dezer planten zyn zeer gevaerlyk, inzonderheid de vruchten die een hevig vergift bezitten en aen de groote zwarte Krieken wel gelyken, waerdoor de onkundigen zich wel kunnen misgrypen en dikwils droevige gevallen veroorzaken. Aengaende de

gevaerlyke krachten van die beziën, zal ik hier een getrouw III, 15

en geloofwaerdig narigt mededeelen. M. de doctor Gaulthier de Claubry schryft, dat hy in het jaer 1813 al de krachtige uitwerksels van de vergiftige beziën der Nachtschadeplanten heeft bemerkt, en zegt dat 250 mannen van het 12° linie regiment, die in de gebergten van Zwitserland den vyand vervolgden, door onwetendheid van die beziën geëten hebbende, de volgende kenteekenen van vergiftiging gaven : zy waren met spannende, uitpuilende en onbewegelyke oogappelen, volstrekt ongevoelig in de oogen, zonder beweging van het lichaem, zonder de minste inbeelding of kennis hunner gesteldheid, hadden de oogen zeer ontsteken en ten meesten deele met blauwachtig en rood bloed vervuld; sommigen waren als dom en ongevoelig, en verscheidene anderen driftig en als razende dol, met eenen droogen mond, tong en keel, zonder iets te kunnen inzwelgen; anderen hadden eenen grooten braeklust zonder te kunnen overgeven, door hunne zwakke gesteltenis, zwymelingen en flauwte van het lichaem, was het hun onmogelyk zich te kunnen regt houden; zy waren zonder jagt in den pols, maer met handen en vingers in eene gedurige beweging; velen waren zinneloos en blygeestig, met onnoozele grimlachingen, en spraekloos of met eene onuitdrukkelyke en ontstelde stem; zy waren ongevoelig aen hunne genezing, en zonder reden of gedachten op hunne voorgaende gesteldheid. By het openen der doode lichamen van deze die door het gevolg der Nachtschade-beziën gestorven waren, heeft men gevonden dat de maeg zeer ontsteken was, en zelfs het vergift het ingewand verkanderd had, en dat de adervaten der hersenen geheel met bloed waren overladen. Er zyn geene middelen te vinden, zegt de heer Gaulthier de Claubry, om de menschen te herstellen die door die vergiftige beziën vergeven worden, men moet dan enkelyk zich naer die omstandigheden gedragen en alle zachte middelen trachten te gebruiken om de lydenden te helpen, waervan men zich gemeenelyk by andere vergiftigingen bedient. Nogtans, zegt dezelfde heer, worden die planten in Duitschland tegen verscheidene ziekten gebruikt, inzonderheid voor de vallende ziekte, voor waterzuchtige menschen en ook om de venusziekte en geelzucht te genezen. Zy worden ook in de plaesters bereid en voor de kliergezwellen, koningzeer en bytende of inetende kankers gebruikt. Maer men kan voor inwendige middelen deze plant met geene genoegzame voorzigtigheid gebruiken. De heer Orfila zegt, dat al de vergiftige deelen van deze slaepverwekkende plant, op de vezeldraedjes der hersenen meest hunne vergiftige krachten uitwerken. Deze plant, die voordezen ook groote Nascaye werd genoemd, kan door het zaed en wortelscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd worden; men vindt die hier ook in den kruidhof der Hoogeschool (Ziet Roques, Phys. med., en Journal général de médecine, tome XLVIII).

NACHTSCHOONE, Salepwortel, Nachtschuim, Schoone by Nachte, in 't fransch Belle de Wuit, in 't latyn Mirabilis jalapa, is onder de 2e klasse, 3e sectie van Tournefort gesteld, der trechtervormige bloemplanten, door Jussieu onder de familie van de Nictages of Nachtschoone en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf stofdraden bloemen en maer één stampertje hebben.

De Schoone by Nachte (Mirabilis jalapa van Linnaeus) is eene kruidplant van Mexiko en Peru, die met levende wortels hier gemeenelyk in de bloemhoven groeit, in struiken met getakkelde stengels en blinkende, zachte, hartvormige bladen, en meest van juny tot in october bloeit, met zeer veel trechtervormige bloemen, waer onder men er van veel verschillige kleuren vindt, als roode, gele, bonte en witachtig gespikkelde, die door het zaed dikwils veranderen; zy sluiten zich by dage en ontluiken zich slechts 's morgens en 's avonds, en brengen zaedhuizen, in hutjes met twee zaedjes verdeeld voort.

Deze plant is hier in België in het jaer 1610 van Peru overgevoerd, en werd eerst Xalappa genoemd, volgens de stad in Mexico, van waer zy eerst gezonden is. De wortels van deze plant zyn langs buiten roodachtig bruin, en langs binnen in hun middenpunt gestreept; zy hebben eenen walgachtigen reuk, en in poeijer gestooten, bezitten zy eenen stinkenden geur en bitteren smaek. Deze wortels droog in poeijer bereid en met water in honig of wyn ingenomen, bewerken eene zeer geweldige buik

. - “

GENT te

« VorigeDoorgaan »