Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

sommige plaetsen in de bosschen en dikwils in de vochtige grachten en hooge onbebouwde velden wast, met eenen dikken wortel en veel verspreide vezelen, en schachten of stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, en hier omtrent 80 centimeters hoog groeijen, met veel bladen, vleugelwyze geschikt, die aen de groote Waren eenigzins gelyken; deze plant werd van de Alchimisten Lunaria major en van sommige oude Kruidbeschryvers Filiw aquatilis geheeten, alsof men Water-Varenkruid zegde. Lobel schryft dat de Osmunda of Mondruite zeer goed is om te gebruiken, want zy is lieflyk van reuk, warm van aerd en heet van smaek. De binnenste wortels, kern van de Osmunda geheeten, gekookt en gedronken, genezen de miltzucht en verdryven de buikpyn; de bladen met Werkensliese gestooten en daermede gestreken of op de gescheurdheid van menschen of kinderen gelegd, doen dit op acht dagen genezen. Sommigen zeggen dat de Mondruite ook de krachten van het groot Warenkruid bezit. Deze planten worden hier in den kruidhof onzer Hoogeschool gekweekt en door wortelscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd.

MONIKSBAERD, Wrangkruid, Viltkruid, in 't fransch Barbe de Moine, Cuscute, in 't latyn Cuscuta, is door Jussieu onder de familie van de Windeplanten gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria digynia, planten die met vier stuifdraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

Het Wrangkruid (Cuscuta europaea van Linnaeus) is eene éénjarige zuigplant van Europa, die op het Vlas groeit, met veel lange vezelen en draedjes, die als snaren voortkruipen en met verscheidene tuiten als strengen van verwerd garen groeijen, somtyds zoo dik als de hechtrankjes van den Wyngaerd wassen haergewys dooreen gevlochten, zichzelven rond de stengels van het Vlas winden en er zoo vast aenkleven, dat hierdoor het Vlas omdraeit, zyn voedsel geheel onttrokken wordt en versterft, deze plant, die hier in de volkstael gemeenlyk Ruije, Schorft, Wrangkruid wordt genoemd, is een ware geesel die het Vlas zoodanig hindert en de groeikracht belet, dat eenige struikjes van die ondeugdelyke planten een geheel perk met Vlas bezaeid op twee maenden tyd kunnen doen verdroogen, alsof het door het vuer of de bliksemstralen zou verslonden zyn, hetgeen men wel somtyds hier te lande bemerkt. Het Wrangkruid wordt meest in juny gevonden en bloeit in july, met ronde bollekens aen de stengels en kleine, witte bloempjes, die zeer veel zaedjes voortbrengen, welke meest met augusty ryp worden; dit ryp zaed kan door zyne zwaerte door den wind niet vervliegen of verspreid worden, en is somtyds ook met het vreemd Vlaszaed gemengd; het woordeken Zuigplant of Parisite, dat Linnaeus daer heeft bygevoegd, wilt ook zeggen planten die op eene andere plant groeijen, uit dewelke zy sappen en voedsel trekken. Derhalve is het van groot belang voor eenen landbouwer, middelen te gebruiken om dit onkruid in zyne jeugd te verdelgen, het Wrangkruid nauwkeurig in het Vlas op te zoeken eer het begint te bloeijen, en geenen tyd te laten dat die plant, zich door het bloemstof zou kunnen vermenigvuldigen en door het ryp zaed verspreiden. De eenvoudige landbouwers maken hier somtyds valsche gissingen op, en zeggen dikwils dat het vuer hun Vlas vernietigd heeft en dat het heksery is, maer indien zy dit wel naspeurden, zouden zy ook kunnen bemerken, dat het enkelyk die Wrangkruiden zyn die hun Vlas verdelgen en doen verSterVen. Het Wrangkruid (Cuscuta epithymum van Linnaeus) is eene éénjarige plant, die hier ook wel in België in de Spaensche Klavers wast, maer gelyk de Klavers binnen den zomer afgemaeid worden, kan dit kruid zich door zyne bloemen niet voortzetten en de vruchten niet hinderen. Het Wrangkruid, zegt Lobel, wordt van de geneesheeren en apothekers meest geprezen, omdat het de verstoptheid van lever en milt opent, en met Anyszaed gemengd, de kolieken en buik

[ocr errors]

MONSONIA, in 't fransch Monsonie, in 't latyn Monsonia, is door Jussieu onder de familie van de Ooijevaersbekken gesteld, en onder de 16° klasse van Linnaeus, Monadelphia dodecandria, éénbroederigen, planten met twaelf meeldraedjes, tot een lichaem vereenigd.

De versierende Monsonia (Monsonia speciosa van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Afrika, die hier met stengels, omtrent 25 centimeters hoog wast, en lange bladstelen met gevleugelde bladen, bloeit hier in de matige planthuizen van in april tot mei, met allerschoonste rooskleurige bloemen, purperachtig geaderd, die van onder met een schoon karmynrood kleur zyn versierd.

De Monsonia lobata van Willdenow, is eenc langlevende kruidplant van de Kaep, die met stengels en eivormige, gevliesde bladen, hier wel 30 centimeters hoog wast, bloeit meest in mei, met zeer lieflyke rooskleurige en schoone karmynroode, gespikkelde bloemen, met vyf bloembladen in de kelken en kransjes, en vyftien stofdraden, die deze bloemen versieren en zaedhuisjes met vyf schildjes voortbrengen.

Deze schoone versierende planten kunnen door het zaed en wortelscheiding, in het voorjaer, op warme broeibakken, vermenigvuldigd worden; zy worden in den zomer meest uit de potten in den heigrond buiten geplant, en 's winters in de planthuizen bevryd. De nuttige krachten van deze planten zyn my niet bekend.

MOORSBLOEM, in 't fransch Morée, in 't latyn Maraea, is door Jussieu onder de familie der Lischbloemen gesteld, en onder de 3° klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie stuifdraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Moorsbloem met scheeden (Moraea vaginata), waeronder men de Moraea polyanthos van Linnaeus vindt, is eene langlevende kruidplant van Afrika, die met gevezelde wortels en schachten, omtrent 30 of 40 centimeters hoog wast, en gladde, puntige bladen, die in scheeden, op de wyze der Lischbloemen, groeijen, bloeit van mei tot in july, met zeer lieflyke verhevene bloemen, in zes kleuren verdeeld, waervan drie bloembladen schoone witte en de andere drie blauwe, purpere op eenen gelen grond gespikkelde en gekleurde boorden hebben.

De halven rouw Moorsbloem (Moraea lugens) groeit met stengels en smalle bladen, en bloeit meest in july, met bloemen in zes verdeeld, waervan de drie groote bloembladen purper zyn, en de andere drie op de topjes zwarte boorden hebben.

Men vindt hier nog by onze bloemisten de Moraea elegans, Moraea tricolor, Moraea sordescens, Moraea longifolia en de Moraea longiflora, met de groote gebaerde Moorsbloem (Moraea africana of Aristaea major), die met schachten wel 80 centimeters hoog wast, en bladen van 50 of 60 centimeters lang, en hier meest in july bloeit, met twee schoone arentrosjes en zeer lieflyke hemelsblauwe bloemen, en de Moraea of Aristaea cyanea, die hier meest in april met schoone blauwe bloemen op de toppen bloeit.

Deze planten zyn meest allen van de Kaep en Afrika hier overgevoerd, zy worden in de matige serren of planthuizen gekweekt, door het zaed op warme broeibakken gezaeid, en door teelloten en uitspruitsels vermenigvuldigd, waervan de volgende soorten, met ze 's winters een weinig te dekken, in den vollen grond kunnen worden geplant : de Moraea chinensis van Linnaeus, eene kleine kruidplant van China, die aen de Lischbloem (Iris pumila) wel gelykt; de Moraea virgata en de Moraea iridioides, die ook aen de Lischbloemen gelyken; zy worden ook door de teelloten vermenigvuldigd.

De nuttige deelen van deze schoone bloemen zyn my niet bekend.

MORINDE, in 't fransch Royoc, Morinda, in 't latyn Morinda, is door Jussieu onder de familie der planten die roode verw geven gesteld, en onder de 15e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten of boomen die met vyf stofdraden bloemen en maer één stampertje hebben. De Morinde met Citroenboombladen (Morinda citrifolia van Linnaeus) is een houtachtig stamgewas van de Indiën, dat met eenzame stengels wast, hier in de warme serren wordt gekweekt en meest in july bloeit, met éénbladige bloemen, in twee blaedjes geteekend, die vruchten met kerntjes voortbrengen. De zonneschermige Morinde (Morinda umbellata van Linnaeus) is een langlevend houtachtig stamgewas van de Indiën, dat met regte stengels en eivormige, puntige bladen wast, en ook éénbladige bloemen en vierkante vruchten met kerntjes voortbrengt. De Morinda royoc van Linnaeus, is een langlevend houtachtig stamgewas van Amerika, dat met liggende stengels groeit, en vierkante beziën met veel kerntjes voortbrengt. Onze bloemisten hebben nog onlangs alhier van de Indiën de welriekende Morinde (Morinda odorata) verkregen, die nog zeer zeldzaem is verspreid. De kerntjes van deze vruchten worden in het land hunner afkomst veel gelyk hier de boonen geëten. Deze schoone gewassen, die allen in de warme serren worden gekweekt, kunnen door het ryp kernzaed, op warme broeibakken gezaeid, en ook door uitspruitsels en inleggers vermenigvuldigd worden.

MORINGA, in 't fransch Morine, in 't latyn Morina, is door Jussieu onder de familie der Dipsacées of Slangebeten gesteld, en onder de 2° klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, boomen die met twee helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Moringa (Morina persica van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Persië, dat geknoopt, tamelyk hoog, met weinig takken, zeer broos hout, donkergroene bladen, die aen de Linzebladen gelyken, groeit, bloeit met ongelyke bloemkransen en tweebladige bloemkelken, maer de kelken van de vruchten zyn éénbladig en hebben eene kern onder de bloemkelken, die achthoekige vruchten, van 14 centimeters lang en dik als een Radys, voortbrengen, die een aschgrauw groen kleur hebben, van buiten geel gespikkeld, maer van binnen wit merg, met blinkende kerns, die de grootte van de Cisters hebben, de bladen bezitten eenen sterken smaek byna als dien van het Raeploof.

Men vindt deze boomgewassen veel in Oost-Indiën, Malabar en elders groeijen; zy hebben in de turksche tael den naem van Morian verkregen, en worden in Gazarat Turiaa genoemd; men vindt die hier ook in sommige warme serren. Dit gewas wordt tegen alle vergiftige en besmette lucht zeer geprezen, en de vruchten worden in de Indiën gelyk hier te lande de Boonen

« VorigeDoorgaan »