Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Octandria monogynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Miserieboom (Daphne mezereum van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa, dat in België, in de bosschen, omtrent Namen, Luik, Luxemburg en elders wast, en ook hier in de bloemhoven wordt gekweekt, groeit met zwakke, getakkelde stammen, omtrent 80 centimeters hoog, en lansvormige bladen, begint hier meest van february te bloeijen, met steellooze, donkere roozebloemen, die op den stam en de takjes groeijen eer de bladen zich vertoonen, en waervan men eenige medesoorten vindt, met witte, rooskleurige, violelachtige bloemen. De laurierachtige Miserieboom (Daphne laureola van Linnaeus) groeit veel in België, Frankryk, Duitschland, Engeland en elders op de bergen en bosschen, en wordt hier ook in de bloemhoven geplant, groeit met lancetvormige, gladde bladen, omtrent 70 centimeters hoog, en begint van maert te bloeijen, met korte bloemtrosjes en ronde, geelachtige groene bloemen. De Bergpeperboom (Daphne cneorum van Linnaeus) is een langlevend klein heester-houtgewas van de Alpische gebergten, dat hier omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeit, met lynvormige bladen, en somtyds van in den herfst en geheel den winter bloeit, met bloemtrosjes en purperachtige bloemen, die zwartachtige beziën met een kerntje voortbrengen, welke eene zwarte verw inhouden. w De pontische Miserieboom (Daphne pontica van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van Azië, groeit met lancetvormige bladen, omtrent 30 centimeters hoog, en bloeit hier meest in april, met trosjes en veel witachtige gele bloemen, die zeer welriekend zyn. De Daphne thymelaea, van de Pyrenesche gebergten, groeit hier ook omtrent 30 centimeters hoog, met lancetvormige bladen, en bloeit in mei, met witachtige gele bloemen, die op de takjes vereenigd groeijen. De Daphne Alpina van Linnaeus wordt veel in Zwitserland, Oostenryk en elders gevonden, groeit hier omtrent 60 centiIII, 13

meters hoog, met bleekgroene, lancetvormige bladen op de tak-
ken verspreid, en bloeit meest in juny, met korte bloemtrosjes en
witte bloemen, die eenen zoeten geur inhouden.
De Miserieboom voor trekplaesters (Daphne gnidium van Lin-
naeus) is een langlevend heester-houtgewas van het Zuiden van
Frankryk, groeit hier met getakkelde stengels, omtrent 1 meter
hoog, met lynvormige bladen, en bloeit van juny tot in july,
met bloemtrossen en kleine purperachtige bloemen, die van bui-
ten witachtige bloembladen hebben en eenen welriekenden geur
verspreiden. f
Men vindt nog by onze bloemisten den Daphne collina van
Smith; den Daphne japonica, Daphne lutetiana, met blauwach-
tige bloemen; den Daphne intusrubra, met roodachtige bloemen,
die hier allen in den vollen grond worden gekweekt, en door het
zaed, op teilen in den heigrond, gezaeid en ook door uitloopers,
afzetsels en inleggers kunnen vermenigvuldigd worden, maer den
eersten winter in de planthuizen moeten bevryd zyn.
De kundige heer Orfila stelt de Miserieboomen onder de eerste
klasse der doodelyke, verhittende en aenprikkelende gewassen,
derhalve mogen zy op geenerlei wyze inwendig worden gebruikt,
maer de schorsen, inzonderlyk van den Daphne gnidium worden
met voordeel als trekplaesters in de geneesmiddels gebruikt. De
schors eenigen tyd in den azyn geweekt en op het vel gelegd, doet
spoedig zwellen en roode blazen trekken, en kan de trekplaesters
die met Spaensche Vliegen zyn gemaekt vervangen, als men be-
vreesd is van eenige kwade uitwerking van die insecten, inzon-
derlyk om op de natuerlyke teeldeelen te leggen, die plaes-
ters veroorzaken ook, gelyk die van de Spaensche Vliegen, een
onverdraeglyk jeuksel en kleine puistjes, maer die men weldra
door het wasschen met water, waerin wit Heemstwortelkruid is
gekookt, kan doen verdwynen. De Miserieboom-schors wordt ook
in de pommade-zalve met zoet vet en was bereid, waermede men
ze te samen laet koken en warm ondereen bryzelt tot dat er geene
klonters meer in zyn; deze pommade-zalve is veel beter voor de
menschen die met de zenuwziekte zyn gekweld, dan degene van
Spaensche Vliegen gemaekt, bezonderlyk voor de vrouwen en

2

Jonge kinderen. Veel geneeskundigen schryven dat de beziën een sterk buikzuiverend en tevens een braekmiddel zyn.

MISPELBOOM, Mispelaer, Azarolboom, in 't fransch Néstier, in 't latyn Mespilus, is door Jussieu onder de familie van de boomen die roosvormige bloemen dragen gesteld, en onder de 12" klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, twintighelmigen, planten die met twintig en meer helmstyltjes bloemen, die op den kelk zyn vastgehecht, en vyf stampertjes hebben, met vyfbladige bloemkelken en blaedjes, die vruchten met vyf kerntjes omringen. De gemeene Mispelboom (Mespilus germanica van Linnaeus) is een langlevende, kleine boom van Europa, die in België in sommige bosschen, hagen en elders wast, zonder doorns, met lansvormige, langs onder witte bladen, bloeit hier meest in mei, met witte bloemen en gele meeldraedjes, die zeer welriekende zyn. De ongedoornde Mispelboom (Mespilus chamaemespilus van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Europa, dat in Frankryk, België, Duitschland en elders groeit, zonder doorns, met eivormige, gladde en scherpgetande bladen, bloemtrosjes op de toppen der takjes en witachtige bloemen. De Mispelboom met van onder witte, wollige, eivormige bladen (Mespilus cotoneaster van Linnaeus), is van Noord-Europa. De vreemde of uitlandsche Mispelboom met groote vruchten (Mespilus tomentosa van den Hortus Kew.), is van NoordAmerika, hy wordt hier meest op witte doorns geënt, waerop de vruchten beter hare rypheid verkrygen. De Mispelboom van Japan (Mespilus japonica), die hier geene 14 graden koude kan wederstaen, wordt in potten 's winters in de planthuizen bevryd. Al de Mispelboomen worden veel op de Kwee-Appelboomen geënt, en ook door het kernzaed vermenigvuldigd; de vruchten zyn koud en droog, samentrekkend van natuer en stoppen den buikloop; men plukt die meest laet in den herfst en laet ze op zuiver stroo eenigen tyd rotten, die vruchten alsdan geëten, zyn samentrekkend en beletten de dronkenschap. De Mispelvruchten en steenen gedroogd, fyn gestampt en met witten wyn of brandewyn ingenomen, waerin Peterceliewortels gezoden zyn geweest, zyn een der uitmuntendste middels om den steen in de nieren, lenden en blaes te breken. Men maekt van het Mispelboomhout goede stokken met knoopen.

MITCHELLA, in 't fransch Mitchella, in 't latyn Mitchella, is door Jussieu onder de familie van de planten die roode verw inhouden gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De kruipende Mitchella (Mitchella repens van Linnaeus) is een langlevend rankgewas van Noord-Amerika, dat met zwakke, kruipende ranken tamelyk hoog klimt, met altoos groenblyvende bladen, en hier meest in juny bloeit, met witte, trechtervormige bloemen, die in de kransen verdubbelen, eenen zeer lieflyken zoeten geur verspreiden, en schoone, karmynroode beziën met vier kiempjes voortbrengen, die de gedaente van eenen myter hebben en eene roode verw geven; zy worden veel van de reukwerkers gebruikt om blanketsel mede te maken. Deze plant, die zich tot heden de eenigste van haer geslacht bevindt, kan hier zeer wel onze koude winters wederstaen, en wordt tot versiering, om de priëlen te bedekken en traliën mede te bekleeden in den heigrond geplant, en door afzetsels en inleggers der jonge ranken, die wel wortel vatten, vermenigvuldigd; zy moet in den heigrond geplant worden of anderzins wilt zy niet groeijen.

MOEDERKRUID, Mater, in 't fransch Matricaire, in 't latyn Matricaria, is onder de 14° klasse, 3° sectie der Straelbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der bloemtrosjesdragende kruidplanten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superslua, samenhelmigen-veelechtigen-overbodigen, die met meeldraedjes en stampertjes vereenigd, op de wyze van het Rynvaer- of Wormkruid bloeijen. Het Moederkruid (Matricaria chamomilla van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de velden, hagen, tuinen, op muren en elders wast, met vezelachtige wortels en stengels met veel bladstelen, van boven getakkeld, geheel verdeeld, en met veel teere, effene bladen, in veel deelen gesneden en aen de kanten gekerfd, die alle een bleekgroen kleur hebben, op sommige plaetsen groeit die wel 30 of 40 centimeters hoog; bloeit hier meest van juny en byna geheel den zomer, met bloemen die in het midden ronde, gele bollekens en witte stralen rondom de kopjes hebben. Geheel dit kruid is sterk van reuk en zeer bitter van smaek; de bloemen worden hier in hare jeugd vergaderd, om droog en groen in de medecynen te gebruiken. De toppen en bloemen van het Moederkruid zyn warm en droog van krachten, en worden in de geneesmiddelen als aendryvend voor de gebreken der lyfmoeder gebruikt; zy verwekken, zegt de doctor De Caux, de achterblyvende en dralende maendstonden, en dryven de nageboorte af, als men het water drinkt waerin die gezoden zyn geweest. Dit kruid in papplaesters op den buik boven de schaemdeelen gelegd, belet de opstyging der lyfmoeder. Het Moederkruid, zegt Clusius, gedroogd, in poeijer met honig ingenomen, purgeert en verdryft de duizelingen uit het hoofd en de wormen uit den buik.

Men heeft nog het welriekend Moederkruid (Matricaria suavolens van Linnaeus), dat om zyne deugden alle jaren in sommige landen wordt gezaeid en ook in het wilde groeit, van gedaente aen het voorgemelde gelykt, en van Lobel voor den Semen sanctum officinarum gehouden is, het Zee-Moederkruid (Matricaria maritima van Linnaeus), dat veel aen de kanten der zee, in Frankryk, België en de Nederlanden wast, het Berg-Moederkruid (Matricaria parthenium van Linnaeus of Pyrethrum parthenium van Willdenow) werd door Clusius Matricaria alpina genoemd, en is eene langlevende kruidplant, die veel in Zwitserland, Italië en Zuid-Frankryk wast, en hier in de kruidhoven wordt gekweekt. Volgens de nieuwe en oude Kruidbeschryvers houden die allen dezelfde krachten in voor de moederkwalen en worden gebruikt om de verstoptheid der ingewanden te ontsluiten.

« VorigeDoorgaan »