Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en maekt zaed dragen. De gedoornde Molukbloem (Molucella spinosa van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van de Moluksche Eilanden, die met stengels, wel 1 meter hoog wast, en hartvormige bladen, die van boven rondachtig zyn; bloeit hier van july tot in september, met ringwyze geschikte bloemen, kransjes in twee lippen verdeeld, de eene van boven rooskleurig en de andere bleekgeel, en bloeibladen die zeer stekend zyn. De gladde Molukbloem (Molucella laevis van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Syrië, met witte, klokvormige bloemkransen. De heesterachtige Molukbloem (Molucella frutescens van Linnaeus) is eene kruidplant van Italië, die van Persië oorspronkelyk is, en hier bloeit met bloemkelken, die trechtervormig zyn. Deze planten, die de bloemperken zeer versieren, worden hier meest vroeg in de lente in de bloemhoven gezaeid en op de wyze van de Schildbloemen gekweekt. Dodonaeus heeft in zyn Kruidboek, bl. 126, ook de deugden van de Molukbloem met stekende bloeiblaedjes beschreven, en zegt dat die plant byna de krachten van de Melisse en het Citroenkruid bezit (Zie het Biënkruid, I° deel, bl. 361).

MONARDA, in 't fransch Monarde, in 't latyn Monarda, is door Jussieu onder de familie van de lipvormige bloemplanten gesteld, en onder de 2e klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Monarda met buisvormige, hoekige stengels (Monarda fistulosa van Linnaeus), is eene langlevende, welriekende kruidplant van Canada, die hier in struiken groeit, en met ringwyze geschikte en grysachtige bloemen op de toppen der stengels, van augusty tot in september bloeit.

De Monarda didyma van Linnaeus, is eene kruidplant van Noord-Amerika, die hier van july tot in september bloeit, met schoone bloemen op de toppen, en zeer lieflyke karmyne kransen, die eenen sterkriekenden geur verspreiden.

De Monarda violacea, van Amerika, met blauwachtige violette bloemen, en de Monarda rugosa, van Amerika, zyn ook sterkriekende kruidplanten, die hier omtrent 50 centimeters hoog groeijen, met schoone bloemkransen op de toppen en roode stralen rond de kelken.

De Monarda purpurea en de Monarda punctata van Linnaeus, zyn van Virginië, en worden hier in de bloemhoven in den vollen grond, door struikscheiding, vroeg in de lente vermenigvuldigd; zy moeten alle twee of drie jaren in nieuwe aerde verplant worden en by koude winters met dorre bladen bedekt zyn. Deze planten hebben den naem van Monarda verkregen door den heer Monardez, die ze eerst uit Amerika naer Europa heeft overgevoerd.

De bloemen en het kruid worden met sommige geneesmiddels bereid.

MONDHOUT, Keelkruid, Rynwilge, Liguster, in het fransch Troëne, in 't latyn Ligustrum, is door Tournefort onder de 20° klasse, 1° sectie, der éénbladige bloemen gesteld; door Jussieu onder de familie van de Jasmynplanten, en onder de 2° klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, tweemannigen, planten welker bloemen met twee stofdraedjes bloeijen en maer één stampertje hebben.

Het gemeen Mondhout (Ligustrum vulgare van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa, dat in België, Frankryk, Duitschland en elders in de bosschen wast, met takken die regt overeen staen, en zachte, langwerpige, donkergroene bladen, bloeit hier meest in juny, met witte bloemtrosjes op de toppen der takjes en kleine bloempjes met vier blaedjes in de bloemkransen, die by dage onbevallig, maer 's avonds zeer aengenaem rieken, en zwarte beziën voortbrengen, men vindt er eenige medesoorten onder, met bonte bladen en witachtige vruchten.

Het japansche Mondhout (Ligustrum japonicum van Linnaeus) is een langlevend heestergewas van Oost-Indiën, dat in de lusthoven wordt geplant, en met groote bloemtrossen en lieflyke witte bloemen bloeit, die eenen zoeten reuk bezitten; zy kunnen hier beiden door het zaed en door uitloopers vermenigvuldigd worden. De bladen van het Mondhout zyn koud en droog van aerd en samentrekkende van kracht; derhalve worden zy van de nieuwe en oude Kruidbeschryvers zeer geprezen om de gezwellen van de keel en den mond te genezen. Die bladen in weinig water gekookt, of het sap daeruit gedouwen en daermede den mond gewasschen of gespoeld, zyn zeer dienstig om de mondgezwellen en oude puisten in de keel te genezen, die bladen gestooten en op vurige gezwellen gelegd, doen die zachtjes verkoelen en den brand verdryven. De bloemen op boomolie in de zonne getrokken en daermede eene zalf gemaekt, zyn voor alle verbrandheden van water en vuer zeer geacht, en kunnen ook dienen om vurige wonden te smeren en op vurige bleinen te leggen. De beziën van dit gewas worden van de meerlen, lysters, sneppen en ander gevogelte in den winter veel gezocht. Die rype beziën, die een schoon rood sap inhouden, worden in Frankryk veel gebruikt om den wyn een roodachtig en aengenaem kleur te geven, en dezelfde beziën, zegt Arsenne Thiébaut de Berneaud, met kalk gemengd, bezitten eene schoone blauwkleurige verw, die heden gebruikt wordt om veel stoffen blauw te verwen. De

kolen van dit heesterhout gebrand, worden ook veel gebruikt om fyn buskruid mede te maken.

MONDRUITE, Wilde Varen, in 't fransch Osmunde, in 't latyn Osmunda, is onder de 16e klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld, der bloemlooze planten, door Jussieu onder de familie van het Varenkruid, en onder de 24e klasse van Linnaeus, Cryptogamia gonopterides, planten die met verborgene bloemen en vruchten groeijen of niet zichtbaer zyn.

De Mondruite (Osmunda van Linnaeus of Botrychium van Willdenow), die Linnaeus Osmunda lunaria noemde, is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en elders veel op sommige plaetsen in de bosschen en dikwils in de vochtige grachten en hooge onbebouwde velden wast, met eenen dikken wortel en veel verspreide vezelen, en schachten of stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, en hier omtrent 80 centimeters hoog groeijen, met veel bladen, vleugelwyze geschikt, die aen de groote Waren eenigzins gelyken; deze plant werd van de Alchimisten Lunaria major en van sommige oude Kruidbeschryvers Filiw aquatilis geheeten, alsof men Water-Varenkruid zegde. Lobel schryft dat de Osmunda of Mondruite zeer goed is om te gebruiken, want zy is lieflyk van reuk, warm van aerd en heet van smaek. De binnenste wortels, kern van de Osmunda geheeten, gekookt en gedronken, genezen de miltzucht en verdryven de buikpyn; de bladen met Werkensliese gestooten en daermede gestreken of op de gescheurdheid van menschen of kinderen gelegd, doen dit op acht dagen genezen. Sommigen zeggen dat de Mondruite ook de krachten van het groot Warenkruid bezit. Deze planten worden hier in den kruidhof onzer Hoogeschool gekweekt en door wortelscheiding in het voorjaer vermenigvuldigd.

MONIKSBAERD, Wrangkruid, Viltkruid, in 't fransch Barbe de Moine, Cuscute, in 't latyn Cuscuta, is door Jussieu onder de familie van de Windeplanten gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria digynia, planten die met vier stuifdraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

Het Wrangkruid (Cuscuta europaea van Linnaeus) is eene éénjarige zuigplant van Europa, die op het Vlas groeit, met veel lange vezelen en draedjes, die als snaren voortkruipen en met verscheidene tuiten als strengen van verwerd garen groeijen, somtyds zoo dik als de hechtrankjes van den Wyngaerd wassen haergewys dooreen gevlochten, zichzelven rond de stengels van het Vlas winden en er zoo vast aenkleven, dat hierdoor het Vlas omdraeit, zyn voedsel geheel onttrokken wordt en versterft, deze plant, die hier in de volkstael gemeenlyk Ruije, Schorft, Wrangkruid wordt genoemd, is een ware geesel die het Vlas zoodanig hindert en de groeikracht belet, dat eenige struikjes van die ondeugdelyke planten een geheel perk met Vlas bezaeid op twee maenden tyd kunnen doen verdroogen, alsof het door het vuer of de bliksemstralen zou verslonden zyn, hetgeen men wel somtyds hier te lande bemerkt.

Het Wrangkruid wordt meest in juny gevonden en bloeit in july, met ronde bollekens aen de stengels en kleine, witte bloempjes, die zeer veel zaedjes voortbrengen, welke meest met augusty ryp worden; dit ryp zaed kan door zyne zwaerte door den wind niet vervliegen of verspreid worden, en is somtyds ook met het vreemd Vlaszaed gemengd; het woordeken Zuigplant of Parisite, dat Linnaeus daer heeft bygevoegd, wilt ook zeggen planten die op eene andere plant groeijen, uit dewelke zy sappen en voedsel trekken. Derhalve is het van groot belang voor eenen landbouwer, middelen te gebruiken om dit onkruid in zyne jeugd te verdelgen, het Wrangkruid nauwkeurig in het Vlas op te zoeken eer het begint te bloeijen, en geenen tyd te laten dat die plant, zich door het bloemstof zou kunnen vermenigvuldigen en door het ryp zaed verspreiden. De eenvoudige landbouwers maken hier somtyds valsche gissingen op, en zeggen dikwils dat het vuer hun Vlas vernietigd heeft en dat het heksery is, maer indien zy dit wel naspeurden, zouden zy ook kunnen bemerken, dat het enkelyk die Wrangkruiden zyn die hun Vlas verdelgen en doen verSterVen.

Het Wrangkruid (Cuscuta epithymum van Linnaeus) is eene éénjarige plant, die hier ook wel in België in de Spaensche Klavers wast, maer gelyk de Klavers binnen den zomer afgemaeid worden, kan dit kruid zich door zyne bloemen niet voortzetten en de vruchten niet hinderen.

Het Wrangkruid, zegt Lobel, wordt van de geneesheeren en apothekers meest geprezen, omdat het de verstoptheid van lever en milt opent, en met Anyszaed gemengd, de kolieken en buikpyn verdryft.

MONSONIA, in 't fransch Monsonie, in 't latyn Monsonia, is door Jussieu onder de familie van de Ooijevaersbekken gesteld, en onder de 16° klasse van Linnaeus, Monadelphia dodecandria, éénbroederigen, planten met twaelf meeldraedjes, tot een lichaem vereenigd.

« VorigeDoorgaan »