Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Eindelyk om goede vruchten te bekomen, moet een Meloenkweeker er alle mogelyke zorg aen toebrengen, en ook de planten somtyds 's morgens of 's avonds wel zacht op de bladen, volgens noodzakelykheid, besproeijen. Als de vruchten beginnen te rypen, plaetst men die gemeenelyk op pannen of witte kalkachtige steenen, waer de zon wel op treft, om te beletten dat de vruchten eenen aerdensmaek zouden verkrygen. Men plukt gemeenelyk de Meloenen als zy hunne volle rypheid bekomen hebben, hetgeen men aen den reuk der vruchten zeer wel kan bemerken, want den rypen geur der Meloenen kan men verre genoeg wel gerieken. Ik heb op die wyze de Meloenen gekweekt, en altoos goede en smakelyke vruchten bekomen.

MENTZELIA, in 't fransch Mentzelia, in 't latyn Mentzelia, is door de nieuwe Kruidkenners onder de familie van het Ezelskruid gesteld, en onder de 13e klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmigen, planten die met twintig tot honderd helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben. De oneffene Mentzelia (Mentzelia aspera van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Amerika, dat hier in struiken zeer getakkeld wast, met puntige groene bladen, en meest in de matige planthuizen, van september tot in november bloeit, met zeer lieflyke, schoone bloemen op de toppen der takjes, die een schoon, levend, roodachtig saffraenkleur hebben. De Mentzelia met overeenstaende haertjes bedekt (Mentzelia hispida) is een nieuw langlevend heestergewas van Mexico, dat slechts hier sedert eenige jaren is bekend, groeit met scherpe, harige bladen, en bloeit ook van september tot in november, met roodachtige saffraefbloemen, die vyf bloembladen in de kelken en kransjes hebben, en ronde zaedhuisjes met veel zaedjes voortbrengen. Onze bloemkweekers hebben nog onlangs van Amerika de Mentzelia stipitata verkregen, die met zeer lieflyke roodachtige bloemen hier in september bloeit. Deze bevallige planten, waervan ik de krachten niet ken, kunnen door het zaed, in verschen heigrond gezaeid, en door afzetsels en uitspruitsels vermenigvuldigd worden, maer moeten 's winters in de matige serren verblyven.

MENZIESIA, in 't fransch Menziesia, in 't latyn Menziesia, is onder de familie van de planten die roosvormige bloemen dragen gesteld, en onder de 10e klasse van Linnaeus. Decandria monogynia, planten die met tien helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Menziesia met Poliumbladen (Menziesia polifolia van Pirolle), is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Europa, dat alhier door onze bloemisten onder den naem van Erica daboecia en ook Erica daboebii is bekend, dit schoon bevallig heestergewas groeit met eenen dunnen stam en veel takjes, omtrent 40 of 50 centimeters hoog, met altoosblyvende groene bladen, die van boven donkergroen, een weinig op de boorden gerold en met haertjes bedekt, en van onder geheel wit katoenachtig zyn; bloeit hier meest in juny, met zeer lieflyke bloemtrosjes en schoone rooskleurige, eivormige bloemen.

Men vindt by onze bloemkweekers de Menziesia flora alba, de Menziesia globularis, van Noord-Amerika, de Menziesia herbacea, die allerschoonste bevallige bloemen dragen. Deze planten kunnen hier zeer wel onze koude winters wederstaen, en worden op de wyze van de Kalmias meest door het zaed, in den heigrond, op teilen, in de oranjehuizen gezaeid, en voort in de volle lucht in den heigrond geplant.

METHONICA, in 't fransch Méthonique, in 't latyn Methonica, is onder de familie van de Lelieplanten gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogydia, planten die met zes meeldraedjes en één stampertje, op de wyze van de Leliën, bloeijen.

De prachtige Melhonica (Methonica superba) is eene langlevende kruidplant van Malabar, die met dikke, geknobbelde wortels in de aerde wast, en dunne stengels, die alle jaren uit de wortels spruiten en omtrent 1 meter hoog groeijen, met spitse bladen, die door hechtrankjes eindigen, bloeit hier in de warme planthuizen van july tot in september, met zeer schoone, gele, vergulde bloemen, die zes lieflyk gekleurde meeldraedjes hebben. De heerlyke Methonica (Methonica gloriosa), die onze bloemisten ook onlangs van Malabar hebben verkregen, groeit insgelyks met geknobbelde wortels, klimmende stengels en spitsvormige bladen, met hechtrankjes voorzien, die aen de steunstokken kleven, bloeit van july tot in october, met allerschoonste, gele, vergulde bloemen. Deze schoone bloemplanten zyn nog zeer zeldzaem verspreid, en moeten hier in de warme serren worden gekweekt; men zet die gemeenlyk na het bloeijen uit de potten in het droog zand te meuken, om wederom in february in den heigrond te planten. Zy kunnen door wortelscheiding, in de runne op warme broeibakken, vermenigvuldigd worden. De wortels bezitten eene slymstof, waervan men ameldonk kan bereiden, en worden gebruikt om klisteerwater uit te trekken.

METROSIDEROS, in 't fransch Metrosidéros, in 't latyn Metrosideros, is onder de familie van den Myrteboom gesteld, en onder de 12e klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, twintighelmigen, planten die met twintig en meer helmstylijes bloemen, die op den kelk zyn vastgehecht, en maer één stampertje hebben.

Men vindt er heden verscheidene soorten van, die van NieuwHolland alhier zyn overgevoerd, het zyn alle zeer schoone langlevende heester-houtgewassen, die getakkeld omtrent 1 meter hoog groeijen, met altoosblyvende, welriekende bladen, en meest in july bloeijen, met glansryke bloemen en roodblinkende meeldraedjes, die de bloemtakken rondom versieren en eenen pompon der grenadiers verbeelden.

Men vindt by ónze bloemisten de volgende soorten, die alle met schoone meeldraedjes versierd, meest van juny tot in augusty bloemen : den Metrosideros saligna van Smith, met wilgenbladen en purperachtige roode bloemen; den Metrosideros lanceolata van Smith, met lansvormige bladen en schoone levende purperachtige bloemen; den Metrosideros lophanta van Went., met dikke bladen, die zeer weinig van den Metrosideros crassifolia verschilt; den Metrosideros floribunda van Smith, met lange bladen en schoone roodblinkende meeldraedjes; den Metrosideros latifolia, met breede bladen en lieflyke roode, purperachtige bloemen; den Metrosideros marginata, met bladen aen de toppen en boorden door randen geteekend, die met schoone purperkleurige bloemen bloeit; den onregelmatigen Metrosideros (Metrosideros anomala), waervan de bloemen, met witte, roode en schoon gele meeldraedjes gemengd, een blinkende sieraed verbeelden; den Metrosideros semperflorens, die hier byna den geheelen zomer bloeit, met schoone, levende, roodachtige meeldraedjes; den Metrosideros speciosa, met zyne schoone, prachtige, verhevene bloemen, en den Metrosideros lutea, met zyne purperachtige, blauwe meeldraedjes. Zy worden hier allen op de wyze van de Leptospermum gekweekt en vermenigvuldigd, maer om langdurige planten en weldra bloemen te bekomen, vermenigvuldigt men die hier gemeenlyk door middel van uitspruitsels of bouturen van jonge loten, op lauwe broeibakken, in potten met fynen heigrond gevuld, onder het glas. Deze planten, waervan de krachten my niet bekend zyn, worden hier 's winters in de planthuizen of matige goede oranjehuizen bevryd en om hare bloemen gekweekt.

MEIJERPLANT, Fluweelbloem, Duizendschoone, Kattesteert, in 't fransch Amaranthe, in 't latyn Amaranthus, is onder de 6° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de Fluweelbloemen, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia pentandria, éénhuizigen-vyfmannigen, die op de wyze van de kleine Klisse bloeijen en op denzelfden stengel mannelyke en vrouwelyke bloemen dragen. •

Deze éénjarige zaeiplanten zyn hier van eenieder te wel bekend, om hare wyze van groeijen en de afbeelding van het kruid, bladen en bloemen te beschryven; zy worden meest in België door het volk Kattesteerten genoemd en zyn in den Hortus gandavensis van Mussche, Meijerplanten geheeten, maer in het Kruidboek van Dodonaeus en Lobel, Fluweelbloemen, uit het grieksch Amarantos, en ook in 't fransch Passe-velours genoemd. De volgende soorten worden hier alle jaren in de bloemhoven gezaeid :

De Amaranthus tricolor en de Amaranthus melancholicus van Linnaeus, die van de Oost-Indiën oorspronkelyk zyn; de Amaranthus graecizans en de A. hypochondriacus van Linnaeus, komen van Virginië, de Amaranthus sanguineus van Linnaeus, is van Bahama; de Amaranthus cruentus van Linnaeus, komt van China, de Amaranthus caudatus groeit in Azië, Amerika en Europa, en de Amaranthus blitum wast veel in België in de landen en velden. Al deze planten bloeijen hier meest van augusty tot in den herfst, en dragen zeer lieflyke bloemen, die als kattesteerten hangen, maer de Amaranthus blitum, die hier in de velden wast, is wel kennelyk, en groeit met eenen getakkelden stengel en stompe, eivormige bladen aen de stengels verdeeld, en bloeit in hoopkens op de topjes vergaderd, met driekantige katjes, die een vuil wit kleur hebben.

Dodonaeus heeft de krachten van deze planten beschreven, en zegt dat de Meijerplanten, met bloedroode bloemen en aders, goed zyn om den vrouwenvloed te stelpen en de bloedspuwing te genezen; zy werden voordezen met Waermoes in de potagië geëten om den buikloop te stelpen. Het Fluweelkruid met de bloemen, in het regenwater gekookt, is zeer dienstig om op de kwetsuren en wonden te leggen, de wortels in den mond gehouden, doen de tandpyn stillen, en met zoete meiboter gemengd, zyn zy zeer goed om brandzalve mede te maken en op de ver

brandheid te leggen.

MIDDAGBLOEM, in 't fransch Ficoïde, in 't latyn Mesembrianthemum, is door Jussieu onder de familie der Wygeplanten gesteld, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, twintighelmigen, planten welker bloemen met twintig en meer helmstyltjes bloeijen, die op den kelk zyn vastgehecht, en vyf stampertjes hebben.

Men vindt onder dit slach van Vetplanten heden wel 200 verschillige soorten, waervan de eene half-houtgewassen zyn en de andere kruidgewys groeijen, hier alle in de matige serren en planthuizen worden gekweekt, en uit het grieksch, in 't latyn overgesteld, den naem van Mesembrianthemum hebben verkre

« VorigeDoorgaan »