Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

achtig zwart en langs binnen geelachtig van kleur. Die wortels zyn ook heet van kracht en warm en droog tot in den tweeden graed : met wyn gezoden, doen zy zweeten en gemakkelyk pissen, en zyn goed tegen de waterzucht en krimping der leden, alsook om de maendstonden te verwekken en de taeije slymen van de longer te verdryven. Die wortels fyn gestooten en met olie vermengd, zyn zeer goed om op de blauw geslagene plekken te leggen, de wortels en bladen, in den wyn gezoden en gedronken, genezen de inwendige wonden, zuiveren de moeder en jagen de nageboorte af en alle de kwade vochten uit het lichaem, zegt Dodonaeus. De Meesterwortels worden ook Negenkracht genoemd, omdat zy negen jaren hunne krachten blyven behouden. Eindelyk die wortels bezitten dezelfde krachten als de Laserpitium, en worden, volgens de oude en nieuwe Kruidbeschryvers, op dezelfde wyze gebruikt. Zy worden hier meest door wortelscheiding en door het ryp zaed, in de lente vermenigvuldigd.

MEIBLOEM, Meilelie, Dallelie, Salomonszegel, in 't fransch Muguet, Lis de Mai, Lis des Vallées, in 't latyn Convallaria, is door Jussieu onder de familie van de Aspergieplanten gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, die met meeldraedjes en stampertjes op de wyze van de Leliën bloeijen. De Meibloem (Convallaria majalis van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België in de hoven en bosschen groeit, met rondachtige, lansvormige bladen en bloote schachtjes, die in mei meest bloeijen, met trosjes en klokvormige witte belletjes, die eenen welriekenden geur verspreiden en waeronder men eenige medesoorten met dubbele witte bloempjes vindt. De kransvormige Meibloem (Convallaria verticillata) groeit ook veel in België in de vochtige bosschen, te Moortzeele, in Vlaenderen, en elders, met ringwyze geschikte bladen en groenachtige witte, trechtervormige bloempjes, die ook in mei meest bloeijen. De Meibloem of Salomonszegel (Convallaria polygonatum van Linnaeus) groeit met stengels en twee verschillige stamomvattende bladen, en bloeit ook in mei, met éénbladige witte bloempjes die blauwachtige beziën voortbrengen. De Meibloem of groote Salomonszegel (Convallaria multiflora van Linnaeus) groeit hier in de bosschen met ronde stengels en stamomvattende bladen, en bloeit in mei met witte trechtervormige bloempjes die roode beziën voortbrengen. De Meibloem met twee bladen (Convallaria bifolia van Linnaeus), groeit met hartvormige, in vier verdeelde bladen, en bloeit in mei met aren en witte belletjes die maer vier meeldraedjes hebben. De japansche Meibloem (Convallaria japonica) en de trosvormige Meibloem (Convallaria racemosa van Linnaeus) met de Convallaria spicata van Thudberg, worden hier allen in de bloemhoven gekweekt, bloeijen in mei met bloemen die eenen aengenamen zoeten geur verspreiden, en zyn hier meest onder den naem van Witten Muguet bekend. In de oude tyden, eer al de welriekende planten van de Indiën hier bekend waren, werden de Meibloemen gebruikt OIIl welriekende waters mede te distilleren, die zeer nuttig waren om de roode loopende oogen te genezen, de ontstekingen der kwade zweringen te verdryven, de klopping van het hart en zenuwen te stillen en tegen de beroerdheid der vallende ziekte en stuiptrekking der jonge kinderen, alsook om de hersenen en geest te herstellen en de verlorene spraek weder te krygen, zeer voordeelig werden gebruikt. De wortels van de tweebladige Meibloem werden in poeijers bereid en zeer nuttig geacht om pestige gezwellen en klapoogen te genezen, maer het schynt, volgens den heer De Caux, dat die middelen heden verworpen zyn en door andere vervangen die krachtigere uitwerksels hebben; hy zegt dat die bloemen en wortels een zeer krachtig niesmiddel inhouden, en de bloemen versch in den wyn of azyn eenigen tyd in de zon latende trekken, zeer goed zyn voor de duizelingen en zwymelingen des hoofds, om de hersenen en het geheugen te versterken en ook tegen de beroerdheid zeer dienstig is. Al de Meibloemen worden hier vroeg in de lente door wortelscheiding vermenigvuldigd.

MELALEUCA, in 't fransch Mélaleuque, in 't latyn Melaleuca, is door de nieuwe Kruidkenners onder de Myrteboomen gesteld, en onder de 18° klasse van Linnaeus, Polyandria icosandria, veelbroederigen, met twintig helmdraden.

De Melaleuca is een langlevend, laegstammig boomgewas van Nieuw-Holland, dat hier heestergewys met dunne rankjes zeer getakkeld groeit, met altoosblyvende bladen en zwarte stammen, waervan sommige takken eene witachtige schors hebben, waerdoor die plant haren naem uit het grieksch Melas en Leukas, dat in onze tael wit en zwart wilt zeggen, heeft verkregen. Het is op de dunne hangende takjes van dit heestergewas, dat hier meest in july de bloemen bloeijen, die weinig kleur, maer lange, schoone, purperviolette meeldraedjes hebben, die de bloemen zeer verheffen en zaedhuisjes voortbrengen, in drie hutjes verdeeld, die half door de geschelpte bloemkelken en beziën zyn bedekt, waerdoor zy zeer bevallig schynen; maer als die planten, welke in hare jongheid wonderbaer schoon blinkend zyn, eenigen ouderdom beginnen te krygen, verliezen zy hare bladen.

De volgende soorten, waervan ik enkelyk de namen zal opgeven, worden allen by onze bloemisten en liefhebbers 's winters in de oranjehuizen gekweekt : de Melaleuca stypheloides, van Willdenow; Melaleuca ericifolia, - nodosa, - thymifolia, met roode violette bloemen; - Melaleuca coronata, - squarrosa, met purpere roode bloemen; - Melaleuca angustifolia, met witte bloemen en zeer schoone meeldraedjes; - Melaleuca speciosa, met purperachtige bloemen en lieflyke meeldraedjes; - Melaleuca splendens, fulgens, - neriifolia, - virgata, - coccinea, decussata, flavescens en de Melaleuca viridiflora, allen van Nieuw-Holland. Zy kunnen wel door de jonge loten van de éénjarige scheuten, op de wyze van de Leptospermum, op warme broeibakken, in den heigrond, vermenigvuldigd worden, en moeten in de matige serren of in een goed oranjehuis 's winters worden bevryd. De krachten van deze schoone planten zyn my niet bekend.

MELASTOMA, in 't fransch Mélastome, in 't latyn Melastoma, III. 12

[ocr errors]

door Tournefort Grossularia genoemd, door Jussieu onder de familie van de Melastoma, Kruisbeziën en Joansbeziën gesteld, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, die met tien helmstyltjes bloemen en één stampertje hebben. De Melastoma malabathrica van Linnaeus, is een heesterachtig boomgewas van Ceylan, dat hier in de warme serren wordt gekweekt, en groeit met vierhoekige gewolde stammen, en ruwe, scherpe, eivormige, geribde, door wol bedekte bladen, bloeit hier meest in july, met vier of vyf klokvormige bloembladen in de kelken, die een schoon purperachtig kleur hebben en donkere purpere vruchten voortbrengen, die zeer smakelyk zyn, maer by het eten den mond zwart maken, waerdoor die plant haren naem verkregen heeft, uit het grieksch Melas, zwart, en Stoma, mond, alsof men in onze tael zwarte mondbeziën wilde zeggen. De Melastoma cymosa is een nieuw langlevend heester-boomgewas van de Antillische Eilanden, dat hier met lieflyke purpere bloemtrosjes en tien schoone meeldraedjes in de bloemkransjes bloeit, en zwarte purperachtige beziën voortbrengt. De Melastoma grossularoides van Linnaeus, is een langlevend heester-houtgewas van Surinam, dat met scherpe, eivormige, getande en dubbel geribde bladen groeit, purperachtige bloemen en purperachtige vruchten voortbrengt, die door de bloemkelken ten deele zyn bewimpeld en aen de Kruisbeziën wel gelyken. Velen onzer bloemisten hebben nog onlangs van de Indiën de volgende soorten verkregen : de Melastoma barbata, floribunda, - polyanthantis, - robusta, - sanguinea, discolor, sp. Java, die onlangs van Java alhier is overgevoerd, en de Melastoma sanguinea, die hier voor de eerste mael, in 1844, door Amb. Verschaffelt, in den Casino ten toon werd gesteld. Al deze langlevende schoone gewassen, waervan de rype vruchten eenen aengenamen sappigen smaek inhouden, en op de wyze van de Joansbeziën kunnen worden gebruikt, moeten in de warme serren gekweekt zyn, en kunnen door uitloopers, inleggers en afzetsels in potten, op warme broeibakken en onder het glas, in de runne, vermenigvuldigd worden.

MELDE of Milde, Tamme Melde, Wilde Melde, in 't fransch Arroche des Jardins, in 't latyn Atriplex, is onder de 15e klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie der Melde, en onder de 23° klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtigen-éénhuizigen, met tweeslachtige en mannekens- en wyfkensbloemen op dezelfde plant of op verscheidene planten, waervan de tweeslachtige, op de wyze van het Kruiskruid, met vyf meeldraedjes bloeijen. De Hof-Melde (Atriplev hortensis van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Azië, die hier alle jaren, in de lente, in de moeshoven wordt gezaeid, en groeit met lange, regt opwassende stengels, die somtyds beneden rond en in 't opperste vierkantig zyn, met veel aenwassende zydetakjes, en lange, breede, spitse bladen, die gladachtig en zacht zyn; bloeit hier meest in july op de lengte der stelen, met veel ineengedrongene kleine, gele bloempjes en veel zaedjes, die druifgewys vergaderd en samen gehoopt, en in vellekens als blaedjes gesloten zyn. De bladen zyn dikwils in hunne jeugd witachtig van kleur, alsof zy met meel bestrooid waren. Men vindt hier ook de roode Melde (Atriplev rosea van Linnaeus), eene éénjarige kruidplant van Spaenje, die eene medesoort van de voorgaende schynt te zyn, en veel in de moeshoven gezaeid wordt, de bladeren van deze Melde worden in alle landen van Europa veel in de keukens gebruikt, met Waermoes en Zurkel gekookt en geëten, maekt zy den buik zacht. Die Melde gezoden en op bloedzweren of heete gezwellen gelegd, doet die zachtjes verdwynen. De stippige Melde (Atriplex laciniata) en de pykvormige Melde (Atriplex hastata van Linnaeus), groeijen hier overal in de bebouwde landen en velden in 't wilde, en zyn door de landlieden hier meest Meiboom genoemd; zy worden in hare jeugd veel van de arme menschen opgezocht, om als voedsel in de keukens te gebruiken en als een geelzucht verdryvend middel, en om de verstoptheid van de lever te openen, gebezigd.

De uitgespreide Melde (Atriplew patula) groeit hier meest in de landen en hagen.

« VorigeDoorgaan »