Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

A

lieflyke, langachtige, donkerblauwe, klokvormige bloemen, met uitnemende schoone violette boorden. Zy moet hier in de runne, in de warme serren, door wortelscheiding vermenigvuldigd worden. De Martynia of Gloxinia met twee meeldraedjes (Martynia diandra) is eene allerschoonste éénjarige zaeiplant van Mexiko, die met stengels en hartvormige bladen, omtrent 40 centimeters hoog wast, en hier van juny tot in october bloeit, met zeer lieflyke blauwe en rooskleurige gespikkelde, klokvormige bloemen, die eenen zeer aengenamen geur verspreiden. Men heeft hier uit het zaed veel verscheidene medesoorten bekomen : onze bloemist Alex. Verschaffelt en veel andere kweekers bezitten in hunne serren de volgende soorten : de Glovinia alba, Glowinia caulescens, G. discolor, G. grandiflora, G. hirsuta, G. hybrida, G. macrophylla, G. rubra bicolor, G. speciosa en meer andere, met lieflyke welriekende bloemen. Zy moeten hier in de warme serren in den gemengden heigrond worden gezaeid: het is spytig dat die schoone bloemplanten onze koude lucht niet kunnen wederstaen; zy zouden onze hoven zeer fraei versieren.

MAURANDLA, in 't fransch Maurandie, in 't latyn Maurandia, is onder de familie van het Speenkruid gesteld, en onder de 14" klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen, en zaed dragen dat in een zaedhuisje besloten is.

De altoosbloeijende Maurandia (Maurandia semperflorens) is een nieuw langlevend rankgewas van Mexiko, dat hier met dunne . stengels, omtrent 2 meters lang groeit, met lange bladstelen die, gelyk de hechtrankjes, het latwerk of stokken vastgrypen, en spiesvormige, groene, schoone bladen op de ranken verspreid, bloeit hier van juny tot in augusty, met uitnemende lieflyke, éénbladige, gepypte, violette bloemen, die in de lengte schoon purperachtig rood gestreept zyn.

Onze kundige bloemkweeker L. Van Houtte heeft onlangs van die lieflyke gewassen nog de Maurandia antirrhiniflora en Maurandia Barclayana van de West-Indiën verkregen, en men

vindt by veel andere bloemisten de Maurandia usteria scandens, die enkelyk in ligte gronden, op eene goede standplaets aen de muren, hier onze wintersche koude kan wederstaen, en derhalve meest in de oranjehuizen wordt bevryd. Die uitnemende schoone gewassen, welke in de warme landen veel worden geplant om de priëlen te bekleeden, kunnen door het ryp zaed op warme bakken in de lente gezaeid, en door inleggers en afzetsels, op de wyze van de Trompetbloemen, vermenigvuldigd worden.

MEEKRAP, Meeplant, in 't fransch Garance, in 't latyn Rubia, is onder de 1e klasse, 9e sectie der klokvormige planten van Tourmefort gesteld; door Jussieu onder de familie der planten die roode verw inhouden, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De roode verw inhoudende Meekrap (Rubia tinctorum) is eene kruidplant van Italië, die met levende wortels wast, stengels met haertjes bekleed en langwerpige, smalle, ruwe bladen, die alle jaren aen de stelen groeijen; zy bloeit in den zomer op de toppen der stengels, met ronde, bleekgele bloempjes, die kleine, ronde, roodachtige zaedjes voortbrengen. Zy wordt hier in de velden en bouwlanden gekweekt, en droog gemalen, om tot roode verw te dienen. Die plant wordt zoowel in het Noorden als in het Zuiden van Europa gekweekt, en kan zeer wel onze koude winters wederstaen. Het schynt dat zy van over zeer oude tyden in België is bekend, dewyl men in de Kronyken beschreven vindt dat de Atrebaten, oude bewoners van de provintie Fransch-Vlaenderen, onder Julius Cesar zeer vermaerd waren om hunne stoffen die zy met den Meekrap rood verwden. Ten tyde van Olivier de Serres, was alreeds den kweek van de Meekrap in Vlaenderen verspreid, hy zegt dat Vlaenderen zyn natuerlyk land is, alwaer men door dien kweek een groot voordeel kan bekomen.

De Meekrap (Aligaris bakir) is eene langlevende plant van Griekenland, die heden in België, door onzen Minister van binnenlandsche zaken, by wien men er alle jaren zaed kan van bekomen, zeer wordt aengeprezen, en die door alle doenlyke middelen den kweek van deze plant aenmoedigt, omdat de verw die er van komt, een schoon levendig rood kleur verschaft, en dat zy ook voor het planten de voordeeligste schynt te zyn. Een onzer kundigste kweekers en vernuftigste fabrikanten, de heer Verplancken, te Gent, heeft over het kweeken van de Meekrap een groot boekdeel geschreven en in 't licht gegeven, waerin hy al de uitnemende voordeelen, die deze planten in België verspreiden, heeft bekend gemaekt, met de wyze van die te zaeijen en te kweeken, en de nuttigheid die de Meekrap bezit heeft aen den dag gebragt; derhalve zal ik my bepalen met te zeggen dat de wortels in poeijers, ook in de geneesmiddelen worden gebruikt, om de pis af te dryven en de verstoptheid van de nieren en lever te openen, en in het bier gezoden en daervan gedronken, voor zeer goed worden geacht om van binnen de gekwetstheid en scheuringen te genezen. Het sap van die wortels in de ooren gedaen, is goed om de pyn van den oorlap te stelpen. De heer Peleguer heeft in zyme werken over den landbouw, te Parys, in 1819, by Michaud gedrukt, 3e deel, bladz. 579 tot 604, ook de wyze van de Meekrap te kweeken, met al de voordeelen die hy inhoudt, beschreven; hy zegt dat de Meekrap van in het jaer 1275, te S. Denis, by Parys, werd gekweekt, en dat men voor het zaeijen altoos het versch zaed moet gebruiken, om kloeke planten te bekomen, want dat het overjarig zaed maer flauwe én zwakke planten voortbrengt. De kundige landbouwer en kruidbeschryver Duhamel zegt ook dat men de wortels van de Meekrap niet te veel jaren in de aerde mag laten, en dat de jonge wortels van drie jaren oud de schoonste roode verw geven, maer die de planten hier gelieven in het groot te kweeken, kunnen zich best bedienen van het vernuftig werk van den heer Verplancken, die zich geheel zyn leven met dien kweek en handel heeft bemoeid. MEELBLOEM, Lauwerstin, Sneeuwbal, Lysterbeziënhout, Kleine Essche, in 't fransch Viorne, Laurier-Tin, Fleur de farine, in 't latyn Viburnum, door Tournefort Viburnum tinus opulus genoemd, en onder zyne 20° klasse, 6° sectie gesteld, der boomen die éénbladige bloemen hebben, door Jussieu onder de familie van het Geitenblad, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria trigynia, planten die met vyf helmstyltjes bloemen en drie stampertjes hebben. De Meelbloem (Viburnum tinus van Linnaeus) is een langlevend heesterachtig boomgewas van Zuid-Europa, dat hier met eenen getakkelden stam en roode jonge scheuten aen de wortels, meer dan 1 meter hoog groeit, met altoosblyvende, eivormige, blinkende groene bladen, en van april tot in mei bloeit, met zeer veel schoone rooskleurige bloemtrosjes, welke, nadat de kransjes zich geopend hebben, zeer lieflyke witte meelbloemen dragen. Men vindt er de volgende medesoorten van: Viburnum tinus hirtum, met langs onder witte gewolde bladen; Viburnum tinus lucidum, met langwerpige, gladde, blinkende en langs onder witte gewolde bladen met witte meelbloemen, die eerst groene en nadien zwarte beziën voortbrengen. De Lauwerslin met witbonte, lansvormige en op de boorden gewolde bladen (Viburnum tinus strictum), is van de Oost-Indiën. Het Lyslerbeziënhout (Viburnum opulus van Linnaeus) groeit hier in de bosschen en wordt ook in de lusthoven geplant. Deze plant heeft Over-Esschebladen en klierachtige bloembladen, en draegt in den herfst roode beziën, welke van de lysters worden opgezocht. De Sneeuwbal (Viburnum opulus var. sterilis) is ook van sommigen Viburnum opulus flora globosa genoemd; hy wordt hier meest in de lusthoven geplant, en groeit heestergewys in struiken, omtrent 2 meters hoog, met gladde, gelipte bladen, bloeit hier in mei, met groote, schoone witte Sneeuwballen, die in sommige streken ook Zoutvat-Roozen zyn genoemd. De gemeene Meelbloem (Viburnum lantana van Linnaeus) is een heester-boomgewas van Europa, dat veel in België in de lusthoven wordt geplant, en omtrent 1 meter hoog groeit, in struiken, getakkeld, met geschaerde olmbladen, rondom gekerfd, die ruw en wolachtig zyn en een grysachtig wit kleur hebben; draegt meest in juny witte bloemtrosjes op de toppen der takken, en brengt roode beziën voort, die by hare rypheid zwart worden en eene samentrekkende kracht inhouden. Er wordt ook eene schoone bruine verw uit de schors getrokken, waervan de doctor en kruidkenner, M. Thiébaut de Berneaud, in zyn werk, Bot. physiologie végétale, bladz. 194, melding maekt. De meelbloemen, Viburnum nudum, Viburnum prunifolium, Viburnum dentatum van Linnaeus, die van Virginië oorspronkelyk zyn, worden hier ook om hare schoone gewassen en witte bloemtrosjes in de engelsche hoven geplant. De Viburnum pyrifolium, met Peerboombladen, en de Viburnum punicifolium, met Granaetboombladen, zyn twee langlevende heestergewassen van Amerika, die door hunne bladen en bloemen de lusthoven, onder de andere groene gewassen, zeer fraei versieren, maer de Viburnum rigidum van Madera, moet hier 's winters in de oranjery worden bevryd. De vermenigvuldiging van deze planten geschiedt door uitloopers en inleggers der jonge takken, welke binnen een jaer genoegzaem wortels maken, en daerna verplant kunnen worden; de jonge takken van sommige dezer planten zyn zeer taei en buigzaem, en kunnen derhalve op de wyze van de wilge gebruikt worden.

MEESTERWORTEL, in 't fransch Impératoire, in 't latyn Imperatoria, is onder de 7° klasse, 4° sectie van Tournefort gesteld, der planten die Zonneschermbloemen dragen, door Jussieu onder de familie van de kroondragende bloemplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria umbellatae, die op de wyze van de Pastenakels bloeijen.

De Meesterwortel (Imperatoria ostruthium van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Oostenryk, die in Italië, Zwitserland en elders groeit, en hier om hare heilzame deugden in veel kruidhoven wordt geplant, zy groeit byna op de wyze van de tamme Angelica, met stelen aen de stengels en breede, gekerfde bladen, bloeit hier meest in juny, met kleine witte bloempjes, die op de toppen der stengels kroonwyze zyn geschikt en zaedjes voortbrengen die zeer wel aen het Dillezaed gelyken. De wortels groeijen dwaers in de aerde en zyn scherp ven smaek, welriekend en vol van een olieachtig sap; zy zyn langs buiten bruin

« VorigeDoorgaan »