Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

DERTIENDE HOOFDSTUK. d MUI,

Maegdelieve. – Maegdenkruid. - Maenkern. - Magnolia. – Mahernia. – Mahonieboom. - Malpighia. - Malrouwe. - Maluweplant. – Mancenillenboom. – Mangoboom. - Maniok. - Mansbaerd. Mansooren. - Marentak. – Marjolein. – Martynia. – Maurandia. – Meekrap. – Meelbloem. - Meesterwortel. – Meibloem. – Melaleuca. - Melastoma. – Melde. – Melikgras. - Melisse. - Meloenboom. – Meloenplant. - Mentzelia. - Menziesia. – Methonica. – Metrosideros. - Meijerplant. – Middagbloem. – Mirabelpruim. – Miserieboom. – Mispelboom. – Mitchella. – Moederkruid. Moerbeziënboom. - Mogori. - Molukbloem. – Monarda. – Mondhout. - Mondruite. - Moniksbaerd. - Monsonia. – Moorsbloem. – Morinde. – Moringa. – Mos. - Mostaerdkruid. – Mottenkruid. – Muerpeper. – Muizenoor. - Muizensteert. - Munte. - Muscari. – Muscuskruid. – Muskaetboom. - Myrrhenboom. – Myrsine. - Myrtenboom.

MAEGDELIEVE, Kersouwe, Paeschbloem, in 't fransch Paquerette, petite Marguerite, in 't latyn Bellis perennis, is onder de 14° klasse, 3° sectie, der Straelbloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de bloemtrosdragende planten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia superflua, samenhelmigen, 2° orde, overbodige veelwyvery.

De Maegdelieve (Bellis perennis van Linnaeus) is eene langlevende, kleine kruidplant van Europa, die ten alle kanten in België in de meerschen en elders wast, met vezelachtige wortels en gladde, vette bladen, die rondom wat langwerpig en weinig aen de kanten gekerfd zyn, en ten meesten deele langs de aerde liggen, tusschen welke bladen meest in april veel bloote schachtjes uitspruiten, die met bloemknopjes groeijen, en in welker midden geelachtige, witte en roodgespikkelde bloempjes bloeijen, die somtyds met witte purperachtige stralen zeer lieflyk in de lente de meerschen en velden versieren. '

De tamme Maegdelievekens of Kersouwen gelyken wel van gedaente aen de wilde, zy worden in de bloemhoven rond de boorden der perken geplant, waer men die dubbele roode,

[ocr errors]

rooskleurige, purpere en roodgespikkelde bloemen, met groene harten, te midden van andere kleuren, ziet voortbrengen. Men vindt onder dit slach de Bellis purpurea en Bellis yoccinea van Willdenow, die van Zuid-Amerika oorspronkelyk zyn, des zomers in den vollen grond geplant, maer 's winters in de oranjery bevryd worden. Men neemt die planten hier meest alle jaren in den herfst uit den grond, om ze te samen met dorre bladen tegen de strenge koude en vochtigheid te bedekken, en weder vroeg in de lente te planten, zy kunnen ook door het ryp zaed vermenigvuldigd worden. De wilde en tamme Maegdelievekens hebben in hunne bladen eene verkoelende kracht en zyn koud en droog van natuer. Lobel schryft dat het sap van de Maegdelieven of het water daervan gedistilleerd, zeer goed is voor degenen die van binnen geborsten of gescheurd zyn. Het kruid en de bloemen van de wilde Maegdelievekens in het water gezoden en gedronken, zyn zeer goed tegen de koortsen, en werden derhalve van de oude Kruidbeschryvers Consoliae minores genoemd, omdat zy ook de wonden heelen en genezen. De Maegdelieven met Byvoet geslooten, verdryven de kroppen en klieren van den hals, en zyn ook goed om op alle andere heete zweringen en verhitte loopende oogen te leggen. Dit kruid met Maluwebladen gestooten en papsgewyze gebruikt, verdryft de heete gezwellen van de mannelykheid en doet de etterzweren genezen, de bladen worden veel in sommige landen by de Moeskruiden en Salade gedaen, en met vleeschsop geëten, zy maken den buik week en veroorzaken eenen wachten kamergang. De blauwe Maegdelieven (Bellis caerulea van Lobel en Clusius), die omtrent Montpellier en elders in het zuiden van Frankryk groeijen en zeer schoone blauwe aengename bloemen dragen, bezitten ook dezelfde krachten, zegt Clusius.

MAEGDENKRUID, Maegdenpalm, Vinkoorde, in 't fransch Pervenche, Vigne vierge, in 't latyn Vinca, door Tournefort Pervinca genoemd, en onder zyne 2e klasse, 1° sectie gesteld, der trechtervormige bloemplanten, door Jussieu onder de familie der Hondendoodplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, die met vyf helmstyltjes en één stampertje bloeijen. De groote Maegdenpalm (Vinca major van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Spaenje, dat in struiken, getakkeld, hier omtrent 40 of 70 centimeters hoog wast, met rankachtige stengels en altoosblyvende, groene, blinkende, rondachtige bladen, maer in koude winters wel somtyds zyne bladen laet vallen, en meest in juny en somtyds in september bloeit, met blauwachtige, witte, trechtervormige bloemen en twee scheeve blaedjes regt gebogen, die bloote zaden voortbrengen, en waervan men eenige medesoorten vindt, de eene met geschakeerde en de andere met witte bonte bladen. De kleine Maegdenpalm (Vinca minor van Linnaeus) is een langlevend klein heestergewas van Europa, dat in België ten alle kanten in de bosschen wast, en waervan men zeer veel medesoorten vindt, die met geschakeerde, witte, bonte, geelachtige bladen groeijen, en met enkele en dubbele, blauwachtige, witte, roode en violettebloemen vroeg in de lente bloeijen. Deze planten, die op belommerde plaetsen in de lusthoven worden gekweekt, kunnen door het zaed en afzetsels vermenigvuldigd worden. Van den grooten Maegdenpalm worden in sommige landen scheerhagen gekweekt, die door hare welriekende bloemen en schoone bladen de hoven versieren. Lobel schryft dat de Maegdenpalm het bloeden uit den neus stelpt, en volgens de italiaensche Kruidbeschryvers worden de bladen in de zwitsersche valdranken als thee gebruikt, om de vrouwen van kinde niet te misvallen; maer de nieuwe Kruidbeschryvers zeggen dat de kleine Maegdenpalm een los, buikzuiverend en zweetverwekkend middel bezit, en tegen de krimpingen der darmen zeer dienstig is. De bloemen en steeltjes of de beziën van den Maegdenpalm, eenigen tyd in de wyntonnen gehangen, maken den omgeroerden troebelen wyn zeer klaer.

Men vindt nog by onze bloemisten de Vinca rosea en Vinca alba van de Indiën, die hier in de warme serren worden gekweekt, en ook door het zaed en afzetsels vermenigvuldigd worden.

MAENKERN, in 't fransch Menisperme, in 't latyn Menispermum, is door Jussieu onder de familie van de Menispermeplanten gesteld, en onder de 22e klasse van Linnaeus, Dioecia dodecandria, tweehuizigen-twaelfhelmigen, met bloemen van het mannekens en wyfkens geslacht. De mannekens bloeijen met vier bloembladen, ronde kelken en acht bloembladen in de kransen, die gemeenelyk zestien gekleurde meeldraedjes hebben, en de wyfkens hebben dezelfde kelken en kransen, maer enkelyk acht meeldraedjes. De canadasche Maenkern (Menispermum canadense van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Canada en ook van Siberiën, dat hier zeer wel in de lusthoven onze koude winters kan wederstaen; het groeit met schoone schildvormige, rondhoekige, hartvormige, lommerryke bladen, die door hun lieflyk groen de engelsche hoven zeer versieren. De virginische Maenkern (Menispermum virginicum van Linnaeus) is een langlevend kreupel-houtgewas van Virginië en Canada, dat met schildvormige en door vliesjes verdeelde bladen zeer lommerryk wast, en ook zeer wel onze koude winters kan wederstaen. Beide deze planten brengen schoone beziën voort, die de lusthoven zeer verheffen. De krachten van deze gewassen zyn my niet bekend; zy kunnen door de beziën, die maer eene kern inhouden, in de lente worden gezaeid en ook door inleggers en uitloopers vermenigvuldigd worden. Sommige Kruidbeschryvers spreken nog van den Menispermum japonicum, den Menispermum cocculus en Menispermum crispum, van Java, die allen in de Indiën groeijen en hier in de warme serren zouden moeten gekweekt worden.

MAGNOLIA, in 't fransch Magnolier, in 't latyn Magnolia, is door Jussieu onder de familie van de Tulpboomen gesteld, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria polygynia, veelhelmigen, wier meeldraedjes, van twintig tot honderd, op de vruchtbeginsels zyn vastgehecht en welker bloemen verscheidene stampertjes hebben.

De Magnolia met groote bloemen (Magnolia grandiflora van Linnaeus) is een langlevend klein boomgewas van Florida, dat hier wel 3 meters hoog groeit, met groene, gryze schors en dikke, eivormige bladen, die wel 15 centimeters lang wassen, van boven groen en van onder wit bemeeld zyn; bloeit van july tot in september, met witte welriekende bloemen en zes of zeven bloembladen, die zich rond openspreiden, en waerop de meeldraedjes met hunne roodblozende kopjes eene schoone versiering maken. Deze Magnolia kan moeijelyk onze koude winters wederstaen en wordt in de oranjery bevryd. De Magnolia glauca van Willdenow, is een laegstammig boomgewas van Virginië, dat hier omtrent 2 meters hoog groeit, met langwerpige en langs onder witachtig bemeelde bladen, en meest van july tot in september bloeit, met witte bloemen en gele meeldraedjes die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden. De Magniolia Tompsonia, die ook met welriekende bloemen van july tot in september bloeit, is eene medesoort van den Glauca, door het zaed verkregen. De Magnolia acuminata van Linnaeus, is een langlevende boom van Noord-Amerika, die hier tamelyk hoog groeit, met puntige groene bladen, en in july groote, breede, blauwachtige groene bloemen draegt, die reukloos zyn en waervan de Magnolia maxima, die met geheel lange en breede bladen groeit, eene medesoort schynt te wezen. De Magnolia tripetala of Magnolia umbellata is een langlevende boom die wel 3 meters hoog wast, met veel groote, zonneschermige en gebogene bladen, en in augusty hier meest groote witte bloemen draegt, met tien of twaelf bloembladen, maer die eenen onbevalligen geur hebben. De Magnolia met zeer groote bladen (Magnolia macrophylla van Michaux) is een langlevend boomgewas van Noord-Amerika, dat zeer lommerryk groeit met bladen van omtrent 60 centimeters lang en 25 breed, die van boven schoon groen en van onder witachtig zyn, en meest in augusty groote bloemen draegt, met witte bloembladen die langs binnen en van onder purperachtig geteekend zyn. De Magnolia purpurea van Curtis, is een langlevend heester

« VorigeDoorgaan »