Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

groot boomgewas van Zuid-Europa, dat hier in België, op de wyze van het Violenhout, in den vollen grond in de lusthoven wordt geplant, en groeit met groene, eivormige, scherpe bladen, wel 12 of 14 centimeters hoog, met lange takken en blinkende schors; bloeit hier meest in mei, met weinig bevallige bloemen, die zwarte drooge vruchten voortbrengen, men vindt er eenige medesoorten van die met geschakeerde bladen groeijen. De westersche Lotusboom (Celtis occidentalis van Linnaeus) is een langlevende boom van Noord-Amerika, die hier ook wel 8 of 10 meters hoog wast, zeer getakkeld, met effene, ruwe, groenblinkende bladen, en meest in mei bloeit, met kleine groene bloempjes, in bundels vereenigd, die schoone beziën, rood als Krieken, voortbrengen. De Lotusboom van de Oost-Indiën (Celtis orientalis van Willdenow) groeit hier maer 4 of 5 meters hoog, zeer getakkeld, met breede, eivormige bladen. De Lotusboom met hartvormige bladen (Celtis cordata van Desfontaines) en de Lotusboom met dikke bladen (Celtis crassifolia van Lamarck), zyn twee schoone boomen van Noord-Amerika, die met gewolde takken en zeer lange, hartvormige bladen groeijen, welke een aengenaem donkergroen kleur hebben. De chinesche Lotusboom (Celtis chinensis) en de Celtis missisipiensis, van Amerika, worden heden in Europa ook veel geplant. Al deze boomen kunnen door het ryp zaed, op vochtige standplaetsen, hier gezaeid worden, en na de zaeijelingen drie of vier jaren in eenige kweekery wel gekoesterd en 's winters met dorre bladen gedekt te hebben, kan men die alreeds het vyfde jaer in de lente op hunne verblyfplaets planten. Er worden heden in Frankryk en elders veel lustbosschen en dreven mede geplant. Het hout van deze boomen, dat zeer hard, taei en gesloten is, wordt van de meubelmakers zeer geacht om alle slach van fraeije meubels te maken.

LUISKRUID, in 't fransch Pediculaire, Herbe auw Pouw, in 't latyn Pedicularis, is onder de 3e klasse, 4° sectie van Tour

nefort gesteld, door Jussieu onder de familie van het Luiskruid, III. 10

[ocr errors]

en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen, en zaed dragen dat in een zaedhuisje besloten is.

Het Meersch-Luiskruid (Pedicularis palustris van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België in al de provintiën, op vochtige plaetsen in de meerschen wast, met getakkelden stengel en stelen met smalle, lange bladen, en meest in july bloeit, met eeltachtige, afgeslipte bloemkelken, en scheeve, gelipte bloemkransjes, die roodachtig purper en op de wyze van de ratels geschikt zyn, maer puntige, schuinsche zaedhuisjes voortbrengen, met twee hutjes, en zaedjes met vliesjes bedekt.

Het Bosch-Luiskruid (Pedicularis sylvatica van Linnaeus) groeit ook in België, ten alle kanten in de vochtige bosschen, met gelakkelde stengels, scheefhoekige, blinkende bloemkelken en hartvormige, gelipte bloemkransjes, die roodachtig en somtyds wit zyn.

Deze planten worden wel gemeenlyk Luiskruid genoemd, maer bezitten dezelfde krachten niet als het zaed van de gemeene Ridderspoor (Delphinium staphysagria), om de luizen van het hoofd te doen verdwynen. Het Meersch-Luiskruid door het vee geëten,

- verwekt de bloedpis.

LYNDOTTER, Vlasdooder, in 't fransch Cameline, in 't latyn Myagrum, is onder de 5° klasse, 1" sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de kruisvormige bloemplanten, en onder de 15° klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermagtigen, planten welker bloemen vier groote en twee kleine helmslyltjes hebben en peulachtige vruchten voortbrengen, die veel zaed inhouden.

De Lyndotter (Myagrum sativum van Linnaeus) is eene éénjarige zaeiplant van Europa, die in België, inzonderlyk veel in West-Vlaenderen, in Noord-Frankryk en Duitschland, alle jaren op het einde van mei in de velden wordt gezaeid, om het zaed dat veel olie inhoudt, zy groeit met spilvormige wortels en ronde stengels, op de toppen getakkeld, omtrent 60 centimeters hoog, met ruwe, haervormige bladen, waervan de onderste, langwerpig plomp en byna spatelvormig, wel 8 centimeters lang groeijen en die op de stengels wassen, byna half stengelomvattend, oorvormig, en met zeer veel haertjes zyn gerand, bloeit meest in july, met veel gele bloempjes, die eironde, kleine schilpjes met zeer veel roodachtige gele zaedjes voortbrengen.

Behalve het groot voordeel van de olie, die men uit die plant kan trekken, bezit zy nog eene draedachtige stoffe, gelyk de Kemp en het Vlas, maer die nogtans niet zoo goed schynt te zyn. Men kan van deze plant op drie maenden het zaed inoogsten; zy wilt in alle bewerkte landen zeer wel groeijen, maer wordt meest met voordeel in de landen gezaeid alwaer 's winters de vruchten vervrozen zyn, gelyk, by voorbeeld, het Koolzaed of andere vruchten die 's winters vergaen. Men neemt gemeenlyk drie kilogrammen van dit zaed voor eene hectare lands te bezaeijen. Deze olieplant is zeer voordeelig, dewyl de bladen en bloemen nooit aengerand worden van de aerdvlooijen en andere ongedierten, die somtyds de zomer-oliedragende planten zoodanig verwoesten, dat zy geheel den oogst doen mislukken. Het ryp worden dezer planten kan men aen de gele schilpjes zeer wel bemerken; men trekt die alsdan op de wyze van het vlas met de hand uit, en laet ze op hoopen droogen om nadien op een dorschkleed, op de wyze van het Koolzaed, te bewerken. De olie van die plant voortkomende, brandt zeer klaer en verspreidt eenen aengenamen geur, de koeken die er van voortkomen, worden gebruikt om de koeijen te voeden en het land te bestrooijen; maer het zaed van deze planten kan slechts één jaer zyne uitspruitende kracht behouden. Het oud zaed wordt ook in dure tyden gemalen en onder het meel gemengd om er brood mede te bakken, en ook veel gebruikt om alle slach van pluimgedierte te voeden. De Lyndotter is zeer nadeelig aen het vlas, welks groeikracht hy belet; derhalve moet een landbouwer wel zorgen, als hy Lynzaed koopt, dat er geen Lyndotterzaed in gemengd is, en van dit kruid op tyds uit het vlas te doen weren.

De pluimvormige Vlasdooder (Myagrum paniculatum van Linnaeus) is ook eene éénjarige kruidplant, die in België in de velden wast, als onkruid ten alle kanten in de velden verspreid, en het vlas zeer kan hinderen.

LYSTERBEZIENBOOM, Sorbenboom, Kwalsterboom, OverEsscheboom, Vogelsbeziën, Berg-Essche, Sperwersboom, in het fransch Sorbier, Cormier, in 't latyn Sorbus, is onder de 21° klasse, 8e sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria trigynia, twintighelmigen, planten welker bloemen met twintig en meer helmstyltjes bloeijen, die op den kelk zyn vastgehecht, en drie stampertjes hebben.' De Over-Esscheboom (Sorbus aucuparia van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van Europa, dat veel in België in de bosschen groeit, en ook om zyne welriekende bloemen in de lusthoven wordt geplant, het groeit omtrent 4 à 5 meters hoog, met gevleugelde, gladde bladen, bloeit meest in juny, met witte bloemtrossen die eenen aengenamen reuk verspreiden, en draegt in september zeer schoone koraelroode beziën, die tot in den winter op de takken blyven hangen. De Bastaerd-Lysterbeziënboom (Sorbus hybrida van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Gothland en Noord-Europa, dat met gevleugelde of gevinde bladen van onder katoenachtig wit groeit, ook in juny witte bloemtrossen draegt en roode, puntige beziën voortbrengt. De amerikaensche Over-Esscheboom (Sorbus americana) is een nieuw boomgewas van Amerika, dat heden veel in sommige lusthoven wordt geplant, en groeit met gevleugelde, groene bladen en schoone, welriekende bloemtrossen, die zeer lieflyke, groote, roodblozende bezien voortbrengen, die in den herfst de hoven VerS1eren. De tamme Sorbenboom of Sperwersboom (Sorbus domestica van Linnaeus) is een langlevend, klein boomgewas van Europa, waervan men eenige medesoorten vindt, met gevleugelde en van onder witachtige bladen; zy worden om hunne eetbare en smakelyke vruchten in België, Frankryk en elders in de hoven, op bezondere plaetsen geplant, en groeijen met eenen zeer getakkelden stam, tamelyk hoog, met gevleugelde bladen, en bloeijen meest in mei, met welriekende, witte bloemtrossen, die peervormige, schoone, roode beziën voortbrengen, welke in den herfst, mel den eersten kleinen vorst, even als de Mespels, eenen aengenamen smaek verkrygen, en in Frankryk veel worden geperst om goede ciderdranken mede te bereiden, en ook worden gebruikt om franschen brandewyn te maken of te distilleren. Van die beziën, met suiker of honig bereid, kan men een goed konfytsel maken, dat voor zeer gezond en voedzaem wordt geacht, dit konfytsel verwekt den eetlust, versterkt de maeg en is zeer dienstig voor de menschen die aen den buikloop onderworpen zyn; het wordt, zegt de heer Buchan, in sommige ziekten als stoppend middel, en om de zwakke magen te herstellen, gebruikt. De gemeene wilde beziën worden ook veel in sommige landen in den herfst vergaderd om brandewyn mede te distilleren. Het hout van de gemeene Over-Esscheboomen, dat zeer hard is en effen slyt, wordt door de schrynwerkers en draeijers veel gebruikt, die boomen worden meest door het zaed der beziën in de lente gezaeid, en de tamme Sorbenboom hier meest op de gemeene Over-Esscheboom geënt of geokuleerd. Op de bergachtige plaetsen van Italië, Frankryk, Duitschland, enz., vindt men van die boomen, die wel 7 meters hoog groeijen, en door hunne welriekende bloemen in mei, en hunne roode beziën in october, eene schoone versiering maken. Men vindt van deze boomen verscheidene medesoorten, die echter niet verschillen dan door de gedaente, grootte en kleur der vruchten, waervan sommige rond, andere peersvormig, min of meer rood zyn. De tamme Sorbenboom kan ook op Doorn-Peer en Kwecstammetjes geokuleerd worden, waerop de beziën zeer groot groeijen en eenen aemgenamen smaek verkrygen.

« VorigeDoorgaan »