Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

monogynia, planten die met vier helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben. De gemeene Leeuwenvoet (Alchemilla vulgaris van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en elders in de velden, op zandachtige gronden, heuvelen en bergen wast, met stelen en gevliesde bladen aen de wortels verdeeld, waeruit alle jaren in mei stengels spruiten, die omtrent 25 of 30 centimeters hoog groeijen, en meest in juny bloeijen, met gele en dikwils roodachtige purpere bloemen, zonder kransen, die een zaedje voortbrengen. De alpische Leeuwenvoet (Alchemilla alpina van Linnaeus) groeit meest in de Alpische gebergten, met vingervormige, getande en gekerfde bladen. De vyfbladige Leeuwenvoet (Alchemilla pentaphyllea van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant, die veel in Zwitserland op de heuvels en bergen wast, met zeer veel gladde en gevleugelde bladen. De Leeuwenvoet (Alchemilla aphanes van Willdenow) is eene éénjarige kruidplant, die in Vlaenderen in de drooge velden wast. Deze kruiden bezitten eene verdroogende en samentrekkende kracht, en de oude Kruidkenners zeggen dat zy gestooten en op de gezwellen en zweringen gelegd, die doen genezen. Maer de Leeuwen voet door Clusius en Dodonaeus beschreven, is heden het Bergroerkruid van Willdenow, dat men voordezen Leeuwenvoet (Leontopetalon en Pilosella) noemde, en onder de 19° klasse van Linnaeus is gesteld. De Leeuwenvoeten worden ook in de kruidhoven gekweekt, en door het zaed en struikscheiding in de lente vermenigvuldigd. Men heeft ten tyde van Plinius en van Matthioli veel gewaende krachten aen die planten toegeschreven, zoo als dat dit kruid aen den hals gehangen, de kracht had om een ander tot liefde te verwekken en zelfs te dwingen.

LELIE, Lelieplant, in 't fransch Lis, in 't latyn Lilium, is onder de 9° klasse, 4" sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Lelieplanten, en onder de 6e klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

Men vindt heden wel 100 verschillige soorten van Leliën, die in de vier deelen der wereld wassen en hier meest allen by onze bloemisten verzameld zyn en om hare schoone bloemen worden gekweekt, zoo als : De Lilium evimium, macranthum, atrosanguineum, - aurantiacum, - superbum, - bulbiferum, folia arg. - Broussartii, lancifolium album, - Kamtschatcense vera, - Canadense, rubrum, candidum, - flora maculata, - folia variegata, - flora pleno, Chalcedonicum, concolor, - croceum, - varietas, evcelsum, - Japonicum, van Brown; – Lilium lanciferum nova, met zyne uitmuntende schoone bloemen; Lilium punctatum, roseum, - lancif rubra, sp. - specios. pallidum, met hunne schoone bloemen; Lilium longiflorum, maculatum, - monadelphum verum, pendulum, - philadelphicum verum, - pomponium, - superbum pyramidale, - testaceum, excelsum, - tigrinum, Thunbergianum, - umbellatum, Martagon, Pensylvanicum, Pyrenaicum, en veel andere met schoone kleuren en klokvormige bloemen. Vele van die planten worden in het beginne van january, in potten in den heigrond, in de matige serren geplant, alwaer zy vroeg in de lente bloemen, deze die men gemeenelyk 's winters in den ligten vollen grond laet, bloeijen meest in july. Zy worden allen door aenwassing der bloembollen vermenigvuldigd, en moeten ten minste alle drie jaren, als hare stengels en bladeren verdroogd zyn, in den herfst in nieuwen grond verplant worden.

De Leliebollen bezitten veel styfselmeel, dat men door de kunstscheiding daer uittrekt, en op de wyze van den ameldonk in de medecynen gebruikt, dat styfselmeel bezit ook een suikerachtig vlugtig zout van een scherp inhoudend beginsel. De Leliebollen worden in sommige landen rauw als den Ajuin en Look geëten; het is wel bewezen dat zy eene verwarmende kracht en een zeer aenhitsend middel inhouden en de worwen uit het lyf verdryven.

LELIE VAN DE INCAS, in 't fransch Pélégrine, Alstroemere,

Lis des Incas, in 't latyn Alstroemeria, is door Jussieu onder de familie van de Narcissebloem en Paeschlelie gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, die op de wyze van de Leliebloemen bloeijen. De Lelie van de Incas (Alstroemeria pelegrina van Linnaeus) is eene langlevende plant van Peru, die met gebobbelde wortels en stengels van omtrent 30 centimeters hoog wast, met blinkende, steellooze, gebogene bladen voorzien, die kruisvormig zyn geschikt, bloeit hier van juny tot in october, met drie of vier witte, rooze en purper gestreepte bloemen op de toppen, die oneffene bloembladen hebben. Men vindt hier by onze bloemisten de Alstroemeria ligta van Linnaeus, Alstroemeria acutifolia, bomorea, Alstroemeria aurea versicolor, die allerschoonste bloemen dragen. De Lelie van de Incas met aderstrepen (Alstroemeria lineata), groeit kleiner, maer met zeer schoone bloemen, die eenen aengenamen zoeten geur verspreiden. Deze planten moeten op eene goede belommerde standplaets in de oranjery worden gekweekt, en kunnen met zorg, door wortelscheiding, in october, na het bloemen vermenigvuldigd worden; men kan ze ook door het ryp zaed in den heigrond op teilen of in potten zaeijen en met dolkens verplanten, welke zaeijelingen op tyds besproeid, het derde jaer bloemen dragen, maer men moet wel zorgen dat de slekken de bladen, en de muizen de wortels niet aenranden, want door den zoeten smaek die deze planten inhouden, zyn zy daerop zeer verlekkerd.

LEPELBLAD, Lepelkruid, in 't franch Cochleaire, in 't latyn Cochlearia, is onder de 5e klasse, 2" sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie der kruisvormige bloemplanten, en onder de 15° klasse van Linnaeus, Tetradynamia siliculosa, viermagtigen, planten die met vier groote en twee kleine helmstyltjes bloemen en peulvruchten met schilpjes, door zaedjes gevold, voortbrengen,

Het gemeen Lepelkruid (Cochlearia officinalis van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Europa, die in België op drooge velden en aen de muren der huizen wast, met fyne wortels en veel lange stelen, met breede, blinkende, rondachtige, dikke en wat uitgeholde bladen, die aen eenen houten lepel gelyken en hoekig zyn, en waertusschen meest in april de stengels uitspruiten, die omtrent 20 tot 25 centimeters hoog groeijen, en meest in mei witte bloempjes dragen, waerop de schilpkens volgen die met zaedjes zyn gevuld welke aen het Kersezaed gelyken. Het engelsch Lepelkruid (Cochlearia anglica) is eene tweejarige plant, die met veel eivormige en scherpe lansvormige bladen aen de wortels wast, en stengels die hooger dan de voormelde groeijen; bloeit ook in mei met witte kleine bloempjes. Het Lepelkruid of Meer-Radys (Cochlearia armoracea van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en elders aen de kanten der vochtige grachten en poelen wast, met lansvormige bladen aen de wortels en stengels, waerop de bladen doorzigtig en gekerfd zyn; bloeit in july ook met witte bloempjes, die schilpjes voortbrengen. Het Lepelkruid (Cochlearia draba van Linnaeus) is ook eene langlevende plant die in België aen de kanten der grachten wast, met lansvormige en stengelomvattende getande bladen en ook wel in mei witte bloempjes draegt. Het schynt dat elk land zyn Lepelkruid bezit, dat door de Voorzienigheid is geschikt om de menschen van het scheurbuik te genezen, dewyl de Cochlearia danica van Linnaeus, in Denemerken, de Cochlearia glastifolia, in Hoog-Duitschland, de Cochlearia coronopus, veel in Frankryk, en de Cochlearia groenlandica, zeer veel in Ysland groeit, vele van die planten worden hier door het zaed in den kruidhof der Hoogeschool gekweekt. Het Lepelkruid is merkelyk warm en droog van aerd, tot in den tweeden graed; met wyn of melk gezoden, en ettelyke dagen achtereen gedronken, is het zeer nuttig om het scheurbuik te genezen en ook om het verzworen en gezwollen tandvleesch te verhelpen. Het belgisch en engelsch Lepelkruid zyn met dezelfde krachten begaefd, en ook van ten tyde der Romeinen hier bekend: Julius Cesar, door de belgische boeren over de krachten dier kruiden onderwezen zynde, heeft die gebruikt om zyne zieke krygslieden te genezen. Het sap wordt heden in sommige landen veel uit het kruid geperst, zuiver op flesschen gedaen en verzonden, en door de scheepvaerders op hunne lange reizen gebruikt, om het scheurbuik te genezen, dit sap is ook zeer nuttig gedronken, tegen de gezwollene milte en verstoptheid; het kruid met azyn gestooten, verdryft de witte en zwarte plekken, die door ziekten op het lichaem komen. Het Lepelkruid in het water gezoden, is goed tegen de vuile zweringen; de bladen worden ook groen, met boter en brood, op de wyze van de Kers geëten, en de wortels van het Lepelkruid gedroogd, in poeijers geraspt en met azyn bereid, kunnen zeer wel den Mostaerd vervangen.

LEPTOSPERMUM, in 't fransch Leptospermum, in 't latyn Leptospermum, is onder de familie van den Myrtusboom gesteld, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, planten welker bloemen meer dan twintig helmstyltjes hebben en maer met één stampertje bloeijen. De volgende Leptospermum zyn langlevende heester- en laeg

stammige boomgewassen van Nieuw-Holland, die over eenige jaren alhier zyn overgevoerd : zy groeijen met altoos blyvende, . groene, kleine bladen, en bloeijen meest in july, met witte, gespikkelde bloempjes, die aen de Myrtusbloemen zeer wel gelyken en eenen welriekenden geur verspreiden: de Leptospermum scoparium van Smith, een schoon langlevend heestergewas, dat met zeer lieflyke bloempjes, met lange meeldraedjes die uit de bloemkransjes hangen, bloeit, de Leptospermum thea van Willdenow, die bladen als den thee draegt; de Leptospermum pubescens van Willdenow, met harige bladen, de L. lanigerum, die met dons bedekte bladen wast; de Leptospermum slavescens, L. melaleuca thea, L. triloculare en de Leptospermum rubricaule, die hier allen in de oranjehuizen 's winters worden bevryd. Deze kostelyke langlevende gewassen begeren op lommerachtige standplaetsen, in den heigrond, gekweekt te worden, maer moeten in den zomer dikwils besproeid zyn; zy kunnen door jonge loten van éénjarige scheuten en afbinding of insnyding, op warme

« VorigeDoorgaan »