Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

blauwe meeldraedjes hebben. Onze bloemisten hebben van NieuwHolland nog de volgende soorten verkregen : De Lambertia fruticosa, Lambertia Prothaea, Lambertia nectarifera, Lambertia oleifolia met olyf bladen, Lambertia propinqua, die allen met allerschoonste bloemen hier in de lente bloeijen, en men by onze bloemkweekers kan bekomen. Deze schoone gewassen moeten hier in de matige serren in den heigrond worden gekweekt, en kunnen door inleggers of afzetsels, op warme broeibakken onder het glas, vermenigvuldigd worden. De krachten welke deze lieflyke planten inhouden zyn my niet bekend.

LAMMERKENS-OOR, Algoede, wilde Melde, in 't fransch Orvale, Toute bonne, in 't latyn Atriplev, ook wel Totabona, is onder de familie van de Melde gesteld, en onder de 23e klasse van Linnaeus, Polygamia monoecia, veelechtigen-éénhuizigen, met tweeslachtige bloemen, Hermaphroditus, en mannekens en wyfkens, die nu op eenen steng, dan afzonderlyk op twee stengen aenwezig zyn; maer met tweeslachtige bloemen gemengd zyn.

De Lammerkens-oor (Atriplew of van de oude Kruidbeschryvers Olus aureum) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in Frankryk, Duitschland, België en elders, op veel plaetsen aen de wegen, hagen, velden, onbebouwde landen en steenachtige gronden wast, met dikke, geelachtige wortels, stengels die omtrent 30 of 40 centimeters hoog groeijen en driehoekige bladen, die van onder tot boven aen de stengels wassen en aen den Kalfsvoet gelyken, bloeit meest in july, op de toppen, met grasachtige bloempjes, die druifwyze ineengedrongen zyn, en zaedjes gelyk de Melde voortbrengen.

De bladen, in vetten grond, komen zeer breed en lang, en gelyken aen den smallen Patrich of gemeene Peerde-Zurkelwortel. De bladeren van de Lammerkens-oor zyn matiglyk droog, verwarmend en zuivermakend van aerd; met andere moeskruiden in de spyzen of potagie gebruikt, maken zy den buik week en verwekken den kamergang. De bladeren groen gestooten en op versche of oude vuile wonden gelegd, doen die heelen en zuiver genezen. Ofschoon dit kruid in den buik winden veroorzaekt, wordt het door de bergbewoners van Zwitserland, Savooijen en elders vergaderd, en als de Melde en Spinagie gebruikt, of ook als Warmoes bereid om als spyze te nutten; de bladeren gezoden zuiveren zacht den buik, en kunnen tot eene purgatie verstrekken. Dit kruid wordt gemeenlyk ten alle kanten in Frankryk Toute bonne, Algoede, geheeten, en ook wel in de moeshoven gezaeid; het werd van de oude Kruidbeschryvers Scharlei genoemd.

LANTANA, in 't fransch Lantana, in 't latyn Lantana, is door Jussieu onder de familie van den Kuisboom gesteld, en onder de 14° klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten welker bloemen met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloeijen en zaedjes in een zaedhuisje besloten voortbrengen. De windende Lantana (Lantana involucrata van Linnaeus) is een klein heester-boomgewas van Zuid-Amerika, dat met witte, katoenachtige en wigvormige bladen groeit, en van mei tot in augusty bloeit, met kleine, roosachtige, witte bloempjes op de topjes vereenigd, die vruchten met nootjes voorbrengen. De Lantana camara van Linnaeus, is een langlevend heestergewas van de Antillische eilanden, dat met getakkelde stengels, zonder doorns groeit, en byna den geheelen zomer bloeit, met kroonvormig geschikte bloempjes op de toppen, die een schoon oranje kleur verkrygen, maer eenen onbevalligen geur bezitten. De welriekende Lantana (Lantana suaveolens) is een langlevend heestergewas van Zuid-Amerika, dat hier van mei tot in september, met witte bloempjes op de toppen bloeit, die eenen zeer aengenamen reuk verspreiden. Men vindt hier nog by onze bloemisten den Lantana violacea, met violette bloemen; den Lantana flava, met gele bloemen. L. Van Houtte, Alex. Verschaffelt, Van Geert en andere boemkweekers hebben hier nog den Lantana aurantia super. en den Lantana Yongii, die onder het Varenkruid zyn gesteld, van ZuidAmerika verkregen, met den Lantana nivea van de Indiën, die met door doorns bedekte takjes groeit en kleine witte bloempjes voortbrengt, welke eenen aengenamen geur verspreiden. Deze schoone gewassen, die in het land hunner afkomst eetbare nootjes dragen, moeten hier in de matige serren worden gekweekt en kunnen door inleggers en afzetsels, op de wyze van de Justitia, in potten in den heigrond vermenigvuldigd worden.

LARKENBOOM, Lorkenboom, Lariksper, Lariaboom, in het fransch Mélèze, in 't latyn Pinus lariv, is onder de familie van de boomen die kegelvormige vruchten dragen gesteld, en onder de 21e klasse van Linnaeus, Monoecia monadelphia, éénhuizigenéénbroederigen, met mannekens- en wyfkens-bloemen. De Larkenboom (Pinus lariv van Linnaeus) is een langlevende, groote boom van de Alpische gebergten, die in België veel in de bosschen, lusthoven en dreven wordt geplant, deze schoone harsachtige boom groeit pyramidewyze getakkeld, met zeer veel korte, puntachtige, lynvormige blaedjes, in hullekens op de oude en jonge takken, die een schoon aengenaem groen vertoonen, zich hier meest op het einde van april ontwikkelen en eenen welriekenden geur verspreiden. De Larkenboom van Corsica (Pinus laricio van Lamarck) en de Larkenboom van Siberiën (Lariv siberica) worden hier sedert 30 jaren ook in de lusthoven en heden veel in plantagiën en bosschen geplant, daer zy door hun lieflyk groen het gezigt zeer verheugen. De kostelyke Larkenboom van de Alpen, die enkelyk sedert omtrent 50 jaren hier veel wordt geplant, bezit zeer veel nuttige deugden. Het hout, dat byna onbederflyk is, wordt gebruikt om huizen en schipstimmerwerk mede te maken, door zyne effene bewerking, schikt het zich zeer wel om gebinden, trappen, zolderingen en alle slach van meubels en schrynwerk te maken. De schors bezit ook veel runne, en wordt van de leertouwers in Zwitserland en elders gebruikt, om de eikenschors te vervangen. Het is uit deze Larkenboomen dat men den besten hars trekt, die hier onder den naem van venetiaenschen terpentyn is bekend en veel in de geneesmiddels wordt gebruikt. Het is ook uit den wilden Larkenboom (Larix europaea) dat de gemeene Manna wordt getrokken, die hier onder den naem van briansonsche Manna by de apothekers is bekend, en zeer veel in de geneesmiddelen als buikzuivering en tegen de langdurige vallingen wordt gebruikt. De Larkenboomen, die op den tyd van 30 of 40 jaren hoog en dik worden, willen hier in alle drooge en ligte zandachtige gronden zeer wel aerden, en om hun duerzaem en onbederflyk hout, dat, als men het na het zagen eenigen tyd in 't water legt, nooit van de wormen wordt aengerand, verdienen zy hier meer geplant te worden. Zy kunnen op de volgende wyze zeer gemakkelyk voortgeteeld worden : Men plukt gemeenlyk de rype kegels in november, laet die op eene drooge plaets geheel droogen, en trekt vervolgens het zaed uit de schilpjes, welk men in de lente op goede standplaetsen, in de hoven in zandachtigen heigrond zaeit, binnen de twee eerste jaren van alle onkruid wel zuivert, 's winters met wat dorre bladen of stroo bedekt, en het derde jaer in de lente gemeenlyk verplant : zy begeren in hunne jongheid weinig gesnoeid te worden. Men kan ook dit zaed vroeg in den winter op warme broeibakken, in den heigrond, in de oranjehuizen zaeijen, en voorts in den zomer, omtrent augusty, met dolkens verplanten, met die zaeijelingen een weinig te besproeijen, zullen zy ook wel hunne groeikracht hervatten. Onder alle harsgevende boomen is de Larkenboom de eenigste die 's winters zyne bladen laet vallen.

LASERKRUID, Magudaris, in 't fransch Laser, in 't latyn Laserpitium, is onder de 7° klasse, 6° sectie van Tournefort gesteld, door Jussieu onder de familie van de kroonwyze geschikte of zonneschermdragende bloemplanten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben. Het breedbladig Laserkruid (Laserpitium latifolium van Linnaeus) is een landlevend kruid van Europa, dat in Vlaenderen en elders in België in de drooge bosschen en velden op sommige plaetsen groeit, met stengels die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, en met hartvormige, gekerfde, uitgesnedene en getande bladen die zeer wel van gedaente aen de Eppe gelyken; bloeit meest in july, en het zaed, dat omtrent de Hondsdagen ryp is, wordt door den wind en de vogels verspreid.

Het fransch Laserkruid (Laserpitium gallicum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant die meest in Zuid-Frankryk en Italië wast, en ook om hare deugden in de kruidhoven wordt gekweekt.

De Laserpitium angustifolium groeit meest in Zuid-Europa, de Laserpitium ferulaceum van Linnaeus, groeit veel in Egypten, Afrika en elders, de Laserpitium simplex van Linnaeus, wordt meest in de Alpen, Zwitserland en Zuid-Frankryk gevonden; zy zyn in alle landen van over zeer oude tyden om hunne deugden bekend. Het sap uit de stelen en wortelen van het opregt Laserkruid getrokken, is zeer heet van aerd en ook merkelyk verwarmend van kracht, dit kruid op eenige wonden of gezwellen gelegd, is sterk naer zich trekkende, en bekwaem om alle uitwassende vleesch, knobbelen, wratten, wennen, builen te doen verteren en genezen, zoo Dodonaeus getuigt. Lobel schryft dat het Laserkruid, welk in Zuid-Frankryk, omtrent Marseillen, wast, en in zynen tyd Laserpitium silphium werd genoemd, een kruid is dat groote wortels heeft, van binnen wit en langs buiten grauw, vol welriekende sap, die aen de Dille, Wenkel en Angelikawortels gelyken en eenen goeden reuk en smaek hebben. Het Lasersap wordt uit de wortels en stelen getrokken; het is roosachtig, klaer en aengenaem van smaek. De Laser die in Italië en Griekenland wast, werd voortyds niet alleen door de apothekers in de medecynen gebruikt, maer diende ook in de keukens om als spyze te eten, zoo Plinius ook schryft. De Laser, zegt Lobel, is heet en droog tot in den derden graed; de wortels, in de spyze gedaen, hinderen de blaes en kunnen moeijelyk verleerd worden. Het sap, met zoete amandels of zachte dranken ingenomen, is goed tegen den hoest en verouderd fleuris, het Lasersap geneest de geelzucht, en is goed om de gespannene zenuwen en gekrompene leden te verhelpen.

Met honig ingenomen, is de Laser zeer goed tegen de vallende en stuiptrekkende ziekten, het Lasersap verdryft ook de koude, huiverachtige koortsen, en van hetzelve, met peper, gember, ruitebladen en honig gemengd, wordt den Electuarium gemaekt, die tegen de vierdendaegsche koortsen wordt gebruikt. De gom

« VorigeDoorgaan »