Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

Antoniusvuer en andere dergelyke kwalen te genezen, de wortels zyn geelachtig van kleur en bitter van smaek.

KRULVAREN, Vrouwenhaer, Venushaer, in 't fransch Adianthe, in 't latyn Adiantum, is onder de 16e klasse, 1" sectie van Tournefort gesteld, der planten die bloemloos groeijen, door Jussieu onder de familie van het Varenkruid, en onder de 24° klasse van Linnaeus, Cryptogamia filices, planten die met verborgene bloemen en vruchten groeijen.

Het Krulvaren (Adiantum capillus veneris van Linnaeus) is eene kleine langlevende kruidplant van Oost-Europa, die in de lente alle jaren uit de wortels spruit, en groeit met dunne, roodachtige bruine stengels en getakkelde bladstelen, omtrent 12 of 14 centimeters hoog, met kleine, geknippelde, wigvormige en rondom gekertelde bladen, op de stengels gescheiden, die aen de Korianderbladen gelyken, maer kleiner zyn; aen de wortels zyn veel dunne haerachtige vezeltjes die zydelings groeijen. Deze plant wast meest in Zuid-Frankryk, Italië, Duitschland en elders aen de oude vervallene muren, langs de wegen, op steenachtige en vochtige plaetsen, aen de waterloopen, poelen en bronnen, en wordt ook op sommige plaetsen in België, omtrent Luik, Chaufontaine, in de Ardennen en rond Namen gevonden. Sommige apothekers en veel kruidzoekers nemen dikwils dit Vrouwenhaer (Capillus veneris) voor de Steenruit, die van stengels en bladen daeraen wel gelykt, maer doch meer hier in Vlaenderen aen de wegen, waterputten en bronnen wast. Dit Krulvaren heeft in het latyn den naem van Adiantum verkregen, omdat de bladen nooit vochtig worden, maer altoos blinkende en glad blyven en droog schynen te wezen.

Dit Vrouwenhaer bezit eene verdroogende hitte en eenen middelmatigen kouden aerd, en is zeer nuttig om de dikke, taeije, slymerachtige vochtigheden van de borst en longer te doen rypen en uit te spuwen, met eenigen drank ingenomen, wordt het tegen het graveel en steen zeer geacht; het kruid groen gestooten of het sap daeruit gehaeld, wordt gebruikt om de kropgezwellen en halsklieren te verteren. Dit kruid wordt veel in Zuid-Frankryk en elders, om den buikloop en bloedspuwing te stelpen, ingenomen. Het water waerin dit kruid gekookt is, wordt zeer geacht om het hoofd mede te wasschen en de schurftheid te genezen; het doet het haer spoedig weder groeijen. Deze plant wordt in de kruidhoven van de Hoogeschool alhier gekweekt en door wortelscheiding in de lente vermenigvuldigd.

KUISBOOM, Abrahamsboom, Kuislam, Zeewilge, in 't fransch Agnus castus, Gattilier, in 't latyn Vitex, Agnus castus, door Tournefort onder de 20° klasse, 4e sectie gesteld, der boomen die éénbladige bloemen dragen, door Jussieu onder de familie van de Wygeboomen, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia angiospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen, welker zaedjes in een zaedhuisje besloten zyn en beziën met vier kerntjes voortbrengen. De gemeene Kuisboom (Vitew agnus castus van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Zuid-Europa, dat hier heestergewyze, maer omtrent 1 meter hoog groeit, met zwakke, gebogene takjes, die eene witachtige schors hebben, en overeenstaende, vingervormige, gekerfde en getande bladen, bloeit meest van july tot in september, met lange aren op de toppen en zeer lieflyke, heldere, kleine violette bloempjes, die eetbare beziën voortbrengen. De Kuisboom met gekerfde bladen (Vitex incisa van Lamarck) en de Vitea negundo van Linnaeus, zyn beiden van China; hunne bladen zyn witachtig en zeer welriekend : zy worden hier 's winters in de oranjery bevryd. Men heeft langen tyd aen de vruchten van den eerstgemelden Kuisboom eene gewaende eigenschap toegekend, en gemeend dat die beziën een middel bezaten, om den venuslust te stelpen en het byslapen te verbieden, maer de koninglyke maetschappy van geneeskunde te Parys heeft vele onderzoekingen daerover gedaen, en ondervonden dat de syroop die men met die beziën bereidt, geenen venuslust vermindert, maer veel vlugtige olie inhoudt en de kracht bezit om de venusliefde te verwekken, en dat zy, door haren welriekenden geur en smaek, meer aendryvende dan ververschende is. Deze bemerking heeft de kruidkundige Lobel ook van in de XVI° eeuw in zyn werk gedaen, en geschreven dat de vruchten en het zaed van den Kuisboom den byslapenslust vermeerderen, gelyk het zaed van de Ruite, zegt hy, denzelfden lust beneemt, maer hy zegt verder, dat de menschen daerin verschillig zyn.

De bladeren en vruchten van den Kuisboom zyn warm en droog tot in den derden graed, en derhalve inwendig genomen zeer bekwaem om al de winden des buiks en moeder te doen scheiden. De vruchten en het zaed worden in sommige landen ook geëten en met de spyzen gebruikt; dit zaed opent de verstoptheid van de lever en milt en geneest de gebreken des moeders, met dit zaed wordt ook eene vlugtige olie gemaekt, die in de geneesmiddels wordt gebruikt, om de vermoeide en verkoude leden mede te stryken. Deze Kuisboomen kunnen door uitloopers en inleggers en door het zaed vermenigvuldigd worden, maer moeijelyk onze koude winters wederstaen; daerom moeten zy in de oranjery bevryd of in den vollen grond met stroo of dorre bladeren bedekt zyn.

KWEAPPELBOOM, Kweboom, Kweperenboom, in 't fransch Coignassier, in 't latyn Cydonia of Pyrus cydonia, is door Jussieu onder de familie van de planten die roosvormige bloemen dragen gesteld, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria pentagynia, planten die met twintig en meer helmstyltjes bloemen en vyf stampertjes hebben.

De gemeene Kweappelboom (Cydonia vulgaris van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Europa, dat van over zeer oude tyden in België is bekend, en waervan men de mannekens en wyfkens zeer wel kan onderscheiden. De gedaenten van deze boomen, bloemen en bladen zyn van eenieder te wel bekend om die allen te beschryven. De eerste gemeene soort van deze Kweappels is rondvallig, en wordt laet in den herfst ryp. De tweede soort is grooter, iets langer en wat puntig naer den steel, gelyk de Peren, en wordt meer geacht. De derde soort is de vroege portugeesche Kwepeer, die men in 't latyn Cydonia lusitanioa noemt, en welke schoone, groote bloemen en dikkere vruchten draegt, eenen lekkeren smaek en een geurig vleesch hebben. Ik heb hier nog den chineschen Kweboom (Cydonia chinensis) verkregen, die in mei met zeer schoone, groote, rooskleurige bloemen bloeit, maer geene vruchten geeft. De japansche Kweboom (Cydonia japonica) bloeit van in september tot in den winter, met allerlieflykste scharlaken bloemen, maer geeft hier ook geene vruchten. Men heeft nog eene nieuwe soort uit het zaed verkregen, die te Parys in den Kruidhof wordt gekweekt en zeer groote vruchten draegt, welke eenen zoeten geur en eenen aengenamen smaek hebben. De Kweboomen zyn van een groot belang in de warme landen, alwaer de vruchten wel hare rypheid verkrygen; zy dienen om allerlei confytsel, goede geestdranken en kwewater te maken, die door den handel verzonden worden. Men ziet in Zuid-Frankryk de oevers der Dourance, en andere stroomende waters die 's winters overspoelen, byna geheel met die boomen beplant. De Kweboomen groeijen ook veel natuerlyk in hoog Duitschland, omtrent den Donauw en elders aen de loopende waters, bosschen en kanten der slooten en grachten. Om hier te lande wel ryp te worden, begeren zy geene beschaduwing van andere boomen die hun de volle zon beletten. Zy schieten met hunne wortels niet diep in den grond, en worden voortgekweekt door het zaed, uitloopers of inleggers, en ook door het stekken van jonge scheuten in de versche aerde, die zeer gemakkelyk wortel vatten, zy worden ook geënt, op paradys-, citroen-, peer- en andere boomen, en willen niet veel gesnoeid noch ingekort WGZGI1. De Kweperen worden in de medecynen veel gebruikt en op verscheidene wyzen in de keuken bereid, als gestoofd of met peren gemengd, tot compot, marmelade, taerten, en zoo wel versch als droog, in suiker of in honig geconfyt. Om die vruchten versch te confyten, neemt men de beste en rypste; men schilt die en snydt ze in kwartieren, men neemt er de klokhuizen wel uit en laet die eenigen tyd in water weeken; na wel gespoeld te zyn, laet men ze in versch water op een zacht vuer zoo lang koken, tot dat zy beginnen malsch en zacht te worden, waerna men die uit het water neemt, op eene teems laet verzypen en dan door de teems steekt; men doet dan by 1 kilo kwemoes 1 kilogramme suiker, en laet het zachtjes op het vuer koken, tot dat het eene behoorlyke dikte verkregen heeft en het suiker wel spint, men doet het dan in eenen pot om te verkoelen, en dit confyt vervolgens met papier, in den brandewyn geweekt, wel overdekt en gesloten, kan verscheidene jaren bewaren. Zie hier de wyze hoe men in Frankryk het kwewater maekt : Men neemt van de vruchten naer wille, die men in eenen yzeren mortier klein stampt en het sap, daeruit geperst zynde, langzaem laet koken, met een weinig kaneel en drie of vier kruidnagels by, nadat het sap de helft verkookt en koel geworden is, perst men het op nieuw door eenen fynen doek; daerna doet men er omtrent half zooveel goeden wyn of franschen brandewyn by en suiker naer mate men het begeert zoet te hebben, waerna men het eenige dagen op eene warme plaets laet staen trekken. Indien men dit helder en klaer begeert, kan men het door vloeipapier laten loopen en dan op flesschen trekken. Al deze konfytsels en liqueuren van de Kweappels gemaekt, zyn zeer geacht, zoowel voor gezonde als zieke menschen; zy versterken de maeg en verkwikken de zieken, als zy daervan met mate gebruiken. De Kwe is ook zeer stoppende en samentrekkende van natuer; derhalve wordt dit konfytsel ook tegen den buikloop en roodenloop gebruikt. Men maekt ook wyn van de Kweappels, die onder den naem van Vinum cydonite is bekend, en olie, die by de apothekers Oleum cydoniorum wordt genoemd, en veel met de medecynen wordt bereid om de maeg te versterken en de zwangere vrouwen te verkwikken. Eindelyk, men zou over al de heilzame deugden dezer Kweboomen wel een geheel boekdeel kunnen schryven.

KWENDEL, Wilde Tymus, Onzer Lieve Vrouwe Bedstroo, in 't fransch Serpolet, Thym d odeur de citron, in 't latyn Thymus serpyllum, is door Jussieu onder de familie van de lipvor

« VorigeDoorgaan »