Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

mige bloemplanten gesteld, en onder de 14e klasse van Linnaeus, Didynamia gymnospermia, tweemagtigen, planten die met twee lange en twee kortere helmstyltjes bloemen en naekt zaed dragen. De Kwendel (Thymus serpyllum van Linnaeus) is eene langlevende kleine kruidplant van Europa, die in België en elders ten alle kanten in de heiden, drooge velden, weiden en op de bergen wast, met stengeltjes van omtrent 10 of 12 centimeters lang, die dikwils aen de aerde met vezeltjes vastliggen en veel kleine, groene blaedjes aen de steeltjes verspreid, die aen den Tymus gelyken; op de topjes der stengels groeijen eerst kleine ronde knopjes, uit welke kleine roodachtige purpere bloempjes spruiten, die byna den geheelen zomer bloeijen. Deze plant brengt zeer veel medesoorten voort, waervan velen met witte bloempjes bloeijen, en meeldraedjes die langer dan de kransjes zyn; sommigen houden eenen aengenamen reuk in en anderen zyn reukloos. De Kwendel of wilde Tymus (Thymus acynos van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Europa, die in België, Frankryk en elders ook veel op de heiden en drooge velden wast, met veel kleine, regte, getakkelde stengeltjes en scherpe, groene, getande en gekerfde blaedjes, bloeit byna den geheelen zomer, met purpere roode bloempjes, op de toppen der stengeltjes rangwyze geschikt. De alpische Kwendel (Thymus alpinus) groeit meest in de gebergten van Zwitserland. Deze wilde Tymus wordt veel, terwyl hy bloeit, vergaderd, met de pakjes van de zwitsersche valdranken gemengd en by de apothekers, onder den naem van Serpyllum erectum, verkocht (Zie het artikel van het Wondkruid). De Kwendel is warm en droog van aerd tot in den derden graed, en wordt derhalve veel inwendig genomen en als verkoeldrank gebruikt; doch, hy doet geweldig zweeten, stelpt de druppelpis en breekt den steen van de blaes; het gedistilleerd water, dat binnen den zomer met dit kruid en bloemen wordt gemaekt, is zeer dienstig, zegt Lobel, om de pyn des hoofds te verzachten en het gezigt te verklaren. De reuk van de Kwendelbloemen en kruid verjaegt alle vergiftige gedierten. Men bemerkt dat die planten nooit door eenig hoegenaemd ongedierte worden aengerand, derhalve is het Kwendelkruid ook zeer dienstig om in de kleerkassen te leggen.

TWAELFDE HOOFDSTUK.
L.

Lablad. - Lachenalia. – Lachnaea. - Lagerstroemia. - Lagunea. – Lambertia. – Lammerkens-oor. – Lantana. – Larkenboom. – Laserkruid. - Lasiopetalum. - Latuwsalade. - Laurierboom. Lavas. – Lavendel. - Lechenaultia. - Ledertouwersboom. - Ledon. - Leeuwenmuil. - Leeuwenvoet. - Lelie. – Lelie van de Incas. – Lepelblad. – Leptospermum. - Leverbalsem. – Leverkruid. - Limodorum. – Limoenboom. – Limonia. – Lindeboom. - Linnaea. - Linze. - Liparia. - Lischplant. - Lobelia. – Loddigesia. – Lomatia. – Longerkruid. – Longermos. – Look. – Lotusboom. - Luiskruid. - Lyndotter. – Lysterbeziënboom.

LABLAD of Klimboon van de Indiën, in 't fransch Dolique, in 't latyn Dolichos, door Tournesort Phaseolus genoemd, en onder zyne 10° klasse, 2 sectie gesteld, der planten die fledderbloemen dragen; door Jussieu onder de familie van de peulvruchten, en onder de 17e klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien meeldraedjes gescheiden, maer in twee groepjes of in twee afzonderlyke lichamen samengegroeid.

Het Lablad (Dolichos lablad van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Egypten, die met windende ranken, op de wyze van de Klimboonen, wel 2 meters hoog klimt, met bladen en drie kleine gespletene blaedjes, en die hier meest van july tot in september bloeit, met trossen en zeer schoone purperachtige violette bloemen, die rondachtige en lange, omgebogene peulschilpen voortbrengen, met zwart- en witgezoomde boonen gevold, welke een goed voedsel inhouden. Deze boonen worden van over eeuwen in Egypten geplant, maer kunnen in ons klimaet niet wel hare rypheid verkrygen; zy worden hier om hare lieflyke bloemen in de hoven geplant. De volgende soorten worden in de Indiën en andere warme landen veel gekweekt :

Het Lablad van de Indiën en van Amerika (Dolichos ensiformis van Linnaeus) met byna regte stengels, dat zweerdvormige peulvruchten als eene goot en boonen met vliezen bedekt voortbrengt, komt van de Indiën en wordt veel in Zuid-Amerika geplant, om de volkeren te voeden. Het Aspergie Lablad (Dolichos sesquipedalis van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Amerika, die met windende ranken groeit en veel in het eiland S. Domingo wordt geplant, zy brengt rondachtige en blinkende peulschilpen voort, somtyds van omtrent 25 of 30 centimeters lang, en boonen die zeer goed zyn om groen en droog te eten. De Dolichos tetragonolobus van Linnaeus, groeit meest in de Oost-Indiën, met windende ranken, en brengt zeer veel vierhoekige peulvruchten voort. De Dolichos altissimus van Linnaeus, is ook van de Indiën, en groeit met windende ranken en langs beide kanten gladde en met haertjes bedekte, gelyke bladen, brengt trossen en zeer lieflyke violette bloemen en trosvormige peulvruchten voort. Men vindt hier by sommige liefhebbers het langlevend Lablad (Dolichos pruriens van Linnaeus) van de Oost-Indiën, dat in de warme serren wordt gekweekt, en groeit met windende stengels en donkere bladen met haertjes bedekt; het bloeit met trossen en rondachtige standaerds in de bloemkransjes, die minder dan de voormelde zyn, en brengt trosvormige peulvruchten voort, die bolsters als golen dragen. De Dolichos lignosus van Linnaeus, met levende, windende, zeer ruwe stengels en lynvormige bladen, is eene plant van de Oost-Indiën, die hier om hare schoone bloemen in de oranjery gekweekt en door het zaed vermenigvuldigd wordt. Men bemerkt nog onder die windende planten den Dolichos van Japan, met welks boonen men die vermaerde sausse bereidt, die onder den maem van Soja cause is bekend, en te Parys en elders veel met het vleesch wordt geëten. Meer dan 20 soorten van Oost- en WestIndiën zyn in België bekend.

LACHENALIA, in 't fransch Lachenale, in 't latyn Lachenalia, is onder de familie van de Lelieplanten gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Lachenalia met hangende bloemen (Lachenalia pendula van Willdenow) is eene langlevende bloembolplant van de Kaep de Goede Hoop, die hier in potten in de oranjery wordt geplant, en uit welker bollen twee bladen spruiten en een vaste schacht, die van onder rood gespikkeld, in het midden groen en van boven purperachtig is, waerop in april allerschoonste bloemtrossen met lange, gepypte bloemen bloeijen, die van buiten op de bloembladen een schoon levend rood en van binnen een donker purperachtig kleur hebben. Men vindt alhier by onze bloemisten en liefhebbers de volgende schoone nieuwe soorten, die allen van de Kaep en van Ethiopië zyn overgevoerd : De Lachenalia met lansvormige bladen (Lachenalia lanceaesolia), met zeven of acht lansvormige, groenblinkende bladen, en schachten die omtrent 25 centimeters hoog wassen, waerop hier in mei bloemtrosjes bloeijen met schoone Lilasbloempjes, die van binnen en buiten een lieflyk purperachtig kleur hebben. De gespikkelde Lachenalia (Lachenalia punctata) bloeit ook met trossen en allerlieflykste purpere of lilas met bruin gespikkelde bloemen. De Lachenalia pallida, met bleekverwige bloemen, de Lachenalia luteola, met geelachtige bloemen, de Lachenalia angustifolia, met smalle bladen en gespikkelde bloemen, de Lachenalia purpureo coerulea, met blauwachtige purpere bloemen, de Lachenalia quadricolor, met vier verschillige kleuren van bloemen, de Lachenalia orchioides, ook met blauwe bloemen, de Lachenalia tricolor, met driekleurige bloemen, en de Lachenalia hyacinthoides van Willdenow, zyn allen van de Kaep. De bloembollen, waervan de krachten niet bekend zyn, worden hier in den heigrond in potten, vroeg in den winter, in de oranjehuizen of in de matige serren geplant, alwaer zy dikwils van april beginnen te bloeijen en door bloembolscheiding vermenigvuldigd worden.

LACHNAEA, in 't fransch Lachnee, in 't latyn Lachnaea, is door Jussieu onder de familie van den Miserieboom gesteld, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Lachnaea met gewolde topjes (Lachnaea eriocephala van Linnaeus) is een langlevend klein heester-houtgewas van Ethiopiën, dat met getakkelde stengels en eenzame, gewolde topjes omtrent 30 centimeters hoog groeit, met veel kleine lynvormige blaedjes in vier lagen kruiswyze op de stengels geschikt, bloeit hier van in maert in de matige serren, met twintig of vyf-en-twintig witte, trechtervormige bloempjes op de toppen, zonder kelken, met vier bloembladen in de kransjes en gele meeldraedjes, die zich op het wit zeer verheffen, en beziën met één kerntje voortbrengen. De Lachnaea purpurea en de Lachnaea conglomerata van Linnaeus, zyn ook twee langlevende heester-houtgewassen van de Kaep, die hier by A. Verschaffelt, L. Van Houtte, De Saegher en verscheidene andere bloemisten worden gekweekt, ook met allerliefste bloemen in april bloeijen en beziën voortbrengen, die de krachten van de Miseriebeziën bezitten. Deze planten kunnen door het kernzaed in den heigrond, in de oranjehuizen, op belommerde plaetsen worden gezaeid en door afzetsels en inleggers, op de wyze van alle andere gewassen van de Kaep, in den heigrond vermenigvuldigd worden.

LAGERSTROEMIA, in 't fransch Lagerstroemia, in 't latyn Lagerstroemia, is door Jussieu onder de familie van de Wederikplanten gesteld, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, veelhelmigen, planten die met twintig tot honderd helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Lagerstroemia van de Indiën (Lagerstroemia indica van Linnaeus) is een langlevend en zeer bevallig heestergewas van China, dat in getakkelde struiken, met roodachtige gele schors en donkergroene, eivormige bladen, omtrent 1 meter hoog wast, en hier meest van augusty tot in october bloeit, met trosvormige aren op de toppen, en zeer lieflyke, purperachtige roode, klokvormige bloemen, met zes bloembladen in de kelken, gekrolde kransjes en zeer veel meeldraedjes, waervan zes langer dan de

« VorigeDoorgaan »