Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

zy door hare lommerryke, lange ranken en bladen, en hare witte, lieflyke bloemen, eene schoone versiering maken.

KALFSVOET, Koortswortel, in 't fransch Pied de veau, in het latyn Arum, is onder de 3e klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met figuer-gedaenten bloeijen, door Jussieu onder de familie van de Aroïden en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizigen-veelmannigen, met mannekens- en wyfkens-bloemen op eenen steng. De geplekte Kalfsvoet (Arum maculatum van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België ten alle kanten in de hooge bosschen wast, veel omstreeks Oosterzeele, Eename en elders in Vlaenderen groeit, en zonder stengels alle jaren uit de wortels spruit, met effene, donkergroene, blinkende bladen, die breed naer den steel, langs boven spits, en somlyds zwartachtig of geelachtig zyn geplekt; in de lente schiet er meest een steel uit, waerop in mei purpere geelachtige knotjes wassen, die vuile, witachtige bloempjes geven. Men vindt er eene medesoort van, die zonder geplekte bladeren wast. De bladen van deze beide soorten gelyken zeer wel aen een pykyzer en hebben ook byna de gedaente van de Serpentstong. De slangkleurige Kalfsvoet (Arum dracunculus van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Zuid-Europa, die veel in België in de bloemhoven wordt gekweekt, en groeit met geknobbelde wortels en groote, vingervormige, gladde, donkergroene bladen aen de wortels, waeruit kruidachtige stengels schieten, die bespikkeld zyn, het kleur van een slangenvel hebben, omtrent 50 of 60 centimeters hoog wassen, en op welker toppen hier in july bloemen bloeijen, die als hoorntjes langs eenen kant zyn gerold, een purperachtig donkerviolette kleur langs binnen hebben en groenachtig wit van buiten zyn. De vliegenvangende Kalfsvoet (Arum muscivorum of Arum crinitum) is eene langlevende kruidplant van Egypten, met groote, dikke wortels, in twee verdeelde groene bladen, die alle jaren uit de wortels spruiten, en kruidachtige stengels, die uit de scheeden wassen, waerop in april hier meest hoornvormige bloemen bloeijen, die een geelachtig wit kleur hebben, met boorden als hoorntjes gerold en van binnen met meeldraedjes en haertjes versierd, aen welke de vliegen, die door den doodlyfachtigen geur welke die bloemen inhouden, er naer aengelokt worden, vast blyven, hetgeen zeer wonderbaer is om te aenschouwen. De serpentkleurige Kalfsvoet (Arum dracontium van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Noord-Amerika, die byna aen den slangkleurigen Kalfsvoet gelykt, zy wordt hier ook in de bloemhoven gekweekt. De Kalfsvoet van Ethiopiën (Arum of Calla aethiopica) is eene langlevende kruidplant, die onder de 7° klasse van Linnaeus is gesteld, Heptandria monogynia, planten die met zeven meeldraedjes en een stampertje bloeijen. Zy groeit hier met groote, pylvormige, groene bladen en lange, gerolde bladstelen, waeruit in february stengels schieten, die omtrent 40 of 50 centimeters hoog wassen, en waerop in maerte witte bloemen beginnen te bloeijen, langs binnen met gele meeldraedjes versierd, die den vorm van een hoorntje hebben en eenen aengenamen geur verspreiden. Al deze planten worden hier meest in den vollen grond geplant, alwaer zy nieuwe jonge bladen en wortels schieten, omtrent den 10 october weder in potten verplant, en voorts 's winters in de oranjehuizen of matige serren gezet, alwaer zy gemeenelyk vroeger bloemen. Zy kunnen door het zaed worden vermenigvuldigd, maer gelyk dit zaed hier zeldzaem zyne rypheid kan verkrygen, worden die planten meest door struikscheiding aengekweekt. Men vindt nog verscheidene andere soorten van Kalfsvoelen, die in Oost- en West-Indiën, en ook in Afrika groeijen en waervan sommige lysten er wel tot 30 verschillige bevatten. is , Van al deze Kalfsvoeten zyn er enkelyk twee soorten die om hunne nuttige deugden zyn bekend: van den geplekten Kalfsvoet (Arum maculatum) die hier te lande groeit, werden voor dezen de wortels in het water gekookt, en nadat het water afgegoten was, met de spyzen gemengd, om de slymerigheid van de borst wel te doen lossen, voor degenen die met de longerziekte, tering en kwaden langdurigen hoest waren gekweld. De wortels van den slangkleurigen Kalfsvoet (Arum dracunculus) werd ook in de geneesmiddelen voor de kortborstigheid, longerziekte en terende menschen gebruikt, maer het schynt dat die middelen heden zyn verworpen en door andere krachtigere middelen zyn vervangen, die aen die ziekten meer toepasselyk zyn. De Kalfsvoeten die in Egypten en in de Indiën groeijen, bezitten eene voedzame kracht, maer zyn scherp van smaek, en worden wel als slympoeijers, op de wyze van de Maniokswortels, gebruikt. De wortels worden opgezocht van de beeren, wolven en andere vleesch vretende dieren, die ze 's winters eten.

KALMIA, in 't fransch Kalmia, in 't latyn Kalmia, is onder de familie van den Oleanderboom gesteld, en onder de 10 klasse van Linnaeus, Decandria monogynia, planten die met tien meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. Men vindt er heden veel verscheidene soorten van, die door de zorg onzer bloemisten uit het zaed zyn gewonnen. De Kalmia met breede bladen (Kalmia latifolia van Linnaeus) is een langlevend schoon heester-houtgewas van Noord-Amerika en Virginië, dat in struiken, getakkeld, wel omtrent 1 meter hoog wast, met altoosblyvende, groene, schoon blinkende, gladde bladen, die eivormig, scherp en zeer lommerryk zyn; bloeit meest in juny en ook somtyds in den herfst, met trossen op de toppen en allerliefste, klokvormige roozebloemen, die in de bloemkelken schoon zyn gespikkeld. De smalbladige Kalmia (Kalmia angustifolia van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van Amerika, dat in struiken groeit, zeer getakkeld, met smalle bladen, en omtrent 1 meter hoog wast, met dunne stengels, rooze bloemtrossen én kleine, klokvormige, gespikkelde bloempjes, die ook in juny en dikwils in den herfst bloeijen. De Kalmia polyfolia schynt hiervan eene medesoort te zyn. De Kalmia glauca is een langlevend klein heester-houtgewas van Amerika, dat in struikjes groeit, maer omtrent 40 centimeters hoog, en hier meest in mei bloeit met bloemtrosjes en lieflyke rooze bloemen. De gewolde Kalmia (Kalmia hirsuta) bloeit hier meest in september, met purperachtige bloemtrossen en gewolde bloemkelken. Men vindt nog de Kalmia lucida, Kalmia oleaefolia, Kalmia pumila, Kalmia humilis, Kalmia floribunda en meer andere soorten, die allen van Amerika hier te lande zyn ingevoerd, maer het is meest uit het zaed van den Kalmia latifolia dat men al de schoone medesoorten verkregen heeft. Men zaeit het dun in den heigrond, zoodra het zyne rypheid bekomen heeft, op teilen of in potten, met 1 of 2 centimeters aerde bedekt. De zaeijelingen moeten gemeenelyk twee winters in de oranjehuizen verblyven eer men die op hunne verblyfplaets verplant. De Kalmias kunnen ook door inleggers van het jong hout en door uitloopers vermenigvuldigd worden, maer om schoone bloemen te dragen, moeten zy allen in den heigrond, in de opene lucht zonder belommering, worden gekweekt. De krachten van deze schoone bloemdragende houtgewassen zyn my niet bekend.

KALMUSWORTEL, Welriekende Kalmus, in 't fransch Calmus aromatique, in 't latyn Acorus, is door Jussieu onder de familie van de lisch- en welriekende planten gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloeijen en maer één stampertje hebben.

De welriekende Kalmuswortel (Acorus calamus van Linnaeus) is eene langlevende lischplant van Europa, die in België en elders in de staende en loopende waters en ook veel by Gent in de Brugsche Vaert wast, en als lisch alle jaren in de lente uit de wortels spruit, met ronde scheeden, stengomvattende bladen en rolvormige bloeischeeden door bloempjes bedekt, met kleine, bloote bloemblaedjes zonder steeltjes, die te samen als katjes bloeijen, en zaedhuisjes in drie hutjes verdeeld voortbrengen, de wortels en al de deelen dezer plant zyn zeer welriekend. Dit is gelyk de ware Kalmuswortels hier te lande groeijen, en welke, volgens deze beschryving, eenieder wel kan kennen.

De grasbladige Kalmuswortel (Acorus gramineus van den Hortus Kew.) is eene langlevende kruidplant van China, die ook in sommige kruidhoven, in vette vochtige gronden, wordt gekweekt en nog zeer zeldzaem hier te lande is verspreid, zy heeft de gedaente van het gemeen riet. De eerstgemelde is om zyne deugden van over zeer oude tyden hier bekend : de wortels in poeijers of op alle andere wyze gebruikt, houden eene overvloedige buikzuivering in; zy worden door de apothekers veel met andere medecynen bereid en ook van de paerdenmeesters gebruikt, om de paerden en muilezels van de snotterigheid te genezen. Deze wortels met suiker in eenen drank of wyn bereid, zyn ook zeer dienstig om de galblaes te herstellen en de geelzucht te genezen, zy worden ook als buiklossing voor sommige anderdaegsche koortsen gebruikt, maer te veel in eens daervan ingenomen, kan ook de ingewanden verhitten en kwade gevolgen veroorzaken. Derhalve, om alle misbruiken te vermyden, is het zeer noodig dat een kundige geneesheer de dosis aen de zieken voorschryft, terwyl veel onkundigen die wortels op genever laten trekken en daervan te veel in eens drinken, hetgeen hindering in stede van voordeel kan veroorzaken. Deze wortels zyn ook zeer goed om tusschen de pelteryen, wollen lakens en kleederen te leggen, daer zy door hunnen reuk alle ongedierten en kleerworms verdryven.

KAMELLIA, Japansche roos, China-roos, in 't fransch Camellia, Rose du Japon, in 't latyn Kamellia, is door Jussieu onder de familie van de Oranjeboomen gesteld, en onder de 16 klasse van Linnaeus, Monadelphia polyandria, een broederigen met veel helmdraden, slach van planten welker meeldraedjes in eenen bundel vereenigd zyn door het samengroeijen der helmdraden.

De Kamellia of Japansche Roos (Kamellia japonica van Linnaeus), is een langlevend, klein, boomachtig gewas van China en Japan, dat met getakkelden stam hier omtrent 1 1/2 meter hoog wast, met gladde en scherpgelande groene bladen, en meest in april, met allerliefste dubbele rooze bloemen bloeit.

De Japansche Roos (Kamellia sasanqua van Linnaeus) is een langlevend boomachtig gewas van Japan, met altoosblyvende,

« VorigeDoorgaan »