Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub
[ocr errors]

verdryven; zy worden ook veel voor de besmetheid der maeg en voor de moederkwalen gebruikt, zy genezen nog alle de gebreken die uit de slymerachtige en ITU We vochtigheden en van de winden komen. Het sap van dit kruid, met wyn of honigwater gedronken, is zeer goed voor degenen die geborsten, en van hoog gevallen of geslagen zyn. Het Kattekruid, zegt Clusius, in de badstoven gedaen en daerin de vrouwen gebaed, verwekt de maendstonden en vervoordert de vruchtbaerheid. In sommige streken van Spaenje, Italië en elders, worden de jonge toppen en bladen als toekruid met de salade en moeskruiden geëten, waeraen die eenen aengenamen smaek geven, den eetlust verwekken, door hunnen lieflyken geur de hersenen versterken en ook het ingewand verzachten. Dit kruid heeft den naem van Kattekruid verkregen, omdat de katten in deszelfs aengenamen reuk behagen schynen te vinden, want zy streelen zich gemeenlyk rond dit kruid, en eindigen met zich daerin te wentelen en er de toppen en bladeren van te eten. By de apothekers wordt dit kruid gemeenelyk Nepeta genoemd, en is van sommigen ook hier te lande wilde Munte geheeten.

KEIZERSKROON, Paeschlelie, Kievitsbloem, in 't fransch Fritillaire, in 't latyn Fritillaria, is onder de 9° klasse, 4° sectie der leliebloemen van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Lichbloem-plant, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Keizerskroon (Fritillaria imperialis van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Persiën, die in België in de bloemhoven wordt gekweekt, en groeit met groene, geheele bladen en stengels, die van in february uit de bloembollen spruiten, omtrent 60 centimeters hoog, en waerop meest in april rondom de bovenste toppen wonderbare, klokvormige bloemen hangen, die hollig zyn; in het onderste gedeelte der bloemkelken bloeijen de meeldraedjes, die de lengte van de bloemkransen hebben; de bloembladen zyn gespikkeld, gelyken aen de kievitspluimen, en vertoonen zich zeer lieflyk met groenachtige kransen, die den

III. w 3

vorm van eene kroon hebben. Men heeft eenige medesoorten door het zaed verkregen, die witachtige, gele, dubbele en enkele bloemen hebben, maer de bloemen van deze plant, uit het zaed gewonnen, veranderen somtyds van kleur, zy zyn dikwils geel, bleekgeel en geelachtig bruin gespikkeld. Deze Keizerskroon is eerst door Clusius, in het jaer 1576, uit Weenen naer België gezonden, alwaer zy heden alom is verspreid, en alle 3 of 4 jaren, door bloembol-scheiding, in nieuwen verschen grond wordt verplant, dan draegt de plant veel schoonere bloemen. De persiaensche Keizerskroon of Kievitsbloem (Fritillaria persica van Linnaeus) is eene langlevende bloembol-plant van Persiën, die met eenen stengel en veel langwerpige, steellooze bladen, omtrent 40 of 50 centimeters hoog wast, en hier in mei bloeit, met trossen en 20 of 25 schoone, groote, blauwachtige, violet gespikkelde bloemen. De bont gestreepte Keizerskroon (Fritillaria meleagris van Linnaeus) is eene langlevende plant van Europa, die met dunne stengels en smalle, scherpe bladen, maer omtrent 20 of 25 centimeters hoog wast, en meest in april bloeit, met gespikkelde, bonte bloembladen, die aen de pluimen van een perelhoen gelyken. Men heeft hier en elders door het zaed veel verscheidene soorten van die planten bekomen, die heden onder de volgende namen zyn bekend : Fritillaria flora luteo pleno, Fritillaria flora rubra pleno, F. coccinea, F. mawima, F. aurea variegata, F. Williams en meer andere, die in Nederland zyn gewonnen, door den handel veel worden verspreid en om hare schoone bloemen worden gekweekt. De krachten van deze bloemen en bollen zyn tot heden van niemand bekend noch beschreven.

KELKBLOEM, in 't fransch Calycanthe, in 't latyn Calycanthus, is door Jussieu onder de familie van de roosvormige bloemplanten gesteld, en onder de 12e klasse van Linnaeus, Icosandria polygynia, planten die met twintig en meer helmstyltjes bloemen en verscheidene of veel stampertjes hebben.

De Kelkbloem van Carolina (Calycanthus floridus van Lin

[ocr errors]

naeus) is een langlevend heester-houtgewas van de Carolinsche Eilanden, dat in struiken, zeer getakkeld, wel 1 1/2 meter hoog groeit, met bruinachtige gryze schors, hout dat zeer welriekend is, en groote, eivormige, donkergroene, over elkander staende bladen; bloeit van mei tot in july, met purpere, bruine bloemen, die als fluweel zyn gekleurd, en waervan de bloemkelken en kransen gedeeltig omhellen en eenen krans verbeelden, waerdoor de plant haren naem verkregen heeft uit het grieksch KalivAnthos, dat in onze vlaemsche tael Kelkbloem bediedt. De Kelkbloem met blinkende bladen (Calycanthus laevigatus) is ook een langlevend heester-houtgewas van Noord-Amerika, dat met helderbruine bloemen en witte kopjes op de meeldraedjes bloeit. De kleine Kelkbloem (Calycanthus nanus) van Amerika, groeit hier een derde kleiner, maer heeft lange, blinkende bladen en kleine bloemen, die eenen aengenamen geur verspreiden. De Kelkbloem van Japan (Calycanthus praecox van Linnaeus) bloeit maer met vyf helmstyltjes en heeft verscheidene stampertjes, derhalve zou zy moeten onder de 5° klasse van Linnaeus gesteld zyn. Men vindt hiervan nog eene medesoort met groote bloemen (Calycanthus praecox grandiflorus), van Japan, met blinkende, lansvormige bladen, die gemeenelyk met geelachtige, ronde bloemen, langs binnen gerold, bloeit. Deze planten worden, om haren aengenamen reuk, hier veel in de lusthoven onder de andere bloemdragende houtgewassen gekweekt en door uitloopers, die zy genoeg geven, vermenigvuldigd; zy kunnen ook door het ryp zaed, dat men vroeg in de lente op eene byzondere plaets zaeit, aengekweekt worden. De bloemen worden veel vergaderd en door de reukwerkers gebruikt, om riekende water mede te maken en het haer te parfumeeren.

KEMELHOOI, riekende Bies, in 't fransch Pature de chameau, in 't latyn Schoenanthum, is onder de familie van de Biezen gesteld, en onder de 6 klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. va Het Kemelhooi (Schoenanthum of Juncus odoratus van Dodonaeus), is eene langlevende plant van Afrika, die in Algiers en elders in Arabiën veel in de woestynen groeit, in struiken met grasachtige, dikke, styve stengels, die aen de wortels schelpgewyze te samen in elkander zyn gewonden, en van boven met voorwaerts gebogene, spitse, dunne, uitgespreide bladen, die zeer blinkende zyn; zy wast wel 30 of 40 centimeters hoog, gelykt wel aen het Rietgras of Biezen, en bloeit met bleekroode, geelachtige bloemen met kafachtige bloemschubbetjes, die langs buiten rood en langs binnen wolachtig zyn en den reuk van den Cyperus of Rietgras hebben. De bladen van deze planten gestooten of tusschen de vingers gewreven, verspreiden eenen zeer aengenamen reuk, die de hersenen doet bewegen. De jonge toppen van de planten worden in Afrika en elders in de heete landen vergaderd, en versch en droog als hooi gebruikt om de kemels te voeden. De dromedarissen, de kameelpantheren en andere groote kruidetende dieren, die in de woestynen verkeeren, voeden zich meest met de jonge loten van die planten en weiden die somlyds tot aen de wortels af. Deze plant wordt in sommige kruidhoven van Italië gekweekt, maer kan hier onze koude winters niet wederstaen en moet in de oranjery bevryd zyn; zy kan door het ryp zaed en door wortelscheiding vermenigvuldigd worden.

KEMP, Kennip, Hennip, in 't fransch Chanvre, in 't latyn Cannabis, is onder de 15e klasse, 6° sectie van Tournefort gesteld, der planten die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Netels, en onder de 22° klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizigen met vyf helmstyltjes, de mannekens en wyfkens bloemen zyn afzonderlyk op twee verschillige planten aenwezig, het wyfken draegt geene vruchten als het manneken daervan te verre verwyderd bloeit, en het aldus het teeltstof van het manneken niet vat; men noemt die gemeenlyk in de kruidkundige termen Kemphaen en Kemphinne. De Kemphaen bloeit met meeldraedjes in de kelkjes, zonder kransjes, en draegt geene vruchten, de Kemphinne bloeit met éénbladige en zydelings opene bloemkelkjes, zonder kransjes, en brengt twee geschilpte vruchten of zaden tusschen elken bloemkelk voort. De Kemp (Cannabis sativa van Linnaeus) is een éénjarig houtachtig kruidgewas van Persiën, dat van over zeer oude tyden in Europa en alhier in België is ingevoerd, en alle jaren in de velden, hoven en elders, in mei wordt gezaeid; het wast met spitsvormige stengels meer dan 1 1/2 meter hoog, en ruwe, gevleugelde bladen. De kweek en al de heilzame deugden van deze plant zyn van eenieder te wel bekend, om die hier allen op te noemen, men zou ten anderen hierover een geheel boekdeel kunnen schryven; zoo als voor eerst de wyze van den Kemp te kweeken, rooten en bewerken, om dien tot het spinnen te bereiden en linnen, zeilen en alle slach van koordewerk mede te maken. Het Kempzaed, waervan men olie maekt, dient ook om alle slach van pluimgedierte te voeden, wordt zeer nuttiglyk op verschillige wyzen in de geneesmiddelen gebruikt, en is by de apothekers onder den naem van Chenevis bekend. De verkoeldrank dien men van dit zaed maekt, nadat men het in poeijers gestampt heeft, is een der verzachtendste middels om in alle vurige ontstekingen met voordeel te gebruiken, pappen daerven gemaekt, zyn zeer dienstig om op de vurige en harde gezwellen te leggen; dit zaed in den willen wyn lang geweekt en gedronken, geneest de verstoptheid van de lever, maer te veel daervan ingenomen, klimt naer het hoofd en verwekt eenen dommen slaep; daerom wordt het kempzaed met voorzigligheid inwendig gebruikt. De jonge stengels van den Kemp in de kamers waer veel vlooijen zyn, gelegd, doen die vlugten en sterven, en als men den Kemp in het water kookt en er de huizen of kamers mede wast, verdryft dit water al de vlooijen, wormen en andere ongedierten; dit water aen de paerden te drinken gegeven, dryft al de wormen uit den buik af, het gedistilleerd

« VorigeDoorgaan »