Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

pers, en onder de 13° klasse van Linnaeus, Polyandria monogynia, slach van planten die van twintig tot honderd helmstyltjes, op den kelk vastgehecht, en maer één stampertje hebben. De gemeene Kapperboom (Capparis spinosa van Linnaeus) is een langlevend heester-boomgewas van Zuid-Europa en de oostersche landen, dat hier in struiken groeit, gerankt met dunne takjes, ronde, geheele bladen, en bladstelen vereenigd en beschermd door twee kromgebogen doorns, die na het vallen der bladen scherp prikkelen, bloeit hier meest in juny, met zeer lieflyke, groote, witte bloemen, die lange meeldraedjes in de kransen, en gemeenelyk vier bloembladen in de kelken hebben en beziën voortbrengen met eene schors bedekt, die een hutje en veel zaedjes inhouden. De bloemknoppen van deze Kappers worden gemeenelyk in Frankryk en elders geplukt en vergaderd, eer de bloemen zich ontsluiten, en met Wenkel en zout ingelegd, om 's winters in de keuken met de spyzen te gebruiken, op de wyze als men hier met de bloemknoppen van den Genst doet; zy worden als toekruid met olie en azyn geëten. In Frankryk dryft men eenen grooten handel in die Kappers die naer vreemde landen worden gezonden, en voor zeer gezond zyn geacht, inzonderheid voor de menschen die met het scheurbuik, graveel of steen zyn gekweld. Zy zyn ook zeer goed tegen de gezwellen en gebreken van de milte, en kunnen ook de koortsen verdryven; het zaed van de Kappers, in den azyn gezoden en warm in den mond gehouden, stilt de tandzweer. De wortels worden ook door afkooksel of in poeijers, als afdryvend middel tegen de verstoptheid in den onderbuik en voor de bleekzucht gebruikt. voici: De Kapperboomen worden meest door het ryp zaed, in den herfst op teilen, in de oranjeryen, vermenigvuldigd, om nadien te verplanten en 's winters in de oranjehuizen tegen de koude te bevryden. Maer men zou die ook wel aen de hoeken in het Zuiden, aen de muren, tusschen de andere leiboomen kunnen planten, met de takken by den grond af te snyden en de struiken wel met zorg te dekken, die ligtelyk alle jaren hoog uitschieten en ook veel uitloopers geven.

KAPUCINE-KERSE, Indiaensche Kerse, in 't fransch Capucine, fleur potagère, in 't latyn Tropaeolum, van Tournesort Cardamindum, en onder zyne 11° klasse, 2° sectie gesteld, der planten die met figuergedaenten bloemen, door Jussieu onder de familie van de Geraniums, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De kleine Kapucine-Kerse (Tropaeolum minus van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Peru, die in het jaer 1580 eerst in Europa is overgevoerd, zy groeit met rankachtige stengels en schildachtige bladen, en bloeit hier byna den geheelen zomer, met vyf ongelyke, scherpe bloembladen en spooren die geelachtig en met borstelige haren zyn bekleed, de bloembladen zyn geland en met haertjes gerand.

De groote Kapucine-Kerse (Tropaeolum majus van Linnaeus) is eene éénjarige plant van Peru, die sedert 1684 in Europa is overgebragt; zy groeit hier met lange, gerankte en zwakke stengels en schildvormige bladen, bloeit van juny tot in den herfst, ook met gele bloemen, die aen de eerstgemelde zeer wel gelyken en zaedjes, in groene vliesjes bewimpeld, voortbrengen, welke op de wyze van de Komkommers worden ingelegd om met de spyzen als toekruid te eten. Men plukt die gemeenlyk groen, als zy de grootte van eene erwt verkregen hebben, in Frankryk en elders worden zy veel op de wyze van de Kappers bereid, om 's winters te eten. De bloemen en stelen, die eenen prikkelenden en aengenamen smaek inhouden, worden ook versch als toekruid met de salade en andere spiyzen gebruikt. Het sap wordt ook uit de stengels, bladen en bloemen geperst en als een scheurbuik genezend middel van de zeevaerders gebruikt. Deze KapucineKerse bezit dezelfde krachten en al de eigenschappen die de Fontein-Kerse inhoudt, en is derhalve onder de moeskruiden gesteld. De bloemen van de Kapucine-Kerse vertoonen in den zomer een wonderbaer verschynsel, dat Mevrouw Linnaeus zelve eerst in haren hof, in de maend july heeft bemerkt : als het binnen den dag schoon, helder zonneschyn heeft gemaekt, dan ziet men omtrent den avond, in het midden dezer bloemen

7 gedurig een blinkende licht schitteren, dat als een glinsterend electriciteit-vuer sprinkelt. Het schynt dat dit licht, welk omtrent zonnenondergang uit die bloemen straelt, eigen is aen eene stoffe die door de zonnestralen getroffen wordt, en brandt naer mate dát die bloemen zich 's avonds sluiten. Deze Kapucine-Kersen worden vroeg in de lente in de bloemhoven gezaeid, om priëlen te bekleeden of aen stokken te leiden, daer zy door hare schoone gele bloemen de hoven in den zomer fraei versieren. - Men kweekt hier nog in de warme serren de dubbele KapucineKerse (Tropaeolum flore pleno), die met allerlieflykste, dubbele, hooggele bloemen den geheelen zomer bloeit, door afzetsels wordt vermenigvuldigd en altoos levende blyft.

KARWEI, in 't fransch Carvi, Girole, in 't latyn Carum, is onder de 7e klasse, 1e sectie van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de kroonvormige bloemdragende planten, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria digynia umbellatae, planten die met vyf meeldraedjes en twee stampertjes kroonvormig bloeijen.

De Karwei (Carum carvi van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Europa, die in België en elders in de vette velden en meerschen, aen de kanten der loopende rivieren, die 's winters overspoelen, wast, met gevleugelde bladen en hollige stengels, die van boven getakkeld en met kleine blaedjes bekleed zyn, en omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeijen, waerop meest in juny kroonwyzegeschikte, witte bloempjes en wyde kransjes bloeijen, die zwartachtige, lange zaedjes voortbrengen, welke de gedaente van het Anyszaed hebben. De wortels van deze plant zyn lang en dik, wit geelachtig van kleur en sappig, en hebben den smaek van de Pastenakels. Men vindt deze plant veel in de Leeremeerschen van Gent, zy groeit ook veel te Moortzeele en Scheldewindeke, in de meerschen aen de beke, en wordt om hare deugd ook in sommige kruidhoven gezaeid; zy wordt in sommige landen als de Spinagie bereid en in de keuken gebruikt. Het zaed van de Karwei is warm en droog van aerd tot byna in den derden graed, heeft eene matige scherpe eigenschap en byt een weinig op de tong, maer het heeft eenen aengenamen smaek, verdryft de winden, verteert de spyzen, verwarmt de maeg en maekt eenen goeden adem; het wordt ook op de wyze van het Anyszaed met den genever gedistilleerd, en ook in sommige landen veel met brood in koeken gebakken, waeraen het eenen aengenamen smaek verschaft. De wortels van dit kruid worden van de zwynen gretig gezocht, en zyn zeer dienstig om hen van het ongans vuer te bevryden. Dit kruid heeft in onze tael den naem van Karwei, uit den griekschen naem Caros verkregen, en by de apothekers wordt het zaed gemeenelyk Carui genoemd.

KASTANJEBOOM, in 't fransch Chataignier, in 't latyn Castanea, is onder de familie van de Ahoornboomen gesteld, en onder de 21° klasse van Linnaeus, Monoecia polyandria, eenhuizigen met veel meeldraedjes; er zyn mannekens- en wyfkensbloemen, die op denzelfden boom gescheiden zyn.

De tamme Kastanjeboom (Castanea vesca van Willdenow) is een langlevend boomgewas van Zuid-Europa, dat in België in dreven en bosschen wordt geplant en zeer dik en hoog groeit, met langwerpige, lamsvormige, getande en gekerfde bladen. Men vindt er de volgende medesoorten van, die waerdig zyn hier gekweekt te worden: de koninglyke witte, de groene, de pourtalonne, die gemeenelyk drie kerntjes in de schilpen heeft, met groote, rondachtige vruchten, en de Kastanje-Marron die gemeenelyk maer eene kern in de schilpen heeft, welke rondachtig, dik en zeer smakelyk is. Het is meest van dezen Marronboom, dat men in Zuid-Frankryk, Italië en elders, op de gemeene Kastanjeboomen ent, die aldus door het afenten verbeteren en groote vruchten voortbrengen. Deze enten aerden hier ook zeer wel op de gemeene Kastanjeboomen, en geven vruchten die men voor lyonsche Marrons kan doen doorgaen. Ik heb die proeven op myne gemeene Kastanjen gedaen, met enten die ik uit Zuid-Frankryk had medegebragt, en verkryg alle jaren vruchten die de grootte van de lyonsche Marrons hebben, maer die boomen zyn in eene ry geplant en wel beschermd tegen de koude noordsche winden, die dikwils in het bloeijen het teeltstof der bloemen doen mislukken, en beletten dat die boomen vruchten dragen gelyk in de warme landen. Ik moet hier doen opmerken, dat al deze soorten van Kastanjeboomen van natuer eenen goeden, vruchtbaren grond beminnen, want in vaste, styve of potaerdachtige gronden, doen zy slechten voortgang. De lage trosachtige Kastanjeboom (Castanea chincapin) en de dwerg-Kastanjeboom (Castanea pumila van Willdenow) zyn van Noord-Amerika, en kunnen ook zeer wel onze luchtgesteldheid wederstaen; zy dragen vruchten die een weinig kleiner zyn, maer van eenen zeer aengenamen smaek, en worden by sommige liefhebbers in de tuinen geplant. De voortkweeking der Kastanjeboomen geschiedt meest door de vruchten, die men 's winters in het droog zand te meuken zet, en met het voorjaer, in goeden grond, omtrent 20 centimeters van elkander, en 7 of 8 centimeters diep plant, en na 2 of 3 jaren groeijing, voorts op 50 of 60 centimeters vierkant van elkander verplant, maer eerst de peenwortels maer behooren afsnydt, waerdoor zy beter hunne groeikracht hervatten. De ondervinding heeft my geleerd dat men geene jonge Kastanjen voor den winter mag verplanten, maer wel in maerte of april. De Kastanjen worden veel tot spyze in de huishoudens gebruikt, zy zyn smakelyk en lekker, om als vulsel in de kiekens, ganzen, kalkoenen, endvogels, enz., te doen, In sommige plaetsen van Savoijen, Italië, Frankryk en elders, waer deze boomen veel in de bosschen en aen de bergen wassen, worden de vruchten zeer veel als spyze geëten : als er gebrek aen granen is of in dure tyden, leven er eene groote menigte menschen van deze vrucht, die zy braden en eten of wel malen en brood van bakken, met welk meel zy ook goede pappen koken en koeken maken. Men kan de Kastanjen lang versch bewaren, met ze op hoopen te leggen en met veel zand te overdekken, dat er geene lucht by kan komen die ze doet bederven. Men plant heden veel bosschen en ryen van die Kastanjen, die zeer voordeelig zyn en aen de kweekers een groot inkomen opleveren, want de takken van 6 of 7 jaren zyn zeer kostelyk w

« VorigeDoorgaan »