Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

sectie van Tournefort gesteld, der kruiden die noch zigtbare bloemen noch vruchten dragen, door Jussieu onder de familie van de Kampernoeliën, en onder de 24e klasse van Linnaeus, Cryptogamia, planten die verborgene bloemen en vruchten dragen. Deze wonderbare planten, waeronder men zeer veel verschillige soorten vindt, die in Europa en elders groeijen en waervan de onderzoeking en beschryving nog onvolledig is, zyn zeer talryk in hare medesoorten; men vindt in sommige kruidkundige lysten meer dan 300 verscheidene soorten beschreven, en de heer Vaillant alleen, in een werk dat hy over de Kampernoeliën heeft geschreven, telt er 160 die enkelyk omtrent Parys groeijen, waervan somwylen op 30 er maer 2 eelbaer zyn, en al de andere min of meer eene vergiftige kracht inhouden; derhalve is het zeer zorgelyk voor de onkundige menschen die geene volmaekte kennis van de eetbare Kampernoeliën hebben, die te plukken, daer zy zich in gevaer stellen van dikwils eene vergiftige voor eene eetbare te plukken, dewyl de kleuren waer aen die planten meest kenbaer zyn, somtyds den besten kenner kunnen doen twyfelen, want, by voorbeeld, de ware oranje Kampernoelie, die voor goed en eetbaer wordt gekend, is dusdanig gelyk aen de valsche oranje, die nogtans een spoedig doodelyk vergift inhoudt, dat de beste kenner zich zeer gemakkelyk daeraen zou kunnen misgrypen. Alzoo is het ook met veel andere soorten, de eenen eetbaer en de anderen vergiftig, die weinig verschillen. De ware eetbare oranje Kampernoelie, die gemeenlyk in het latyn Agaricus, Amanuita aurantiaca wordt genoemd, groeit in de bosschen, met van boven een geel, effen, schoon oranjekleur ; de valsche oranje Kampernoelie, Agaricus, amanuita unicaria, heeft ook een effen geel kleur, maer valt somtyds binnen haren wasdom met witte en geelachtige plekjes, inzonderlyk als die eenige dagen oude bekomen heeft De Kampernoeliën, Amanuita bulbosa alba, Amanuita citrina, Amanuita viscidus, die hier in de weiden, bosschen en elders groeijen, rond bolachtig wassen, een groen geel kleur hebben en witte plekjes verkrygen, zyn ook zeer geweldig ver

giftig. De Kampernoelie (Boletus perniciosua) die zeer wel aen den Boletus edulis, die eetbaer is, gelykt, is ook zeer vergiftig, groeit in de bosschen en elders, en is langs boven donker bruin en van binnen rood. De Kampernoeliën, Agaricus fuliguionus en Agaricus herpeticus, die hier ten alle kanten wassen, met lorken zwam en nagelpoeijer-kleur van boven bedekt, zyn ook zeer bedriegelyk en moeten juist op tyd als zy uit de aerde spruiten en met kennis geplukt wordt, anders loopt men gevaer van in het eten ongevallen te ontmoeten, die kwade gevolgen kunnen hebben. De Kampernoelie (Agaricus fumitaris van Linnaeus), die op de mesthoopen en elders wast, wordt versch geplukt en ook van sommigen in de warme landen geëten. Maer die voor de beste Kampernoelie van veel liefhebbers wordt geacht, is de Agaricus edulis, die in Frankryk, omtrent Parys, veel wordt gekweekt en de eenigste is van al de Kampernoeiiën, die men zonder vrees van vergeven te zyn mag eten, inzonderlyk als die op tyds wordt geplukt, zy heeft eerst van boven een witachtig bruin en langs binnen een vuil wit kleur, en verkrygt door de lucht een donkerbruin of naer het geel hellend kleur. In geval van vergiftiging door de Kampernoeliën veroorzaekt, hetgeen men maer te dikwils in de dagbladeren bemerkt, dient men aenstonds den zieken veel zoete melk, of olie met wyn en eenige druppels zwavelzuer er in gemengd, te drinken te geven, in afwachting dat men eenen kundigen doctor er by roepe, om den zieken alle noodige hulp toe te brengen. Men kweekt gemeenlyk den Agaricus edulis en den Agaricus campestris van Linnaeus, die hier ook in de meerschen wast, en in sommige landen veel geëten wordt, op de volgende wyze : Men neemt het paerdenmest met de keutels, wel door de paerdenpis doorweekt, welk men daertoe acht of tien dagen in den stal onder de paerden laet liggen en van tyd tot tyd onder een mengt, en legt dit buiten op eenen hoop van omtrent 2 meters breed en 50 centimeters dik of hoog, maer wel van het hooi en andere vuiligheid gezuiverd, alwaer men het zestien of achttien dagen in de volle lucht laet, en, droog wordende, met water besproeit; nadien legt men dit mest in eenen kelder of in eene beslotene plaets, op omtrent 50 of 60 centimeters dikte, en nadat het wit beschimmeld is, bedekt men het met 5 of 6 centimeters vette en fyne aerde, vervolgens met 6 of 7 centimeters stroo bedekt zynde, stopt men wel alle luchtgaten van den kelder of plaets toe, en eenigen tyd daerna beginnen de Kampernoeliën daerop onder het stroo boven te schieten. Men moet de Kampernoliën, op deze wyze gekweekt, zachtjes plukken en afdraeijen, om de wortels van de jonge planten, welke altoos aengroeijen, niet te hinderen, aldus kan men wel drie maenden lang Kampernoeliën op hetzelfde mest plukken. Men kan ook nog op eene andere wyze die Kampernoeliën winnen, met het paerdenmest 's winters enkelyk in eenen kelder te laten liggen tot dat het geheel beschimmeld is, en dit met de lente op eenen warmen hoop mest te leggen, met 10 of 12 centimeters aerde bedekt; wel drie maenden lang zullen er veel goede Kampernoeliën op groeijen, die door de lucht beter en smakelyker worden, en op tyds geplukt, goed eetbaer wezen.

KANEELBOOM, in 't fransch Laurier cannellier, in 't latyn Laurus cinnamomum, is onder de familie van de Laurierboomen gesteld, en onder de 9° klasse van Linnaeus, Enneandria monogynia, planten die met negen meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Kaneelboom (Laurus cinnamomum van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Ceylan, dat heden in de Oost- en West-Indiën zeer veel wordt gekweekt, en hier in de warme serren als een klein boompje groeit, zeer getakkeld, met lange, eivormige, blinkende en geribde toegespitste bladen en trosvormige aren op de toppen, met kleine, witachtige bloempjes, die eenen zeer zoeten aengenamen geur verspreiden. Het is van de tweede schors dat de beste kaneel komt, die door den handel naer Europa gezonden wordt, het zyn die kaneelstokjes die hier in poeijers worden bereid en als specery in de keukens gebruikt.

De kaneel bezit eene welriekende, vlugtige olie en veel runne, en wordt derhalve als een sloppend en slymverdryvend middel geacht; zy is zeer dienstig voor den langdurigen buikloop, de langdurige vallingen en om de longerspieren aen te dryven; zy doet ook zachtjes de sluimen lossen en uitwerpen. De kaneel, schryft de doctor Dubois, van Rochefort, met kina en rhubarbe gemengd, is een der beste middelen om de flauwe magen aen te dryven en de spieren der maeg te bewegen, met ryswater bereid en daervan gedronken, kan zy zachtjes stoppen en aenprikkelen. De Kaneelboom (Laurus persea) van de Antillische Eilanden, verschilt zeer weinig van den voormelden, ten zy door de vruchten, die eene peerachtige gedaente en een violettekleur hebben en eenen zeer aengenamen smaek inhouden, zy worden in de eilanden, waer zy hare rypheid verkrygen, veel geëten. De Cassia-Kaneelboom (Laurus cassia) is hier ook sedert eenige jaren bekend. Al deze Kaneelboomen moeten hier in de warme serren gekweekt zyn, en kunnen door inleggers en afzetsels, op warme broeibakken, vermenigvuldigd worden.

KANKERBLOEM, Schurftbloem, Wilde Melkdistel, in het fransch Hypocharide, in 't latyn Hypochaeris, door Tournefort Hieracium genoemd, en onder zyne 13° klasse, 1° sectie gesteld, der halfbloem-dragende planten, door Jussieu onder de familie van de Chicorei en Andive, en onder de 20° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigen-veelechtigengelykbloeijenden.

De gevlekte Kankerbloem (Hypochaeris maculata van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die veel in Vlaenderen en elders in België, ten alle kanten in de drooge meerschen, weiden en hoven wast, in struiken, met lange, eivormige, getande bladen, by de wortels ten gronde gestrekt, waeruit alle jaren in mei bloote en van boven getakkelde stengels schieten, die omtrent 25 centimeters hoog groeijen, en waerop roodachtig geteekende en geschelpte bloemkelken groeijen, die byna den geheelen zomer gele bloemen dragen, met strooachtigen vruchtbodem, welke aen de Pisbloemen zeer wel gelyken, en zaedjes met pluimpjes bekroond dragen, die door den wind ten alle kanten vliegen en zoo haer zelve vermenigvuldigen. De gladde Kankerbloem (Hypochaeris glabra van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van België, die in Vlaenderen en elders in de velden wast, met puntige en bogtig getande bladen, bloote, getakkelde stengels en kleine, gladde, overeenliggende bloemkelken, waerop byna geheel den zomer kleine gele bloempjes bloeijen, welker zaedjes ook door de pluimpjes ten alle kanten vliegen. De Wortel-Kankerbloem (Hypochaeris radicata) is ook eene langlevende kruidplant van België, die ten alle kanten in de meerschen en elders wast en alle jaren uit de wortels spruit; zy groeit met plompe, oneffene, bremvormige bladen, blinkende, bloote, getakkelde stengels, omtrent 20 centimeters hoog, en een weinig geschulpte bloemkelken op de steeltjes, waerop groote bloemkransen en byna den geheelen zomer gele bloemen bloeijen. De zwitsersche Kankerbloem (Hypochaeris helvetica van Linnaeus) groeit veel in Zwitserland, tusschen de gebergten, met lansvormige, getande bladen en enkele stengels met bladen bebleed, bloeit met hooggele, éénbladige bloemen. Deze Kankerkruiden of gemeene wilde Melkdistels zyn zeer verkoelende van aerd en bezitten byna de krachten van het Papenkruid en Pisbloemkruid, maer zyn meer verdroogende van aerd en zeer bitter van smaek; derhalve worden zy zeer weinig in de huishoudens als toekruid gebruikt, maer door hun melkachtig sap, zyn die kruiden zeer goed om de koeijen, geiten, konymen, enz., te voeden, die er zeer op verlekkerd zyn; zy worden hier te lande ook veel wilde Melkdistels en Konynenkruid genoemd. Dit kruid in pappen op de verzweringen van kankers of gezwellen gelegd, doet die zonder pyn weldra openbreken, en het melkachtig sap van deze planten op de wratten gedruipt, doet die in korten tyd verdwynen. Eindelyk, dit kruid wordt in verscheidene gebreken op de wyze van het Papenkruid gebruikt.

KAPPERBOOM, in 't fransch Caprier, in 't latyn Capparis, is onder de 6e klasse, 5° sectie der roosvormige bloemplanten van Tournefort gesteld; door Jussieu onder de familie van de Kap

« VorigeDoorgaan »