Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

heeft die straburgsche terpentyn dezelfde deugden om in de geneesmiddelen, als pisdryvend en buiklossend, te gebruiken. De sparren, zegt D. De Gorter, zyn van een harsachtigen aerd, en bezilten eene verwarmende, prikkelende kracht, die de bederving tegenstael en de pis afdryft; de terpentyn daer zuiver uitgetrokken en met honig of andere zachte middels bereid, is zeer dienstig in het begin van de longerzucht en teering, tegen inwendige wonden en zweeren, om het bloedpissen en andere bloedvloeden te stelpen, en de verstopte pis, het graveel en de spanning aen de blaes af te dryven. Er wordt ook by de apothekers van dien terpentyn pillen en olie gemaekt, om den zaedloop en vuile Venus-ziekte te verhelpen. Overigens is die lerpenlyn of mannekens-wierook nog een heilzaem uitwendig middel : met was, olyf-olie en spiegelhars gesmolten, en als plaesters op de zeeren en wonden gelegd, doet hy die zuiver genezen; deze balsem is van over meer dan eene halve eeuw gekend om het rhumatisma, de zinking, de verkoudheid in de leden, enz., le genezen. M. Dewautier, van Brussel, is daervan de uitvinder geweest; welke uitvinding, door de edele Heeren by den Raed van Braband, in 't jaer 1784, te Brussel, is goedgekeurd geworden. De akten en copy dezer goedkeuring, aen den waerdigen grootvader myner dierbare echtgenoot verleend, bevinden zich in myne boekery. By den apotheker Bauwens, te Gent, kan men nog dien balsem bekomen.

De jonge topjes en bladen van den rooden Dennenboom in het water of bier gekookt, zegt M' Sim. Pauli, in zyn werk Quadrip. Bot., en gedronken, is een der beste middelen om het schorbuet te verhelpen en den mond mede te wasschen. De heer doclor Willis heeft in zyn artikel Scorbuto, ook deze krachten bevestigd; ook de vermaerde leeraer Linnaeus geeft ons, in zyne Flora lapponica, bladz. 277 en volgende tot 288, eene volledige beschryving van de nuttige krachten en gebruiken van den Dennenboom, met de wyze hoe de Laplanders uit de wortels alle schoone sieraedwerken maken en zeer aerdige fraeije korfjes bereiden, die jaerlyks veel naer Zweden en elders gebragt worden. Uit die worlels, in dunne draden gesponnen, en vervolgens in water met

[ocr errors]

assche gekookt, vlechten zy nog sterke touwen, die de inwoners
van de noordsche-landen veel gebruiken.

Gelyk de Pynboomen toch eene geheel andere gedaente van
groeijen hebben en van de Dennenboomen een weinig ver-
schillen, heb ik gedacht, om aen myne lezers aengenaem te
zyn, daervan een bezonder artikel te moeten schryven, waerin
ook de wyzen van die te kweeken en hunne krachten zullen
worden gemeld.

is

DIANELLA, in 't fransch Dianelle, in 't latyn Dianella, onder de familie van den Aspergie gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

De blauwe Dianella (Dianella coerulea van Curtis's Bot. Magazine) is eene schoone langlevende kruidplant van Nieuw-Holland, die alhier in de oranjehuizen wordt gekweekt, en groeit met eenen krombochtigen stengel, omtrent 50 of 60 centimeters hoog, en langwerpige, getande bladen, die uit scheeden spruilen; bloeit meest van april tot in juny, met trosjes en zeer lieflyke blauwe bloemen, die zich door hare gele helmknopje zeer verheffen.

De Dianella met zweerdachtige bladen (Dianella ensifolia van Curtis) is eene langlevende kruidplant van de Oost-Indiën, die in de warme serren wordt gekweekt, alwaer zy meest van april tot in mei bloeit.

Deze schoone planten, die nog zeldzaem zyn verspreid, kunnen na het bloeijen, door afzetsels en wortelscheidingen vermenigvuldigd worden; zy begeren van natuer in eenen ligten, velten grond, en op belommerde plaetsen in de serren gezet te worden. De krachten welk deze planten inhouden, zyn my onbekend.

[ocr errors]

DIAPENSIA, in 't fransch Diapense, in 't latyn Diapensia, door Tournefort Androsace genoemd, en onder zyne 2° klasse, 2° sectie gesteld, der kruiden die trechtervormige bloemen dragen, en met eenen éénbladigen, regelmatigen bloemkrans bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Winde, en onder

de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben.

De laplandsche Diapensia (Diapensia lapponica van Linnaeus) is eene langlevende, kleine kruidplant van Lapland, die insgelyks op de Alpische gebergten, in Zwitserland en elders, en ook in België in de provintie Luxemburg wordt gevonden; zy groeit met bladen aen de wortels, die eenigzins aen de Wegbree gelyken, waertusschen in de lente één of twee stengels uitspruiten, waerop van april tot in mei, overeenliggende, vyfbladige kelken met bekervormige bloemkransjes bloeijen. De blyvende bloemkelken vormen na het bloeijen de zaedhuisjes, die in drie huljes

verdeeld zyn.

Deze plant wordt van sommigen vroegbloeijende (preciae) genoemd, omdat zy vroeg in de lente bloeit. Deze plant, zegt M. Haller, is verwant met de Primula, Sleutelbloem; met de Androsace en de Soldanelle, en is van een bitteren aerd. In de oude tyden werd dit kruid ook Androsace alterna Matthioli noemd, omdat de vermaerde geneesheer Matthioli het ook heeft beschreven; hy zegt dat het de krachten van het Water-Navelkruid bezit (Zie ook de Flora lapponica van Linnaeus).

DIER VILLA, in 't fransch Dierville, in 't latyn Diervilla, is onder de familie van het Geitenblad gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en twee stampertjes hebben.

De Diervilla met gele bloemen (Diervilla lutea) is een langlevend kreupel-houtgewas van Noord-Amerika, dat alhier in de lusthoven wordt geplant, en groeil met veel stengen en schoonc groenblinkende bladen, die eivormig en rond de boorden geland zyn en eenen welriekenden geur verspreiden; bloeit van in juny tot october, met bloemtrosjes op de toppen en zeer lieflyke gele bloempjes, die eenen zoeten aengenamen reuk verspreiden.

Dit nieuw, schoon, langlevend houtgewas, met zyne versierende bloemen, schikt zich zeer wel om in de lusthoven by ander bloemdragend hout te planten. Het kan onze koude winters wel wederstaen, en op de wyze van het Geitenblad (Chèvrefeuilles),

BIBL. Uitiv.

GENT

door inleggers, uitloopers en afzetsels vermenigvuldigd worden; het begeert van natuer eenen ligten, goeden grond.

DIKBLAD, Spaensche Smeerwortel, Vetblad, in 't fransch Crassule, in 't latyn Crassula, is door Jussieu onder de familie van de Huislook-planten gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria pentagynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en vyf stampertjes hebben.

Men vindt heden zeer veel soorten van die planten, die meest van de Kaep en elders uit Afrika in België zyn overgezonden, en alhier by onze lief hebbers in de oranjehuizen en matige serren gekweekt worden.

Het roodglinsterend Dikblad of Vetblad (Crassula coccinea) is een langlevend kruidachtig houtgewas van Ethiopiën; het groeit met bruine stengels en boventakjes, en eironde, dikke bladen, aen de stengels gehaerd; bloeit alhier van july tot in september, met bloemtrossen op de bovenste topjes en zeer schoone roodblinkende, gepypte bloemen, die het kleur van eene Grenadebloem hebben.

Het Dikblad of Vetblad met schuinsche bladen (Crassula obliqua van den Hortus Kew., of Crassula rochea falcata van Decandolle), is eene langlevende kruidachtige houtplant van de Kaep; zy bloeit van juny tot in augusty, met groote bloemtrosjes en schoone roode scharlaken bloemen.

De Crassula major met groote trosjes en roode bloemen; de Crassula rosea met rooze bloemen, de Crassula splendens, C. inbricata, C. perfoliata, C. spatulata, C. tetrahona, C. punctata, C. marginalis, C. lactea, C. arborescens, C. glomerata, C. acutifolia, C. capitata, C. obvallata, C. portulacea, C. obicularis, die allen van de Kaep de Goede Hoop oorspronkelyk zyn, met veel andere soorten, worden alhier by onze bloemisten gekweekt en 's winters in de oranjehuizen bevryd. Zy worden op de wyze van alle andere vetplanten gekoesterd en verinenigvuldigd, en ook by sommige lief hebbers in de matige serren gekweekt, alwaer de witte Crassula (Crassula lactea) in den winter bloeit, en de Crassula scabra, met zyne ruwe bladen, de Crassula cullralis en de

[ocr errors]

Crassula jasminoïdes, met veel andere nieuwe soorten, die op de wyze van de Agaves kunnen vermenigvuldigd worden, ook worden gekweekt.

Het Dikblad of spaensche Sweerwortel, is eene langlevende plant van Zuid-Europa, die in de spaensche gebergten, Frankryk, Zuid-België, enz., in de vochtige velden groeit, met spilvormige, ineengedrongene bladen, en gebladerde stengen in vier verdeeld; zy

bloeit in den zomer met bloembladen, die van boven wit zyn en van onder een roodachtig kleur hebben. Deze planten hebben vyf meeldraedjes, en gelyken aen de éénjarige Muerpeper (Sedum cepaea); zy worden in Spaenje meest Capedella seudetes genoemd, omdat de bladen schotelachtig en doorgaens dik, vleezig en sappig zyn. De wortels en bladen die in de artsenyen gebruikt worden, hebben eene verkoelende, gepaerd met een samenlrekkende kracht, zoo als de Cactus en Cotyledon.

DILLE, Venkel, in 't fransch Anet, Fenouil, in 't latyn Anethum, is onder de 7e klasse, 6° sectie der schermdragende bloemen van Tournefort gesteld, die met eenen veelbladigen, regelmaligen bloemkrans bloeijen; door Jussieu onder de familie van de schermdragende bloemplanten, en onder de 5° klasse van Linnaus, Pentandria digynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en twee slampertjes hebben.

Hoewel men dikwils de Dille en de Venkel voor dezelfde plant aenziet, hebben zy beide eenen verschilligen reuk : de Dille geeft somtyds op de eene plaets een sterken onaengenamen, en somwylen 's avonds eenen onverdragelyken geur; terwyl men die somtyds in de kruidhoven vindt, alwaer zy eenen welriekenden geur verspreidt, maer die toch met dien van den tammen welriekenden Venkel eenigzins verschilt.

De gemeene Venkel (Anethum foeniculum van Linnaeus) is eene langlevende plant van Languedoc, die alhier in de moeshoven wordt gezaeid, en groeit met dikke wortels diep in den grond, en geknoople stengels die omtrent 2 meters hoog wassen, met effene, gladde, groene schors bekleed, en van binnen voos en met wit merg gevuld zyn; zy heeft wydverspreide groene blad

« VorigeDoorgaan »