Pagina-afbeeldingen
PDF

kroonwyze zyn geschikt en eenen zeer aengenamen zoeten geur verspreiden.

De Coronila Valentina van Spaenje, de Coronilla minima en C. varia, van Europa, worden ook in den kruidhof van de Hoogeschool te Gent gekweekt.

Deze planten kunnen door inleggers, uitloopers en afzetsels vermenigvuldigd, en ook op lauwe broeibakken vroeg in de lente worden gezaeid, en voort met dolkens in potten verplant, welke zaeijelingen somwylen het eerste jaer nog bloemen geven en het tweede jaer allen bloeijen.

CORREA, in 't fransch Corrée, in 't latyn Corraea, is onder de familie van de Ruite gesteld, en onder de 8° klasse van Linnaeus, Octandria monogynia, planten die met acht meeldraedjes bloemen en maer een stampertje hebben.

Over schier twintig jaren, waren in Belgenland nog geene andere Correas dan de witte bekend, maer dank zy de Maetschappy van Land- en Hovingbouw te Gent gevestigd, wier tentoonstellingen van vreemde gewassen en bloemen, by voortduring, de algemeene belangstelling opwekken, neemt de bloemkweekery alhier jaerlyks in uitgebreidheid en belangrykheid toe, en men heeft ons doen bemerken, dat de gentsche bloemisten, heden van die uitheemsche Correas, meer dan vyf-en-twintig verschillige soorten bekomen hebben, waermede zy herhaelde mael by dietentoonstellingen bekroond zyn geweest.

De pogingen van onze kundige bloemisten, gepaerd met den meer en meer toenemenden lust van veel liefhebbers, om bloemtuinen en serren met schoone planten te versieren, zullen dezen tak van nyverheid nog meer ontwikkelen en bevorderen.

De Correa met witte bloemen (C. alba) is een langlevend heester-houtgewas van Nieuw-Holland, het groeit met getakkelden stengel omtrent 1 meter hoog, en altoosblyvende, overeen staende, ovale bladen, die van onder wit donzig zyn, en bloeit alhier in de matige serre van maert tot in juny, met trosvormige bloempjes op de toppen, en witte bloemblaedjes; men vindt er eene varieteit van met roode bloempjes.

De Correa met groene bloemen (C. viridiflora) is ook een langlevend heestergewas van Nieuw-Holland; het bloeit meest in mei, met schoone groene bloempjes, en rolvormige, vereenigde bloemblaedjes.

De schoonblinkende Correa (C. speciosa) bloeit met lange, buisvormige bloemen van een schoon blozende rood met groene boorden versierd. Men heeft alhier sedert het jaer 1838 van NieuwHolland en elders uit de Indiën de volgende schoone soorten verkregen : De Corraea ampullacea, C. Cavendishii, C. elegans maxima, C. Grevilliae, C. Harrissii, C. Lindleyana, C. longiflora, C. Milnerii, C. pulchella, C. quadrangularis, C. rosea, C. rufa, C. Stockwelliana, C. speciosissima, C. tricolor, C. turgida, C. vintricosa, en meer andere die nog zeldzaem zyn verspreid, en hier in de oranjehuizen worden gekweekt, zy kunnen in den heigrond, door inleggers en afzetsels, in potten op lauwe broeibakken, onder het glas vermenigvuldigd worden, en ook in den heigrond op teilen of in potten worden gezaeid, om voort met dolkens te verplanten, maer zy begeren in goeden heigrond gekweekt te worden.

COSMEA, in 't fransch Cosmos, in 't latyn Cosmea,is onder de familie van de bloemtros-dragende planten gesteld, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustranea, samenhelmigen, met meeldraedjes wier helmdraden zyn samengegroeid, de bloemen van de schyf zyn tweeslachtig en vruchtbaer; die van den omtrek of randen zyn geslachtloos of vrouwelyk, maer dan wegens de onvolmaektheid van haren stempel onvruchtbaer.

De Cosmea met dubbel gevinde bladen (C. bipinnata) is eene kruidplant van Mexiko, die enkelyk sedert eenige jaren alhier is overgevoerd, en groeit met stengels meer dan 1 meter hoog, en zeer diep uitgesnedene bladen (duplicato pinnata); bloeit van september tot in october op de toppen, met schoone roode violetachtige, tongvormige bloemen, die op de schyf geel en de helmknopjes zwartachtig zyn.

De Cosmea met verscheidene bladeren (C. diversifolia) wordt alhier ook gekweekt. Deze planten blyven levende als zy 's winters in de matige serren worden bevryd; men zaeit die gemeenlyk vroeg in de lente op broeibakken, om voort, hetzy in potten of in den vollen grond, met dolkens te verplanten. Men laet altoos potten van deze planten in de matige serre, om zeker ryp zaed in den herfst te kunnen bekomen, want zy zyn waerdig alhier gekweekt te worden.

COSTUSWORTEL, in 't fransch Coste, in 't latyn Costus, is door Jussieu onder de familie van het indiaensch bloemriet gesteld, en onder de eerste klasse van Linnaeus, Monandria monogynia, planten die met een meeldraedje bloemen en maer een stampertje hebben.

De arabische Costuswortel (Costus arabicus van Linnaeus) is een langlevend kruidachtig gewas van Arabiën, dat ook veel in de beide Indiën groeit, en alhier in de warme serre wordt gekweekt; wast met zwarte wortels, die van binnen geelachtig groen zyn, en waeruit stroohalmvormige, dikke stengen spruiten, bezet met eenvoudige, effene, overhoeksche bladen, die by het opkomen als eene papieren buis zyn gerold. Zy hebben verscheidene, eenvoudige bloemscheeden, en eenen gemeenen, eenvoudigen vruchtstengel; bloeijen met drie opene, gelipte bloemblaedjes in de kransjes. De specery-krachten (scitamineae) van deze plant zyn gehuisvest in den wortel. Het woord Scitamineae, door Linnaeus gebezigd, zal zekerlyk zooveel beteekenen, alsof men zeide uitgekipte, aengename, voortreffelyke planten, want uit haer komen de meeste speceryen, die de Araben en Indianen als geneesmiddelen gebruiken. De heer Houttuyn vertolkt het door struikgewassen; zy maken by den hoogleeraer Van Royen den rang van de Palmae uit.

De krachten van den Costuswortel zyn zeer verwarmend, prikkelend, zenuwsterkend, de maendstonden en de onzichtbare uitwazeming bevorderend, ook maegversterkend, dus worden zy van zeer velen gebruikt in alle ziekten, waerin zoodanige middelen vereischt worden. Deze wortels zyn by de apothekers onder den naem van Costus arabicus bekend, met wyn en alsem bereid, zyn zy zeer goed tegen de gebreken der moeder, de maegpyn, kramp, trekking en opgeblazenheid, met water ingenomen, dryven zy de lint- en breede wormen uit den buik. Deze wortels zyn aen de warme landen eigen, alwaer zy uitzonderlyk om hunne deugden in de hoven geplant, door het zaed en uitloopers vermenigvuldigd, en naer Europa en elders verzonden worden. Sommigen zeggen dat zy ook in zalve bereid, zeer dienstig zyn om de lammige leden mede te bestryken.

CREPIDEKRUID, klein Havikkruid, in 't fransch Crépide, in 't latyn Crepis, en door Tournefort Hieracium Chondrilla genoemd, en onder zyne 13e klasse, 1° sectie gesteld, der tong- of lintbloemen, samengesteld uit een groot getal kleine, éénbladige, onregelmatige bloemkransjes, door Jussieu onder de familie van de Andyve, Cichorei, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia aequalis, samenhelmigen, met meeldraedjes wier helmknopjes zyn samengegroeid; gelyke veelwyvery of gelyke samenhelmigen; alle bloempjes zyn tweeslachtig, en by gevolg allen gelyk vruchtbaer. Het Crepidekruid met Pisbloembladen (Crepis tarawacifolia van Willdenow) is eene tweejarige kruidplant van Europa, die in België op drooge plaetsen, in de weiden, bosschen en onbebouwde velden groeit, met ruwe, gevinde bladen, van onder getand, en stengen van omtrent 25 centimeters hoog, bloeit meest van juny tot in july, met geschulpte bloemkelken en gele bloemen. Het tweejarig Crepidekruid (Crepis biennis van Linnaeus) groeit in België veel in Henegouwen, omtrent Doornyk, en wordt ook veel omstreeks Audenaerde gevonden, gelykt van gedaente geheel aen het voormelde. Het stinkende Crepidekruid (Crepis foetida) is maer een éénjarig kruid, dat veel in Vlaenderen op onbebouwde plaetsen groeit, met dubbel gevinde en getande bladen, met haertjes bezet, en bloeit in augusty, met geelachtige bloemen. De plant heeft een groen asschekleur en verspreidt eenen sterkriekenden geur. Het Dak-Crepidekruid (Crepis tectorum) is eene éénjarige kruidplant; zy groeit op de oude muren en huizen, met steellooze, blinkende bladen, die beneden dubbel gevind, boven lansvormig zyn en aen den stengel getand, bloeit in july, met gele bloempjes, die somtyds ook blauwachtig worden; zy werd van de oude Kruidkundigen Chondrilla altera genoemd. Het groen vergiftig Crepidekruid (Crepis virens van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant, die in België, in de velden en kanten der dorre bosschen groeit, met gladde, diep uitgesnedene, stengel-omvattende bladen, en bloeit met witte donzige bloemkelken en gele bloemen. De Crepis dioscorides groeit ook in Vlaenderen, in de velden; de Crepis rubra groeit meest in het Zuiden van Frankryk, Italië en elders, de Crepis alpina groeit meest in de Alpische gebergten. Boerhaave beschryft deze planten onder den rang der platbloembladigen (planipetalae). Byna al deze planten hebben doorgaens een bitter sap, en als men de bladen afsnydt, vloeit er somtyds eene zoete melk uit. Zy bezitten eene zeepachtige, verkoelende kracht, waerdoor zy den afgang veroorzaken en de vochten ontbinden. Zy zyn eetbaer, behalve de Crepis virens, die venynig is en een bytend scherp sap inhoudt, maer al de anderen geven een zacht voedsel, en worden in vele landen, op de wyze van de Pisbloemen, als toekruid gegeven en van de kruidetende dieren gretig gezocht, zy worden van sommige landlieden ook Melkdistels en Konynenkruid genoemd, omdat zy veel gemeenschap met de Cichorei en

Andyve hebben.

CRINUM, in 't fransch Crinole, in 't latyn Crinum, is door Jussieu onder de familie van de tydlooze planten gesteld, en onder de 6° klasse van Linnaeus, Hexandria monogynia, planten die met zes meeldraden bloemen en maer een stampertje hebben.

Men vindt heden veel nieuwe soorten van die Crinums, die in de warme serren worden gekweekt, en andere die zich met eene matige serre vergenoegen, ik zal die eerst beschryven welke in de matige serre gekweekt worden.

De purpere Crinum (Crinum purpureum) is eene langlevende bloembolplant van de Kaep; zy groeit met lynvormige, langwerpige bladen, waertusschen een schacht uitspruit, die omtrent 40 of

« VorigeDoorgaan »