Pagina-afbeeldingen
PDF

gesteld (Zie De Gorters boek, bladz. 216). Zy worden in sommige landen als verzachtend middel in het kokende water geweekt en als thee gedronken.

COREOPSIS, in 't fransch Coriope, in 't latyn Coreopsis, door Tournefort Bidens genoemd, en onder zyne 12° klasse, 3e sectie gesteld, der Pypbloemen, en onder de 14e klasse, 2" sectie der Straelbloemen, samengestelde bloemen met pypbloempjes in het midden en tongbloempjes aen den omtrek, door Jussieu onder de familie van de bloemtros-dragende bloemplanten, en onder de 19° klasse van Linnaeus, Syngenesia polygamia frustranea, samenhelmigen, met meeldraedjes wier helmknopjes zyn samengegroeid, vruchtelooze veelwyvery of vruchtelooze samenhelmigen; de bloemen van de schyf zyn tweeslachtig en vruchtbaer, die van den omtrek geslachtloos of onvruchtbaer. De Coreopsis met Ridderspoor-bladen (C. delphinifolia) is eene langlevende kruidplant van Noord-Amerika, die alhier ten allen kante in de kruidhoven wordt geplant, en groeit in struiken, met stengels van omtrent 40 centimeters hoog; zy bloeit meest van july tot in october, met gele, tongvormige bloemen in den omtrek en bruine pypbloempjes op de schyf. De Coreopsis met Beerenoor-bladen (C. auriculata van NoordAmerika), groeit met stengels meer dan 1 meter hoog, en breede, overeenstaende, geoorde bladen, bloeit van augusty tot september, met gele bloemen in den omtrek en bruine pypbloempjes op de schyf. W De Coreopsis met drie gevleugelde blaedjes (C. tripteris) van Amerika, groeit met stengels omtrent 2 meters hoog, en bloeit van augusty tot september, met gele bloemen en zwarte pypbloempjes op de schyf. De kransvormende Coreopsis (C. verticillata) is eene langlevende kruidplant van Virginiën; zy bloeit van july tot in september. De Coreopsis tenuifolia van Willdenow, eene langlevende kruidplant van de Carolinen, in Amerika, en de Coreopsis alternifolia van Linnaeus, worden hier ook in de bloemtuinen gekweekt. Men heeft nog onlangs van Amerika den Coreopsis Alkinson en den Coreopsis grandiflora verkregen.

De Coreopsis tinctoria is eene langlevende kruidplant van Amerika, die eerst in België, in 't jaer 1824, werd overgebragt; zy groeit met stengels van omtrent 1 meter hoog, en bloeit van july tot in september, met gele bloemen in den omtrek en zwarte pypbloempjes op de schyf, die zich boven alle andere zeer verheffen.

Al deze schyfbloemige planten zyn zeer fraeije gewassen, die 't oog verlustigen en als een sieraed in de bloemtuinen pryken; zy kunnen aen onze koude winters zeer wel wederstaen en door het ryp zaed in de lente worden gezaeid, maer worden meest door struikscheiding vermenigvuldigd en op de wyze van de Sterrebloemen voortgezet.

De Coreopsis trifolia is eene éenjarige plant, die ook by veel liefhebbers in de bloemhoven vroeg in de lente wordt gezaeid.

CORNOEILLEBOOM, Kornoeljeboom, in 't fransch Cornouiller, in 't latyn Cornus, is onder de 21° klasse, 9e sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met eenen veelbladigen, roosvormigen bloemkrans bloeijen, door Jussieu onder de familie van de Geitenblad-plant, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraedjes bloemen, en maer een stampertje hebben. De bloedige Cornoeilleboom (C. sanguinea van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Europa, dat in België met eenen stam en regte takken, omtrent 4 of 5 meters hoog groeit, met roodachtige schors en tegenovergestelde, eironde, geribde bladen, van boven groen en van onder bleekgroen, welke beide op dezelfde hoogte aen de takjes, en vlak tegen over elkander staen; bloeit meest in mei, met bloemtrosjes en witachtige bloempjes, die roode beziën voortbrengen, welke, ryp geworden, bruinachtig rood zyn. Men vindt eene medesoort met witachtige gevlekte bladen. De kleine Cornoeilleboom (C. mascula) is een langlevend heester-houtgewas van Duitschland, dat alhier veel in hagen rond de hoven en eigendommen wordt geplant, het groeit met een weinig gewolde bladen, die zeer lommerryk versieren, en bloeit alhier van in maert, met bloemtrosjes en gele, kleine bloempjes, die roode beziën voortbrengen ; men vindt ook eenige medesoorten met gevlekte bladen. De witte Cornoeilleboom (C. alba van Linnaeus) is een langlevend boomgewas van Siberiën en van Canada, het groeit getakkeld, met roode schors en bladen die langs boven groen en van onder wit zyn; bloeit alhier meest van in april, met witte bloemen en gele honigkelken, die een roosachtig kleur verkrygen, en witblinkende beziën als perlen voortbrengen. De Cornoeilleboom met blauwe beziën (C. coerulea van L'Heritier), ook Cornus sericea genoemd, is een langlevende boom van Pensylvaniën, die zich door zyne wonderbaer schoone, hemelsblauwe vruchten doet bemerken. De trosvormige Cornoeilleboom (C. paniculata van L'Heritier) is ook van Noord-Amerika, en bloeit met trosvormige bloemen. De Cornoeilleboom met ronde bladen (C. circinata of C. rugosa), groeit met schurftachtige schors. De Cornoeilleboom met groote bloemen (C. florida van Linnaeus) is een langlevende boom van Virginië, die alhier in de lusthoven wel 10 meters hoog groeit, met breede, lommerryke bladen versierd, en bloeit meest in mei, met groote bloemtrosjes en witte bloemen, die dikwils een schoon roozekleur verkrygen en roode beziën voortbrengen, welke byna den geheelen winter op den boom blyven hangen. De overhoeksche Cornoeilleboom (C. alternifolia) van NoordAmerika, doet zich bemerken door zyne bladen, die van vier tot zes op dezelfde hoogte rondom de takjes kransvormig by elkander zyn geschikt en uitspruiten, hy brengt violetkleurige vruchten VOOrl. De schoon verhevene Cornoeilleboom (C. stricta) en nog veel andere nieuwe soorten van Amerika, worden in België gekweekt, zy aerden zeer wel in alle diepbewerkte gronden, en kunnen door de rype kerntjes uit de vruchten gezaeid en door uitloopers en inleggers vermenigvuldigd worden. Men ent ook die van Amerika op die van Europa. Het hout van den Cornoeilleboom is zeer hard, taei en langdurig, en wordt derhalve van de draeijers en meubelmakers, om

II. - 4

allerlei sierlyke werken te maken, en door de meulen- en mekaniekwerkers, om tanden van alle draeijende werken te maken, zeer veel gebruikt. De vruchten van de bloedige en kleine Cornoeilleboomen (C. sanguinea en C. mascula) zyn van over eene eeuw bekend. Boerhaave niet alleen heeft er over geschreven, maer J.-J. Reichard heeft, in het jaer 1778, een werk uitgegeven, waerin de krachten van deze boomen zyn voorgedragen. Linnaeus heeft in den laetsten druk van zyn Genera plantarum, de krachten van die plant en haren natuerlyken rang beschreven. Lobel had reeds in de XV1° eeuw over die boomen geschreven, en zegt dat hy omtrent Doornyk eenen witten Cornoeilleboom heeft ontmoet, wiens struik was als die van den gemeenen Cornoeilleboom, dat de vruchten wit waren, maer toch een geelachtig waschkleur by hare volle rypheid verkregen hebben ; zoo kan die struik het kleur zyner vruchten uit het kernzaed van den gemeenen Cornoeilleboom verkregen hebben, dewyl de witte (C. alba), van Amerika, alsdan in België nergens was bekend. De vruchten van de Cornoeilleboomen zyn wrang van smaek, en hebben eene verkoelende, drooge en samentrekkende kracht; zy kunnen ryp geëten en voor spyze gebruikt worden, en zyn inzonderlyk goed om den buik hard te maken, zelfs worden zy voor zeer bekwaem gehouden om den buikloop en andere vloeden, als rood melizoen en den bloedgang, te stelpen; zy zyn nogtans aen de koude magen schadelyk. De bladeren en de jonge topkens zyn ook wrangende van smaek en sterk verdroogende van aerd; derhalve zyn zy bekwaem om versche wonden te genezen. De vruchten worden in de pekel gelegd om te bewaren, en by de apothekers, veel met suiker, zoo als de Kweeappels, in confituer bereid, om de vloeden der vrouwen te stoppen, de weeke en verhitte magen kracht te geven en den eetlust te verwekken. In vele landen worden die beziën in suiker of honig bewaerd, in eene groote flesch of glas met eene redelyke opening, en alzoo gebruikt om den roodenloop te stoppen. Van de bloemen wordt ook eene conserve gemaekt, die dezelfde stoppende kracht heeft om de vloeden en buikloop te stelpen. Maer bovenal is dit gewas, zoowel de bladeren als vruchten goed, om het bloeden van de wonden te doen ophouden als zy daerop gelegd worden.

CORONILLA, Everwortel, in 't fransch Coronille, in 't latyn Coronilla, is onder de 22e klasse, 2° sectie der heestergewassen van Tournefort gesteld, wier bloemkrans vlindervormig is, door Jussieu onder de familie der planten die peulvruchten dragen, en onder de 17e klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmdraden; hier zyn de meeldraden veranderlyk in getal, en met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid. De Hof-Coronilla of Everwortel (C. emerus van Linnaeus) is een zeer schoon houtachtig gewas van Montpellier, dat veel in Zwitserland en elders groeit, en in België ook in de lusthoven wordt geplant; het wast met hoekige stengels zeer getakkeld, bladstelen en eironde bladen, die een schoon groen kleur hebben, en bloeit alhier van in april, en dikwils ook in den herfst, met zeer lieflyke gele bloemen die rood zyn gevlekt. De bladstelen en bladen van deze plant bezitten eene schoone blauwe verw; zy wordt derhalve veel in het Zuiden van Frankryk, Italië, Zwitserland, in de hoven en velden geplant, en na het bloeijen in den herfst verzameld, om de zyde en andere stoffen blauw mede te verwen. De zeegroene of kleverige Everwortel (C. glauca van Linnaeus) is een langlevend houtachtig gewas van het Zuiden van Frankryk, dat met stengels wel omtrent 1 meter hoog groeit, en bladstelen met zeven plompe bladen en lansvormige vliesjes, bloeit byna geheel den zomer, met okselbloemen, in kroonen van 10 of 12 bloempjes vereenigd, die een schoon hoog geel kleur hebben, en eenen zeer aengenamen giroffel-geur verspreiden. Deze plant kan met zorg onze wintersche koude wederstaen, maer voor alle zekerheid is het best dat men die in de groenhuizen bevrydt. De hooggele Everwortel (C. juncea) is eene langlevende plant van Italië en het Zuiden van Frankryk, die met houtachtige, getakkelde, byna bloote stengels, van omtrent 50 of 60 centimeters hoog groeit, en bladstelen met vyf lynvormige, dikke, plompe bladen, bloeit met zeer veel kleine, gele, vereenigde bloempjes, die

« VorigeDoorgaan »