Pagina-afbeeldingen
PDF
ePub

JEDENBOOM, Jepenboom, Spaensch Houtboom, Spaensch groen, in 't fransch If, in 't latyn Taxus, onder de 18° klasse, 4° sectie van Tournefort gesteld, der bloemen die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie der boomen die kegelvormige vruchten dragen, en onder de 22° klasse van Linnaeus, Dioecia monadelphia, tweehuizigen-eenbroederigen, met mannekens- en wyfkensbloemen op twee stengen aenwezig, slach van planten welker meeldraedjes in eenen bundel vereenigd bloeijen. De mannekens-bloemkelkjes zyn met drie bloemblaedjes, een klein kegeltje zonder kransjes, en verscheidene meeldraedjes aen de kopjes die een schildje vormen; de wyfkens zyn zonder kransjes, met drie bloemblaedjes in de bloemkelkjes, kleine kegeltjes zonder bloemblaedjes, en beziën met een kerntje, die aen de bloemkelkjes behooren en die vergezellen tot hare rypheid.

De Jedenboom of Spaensch Hout (Taxus baccata van Linnaeus) is een langlevende boom van Europa, die in België pyramidewyze, zeer getakkeld, met altoosblyvende, donkergroene, lynvormige bladen, wel 4 of 5 meters hoog wast, in de lente met kleine bloempjes, die weinig merkwaerdig zyn, bloeit, en in den herfst slymachtige, zoete en sappige beziën voortbrengt, die een schoon roodachtig kleur verkrygen. Deze schoone boom, die zeer wel de lusthoven versiert, wordt hier ook wel in hagen rondom de boven gekweekt. De groote boomen die men er van kweekt, worden meest door het ryp zaed, dat men geheel den winter in het zand te meuken zet, in de lente gezaeid; dikwils komt het maer het volgende jaer op; maer om in hagen te planten, worden die meest door inleggers en stekken van jonge scheuten in het voorjaer aengekweekt; het is echter zeer zorgelyk deze soort van hagen en boomen te planten, alwaer koeijen of andere kruidetende dieren verkeeren, dewyl dit groen voor sommige dieren een vergift bezit, door zynen zoeten smaek gretig wordt gezocht en droevige ongevallen aen de dieren kan veroorzaken. De beziën, die door haer schoon kleur aen jonge kinderen zeer behagen, zyn ook voor hen zeer gevaerlyk, daer deze zonder derzelver krachten te kennen er dikwils van eten, en een weinig te veel er van ingenomen, spoedig de dood kan verhaesten. Zelfs de vo

gels die er le veel van eten, vallen in onmagt en laten zich welhaest vangen; de kiekens krygen ook zwart vleesch door van die beziën te eten. Volgens de oude overlevering werd niet alleen deze boom voor zeer ongezond, maer zelfs ook de schaduwe voor vergiftig gehouden, en dit zoo wel voor menschen als dieren; derhalve werd hy van de oude Kruidkenners Arbor virosa genoemd; maer het schynt dat die eigenschap alleen plaets heeft in de warme landen, dewyl de kundige heer Orfila, in zyne beschryving der vergiftige planten die in deze deelen van Europa groeijen, er geen gewag van maekt. Men vindt in een oud boek, door Suelonius geschreven, dat keizer Claudius Tiberius Nero, die 21 jaren ma Jesus-Christus geboorte te Roomen regeerde, het romeinsche volk door een openlyk schrift vermaend en verwittigd heeft, dat er tegen de beet der venynige slangen en adders, niels beter was dan het sap van den Taxusboom, die hier gemeenelyk Spaensch Hout is genoemd.

Het hout van deze boomen is zeer hard en geelachtig rooskleurig, doorgaens met vele aderen doorgroeit, aen geene wormen onderhevig en zeer langdurig; het wordt van de schrynwerkers, draeijers en muzyk-instrumentmakers zeer geacht, en om sierlyke en ingelegde werken te maken veel gebruikt. In de oude tyden maekte men er ook bogen van, hetgeen Virgilius in een latynsch vers aldus meldt: Ituraeos taxi torguentur in arcos.

Men kweekt hier nog by sommige liefhebbers den ringvormigen Jedenboom (Tacis verticillata) en den Tacus tartara van Don. Mix. Bot., die de heer Van Geert in het jaer 1844 in den Casino ten toon heeft gesteld.

De Taxus of Podocarpus elongata van l'Héritier, die van de Kaep voortkomt, wordt hier in de oranjehuizen gekweekt; zy worden allen door inleggers of afzetsels en door het zaed vermenigvuldigd.

Men vindt in Dodonaeus Kruidboek, bladz. 1343, het volgende beschreven : De Jedenboom, zegt hy, is onder de schadelyke en vergiftige gewassen ; hieruit blykt hoe kwalyk de ongeleerde apothekers hier voorlyds plegen te doen, die de schors van dezen Jedenboom in slede van den Tamariskboom gebruikten, en de

kranke menschen tegen velerhande gebreken, inzonderheid van de milt, ingaven; hetgeen niet alleen tot verergering der ziekte diende, maer ook somtyds tot verkorting van het leven der kranken, welk zy door de onwetendheid der apothekers hebben verloren; maer sedert dat zy de schors van den Tamariskboom gebruiken, wordt er van die klagten nergens geen gewag meer gemaekt.

Geen boomgewas is bekwamer dan dit Spaensch Hout, om er pyramiden van allerlei fraeije gedaenten van te vormen, als zulks van de jeugd af geschiedt; ook kan een behendige hovenier, in de hagen daervan geplant, dewyl zy zeer digt groeijen en de bladen klein zyn, allerlei figuren uitknippen; maer zulkdanig hagen zyn moeijelyk om scheren en vereischen jaerlyks een geschikten snoeijer; anders zyn zy welhaest bedorven, en de afgebeelde figuren worden op het einde onzigtbaer.

Vóórdezen plagt men in vele lusthoven van dezen boom beelden van allerlei beesten te vormen, als, by voorbeeld, leeuwen, pauwen, banen, enz., gelyk men nog op sommige plaetsen in gemeene hoven ziet; men kan ook met deze Spaenschhout-boomen kleine kabinetten, triumphbogen, priëlen, opene zitplaelsen, enz., bekleeden, die zeer fraci staen als ze wel onderhouden worden. In sommige gewesten van Frankryk, Spaenje, Italië en elders plant men er kleine dreven van; maer die ziet men hier te lande niet meer, sedert dat men zich veel met het planten van engelsche hoven bemoeit, die, met alle slach van bloemdragende gewassen versiert, veel aengenamer dan het schoon groen van het Spaenschbout zyn; want niettegenstaende al de verbeeldingen die men daermede kan vormen, geven zy toch geene versierende bloemen.

JOANS-BROODBOOM of Sint-Jans-broodboom, in ’t fransch Caroubier, in 't lalyn Ceratonia, door Tournefort Siliqua genoemd, en onder zyne 18° klasse, 1° sectie gesteld, der boomen die met meeldraedjes bloeijen; door Jussieu onder de familie van de peulvrucht-dragende boomen, en onder de 23° klasse van Linnaeus, Polygamia dioecia, veelechtigen-lweehuizigen, met hermaphroditus of tweeslachtige bloemen, en met wannekens- en

wyfkens-bloemen, nu op eene steng, dan afzonderlyk op twee stengen aenwezig, of mannekens- en wyfkens-bloemen op vershillige planten, maer met tweeslachtige bloemen gemengd.

De Joans-broodboom met peulvruchten (Ceratonia siliqua van Linnaeus) is een langlevende boom van Zuid - Europa , die ook ten alle kanten in Azië groeit, en spitsgewys, tot op de toppen getakkeld wast, met altoosblyvende, groene, eivormige bladen, die langs boven groen en langs onder aschkleurig zyn; hy bloeit hier meest in augusty, met meellrosjes en kleine, purperachtige, donkere bloempjes, die kromachtige peulvruchten van omtrent 20 centimeters lang en 3 of 4 centimeters breed voortbrengen, welke met roodachtige, bruine en vleezige kerns zyn gevuld, die versch en droog eetbaer zyn. Deze boom, die heden in Italië, Zuid-Frankryk en andere warme landen veel wordt gekweekt, is van over zeer oude tyden onder den latynschen naem van Sancti Joanis panis bekend. Hy moet hier 's winters in de oranjery worden bevryd, en kan door de kerns geplant en door inleggers vermenigvuldigd worden.

De fransche Kruidbeschryvers zeggen dat deze boom van Frankryk oorspronkelyk is, maer Linnaeus en anderen schryven dat hy van Chaldea, in Azië, voortkomt. Lobel noemde dien boom Carobea Chaldaeis. Deszelfs vruchten zyn zeer zoet van smaek; de inwoners van de warme landen gebruiken die als suiker en honig, en zelfs bereiden zy er hunne confytsels en veel andere spyzen mede; maer die vruchten alleen zyn wat warm en te samentrekkend van naluer. Galenus, die ook in zynen tyd die vruchten beschreven heeft, zegt dat het Joansbrood versch geëten, den buik week maekt, den kamergang kan veroorzaken en zeer kwaed voor de maeg is; maer die vruchten droog wezende, stoppen en zyn voedzaem, maken den buik hard en zyn moeijelyk om verteren; zy bezitten een pisafdryvend middel.

Men vindt in een oud werk, door Aristoteles geschreven, dat al wie van de versche vruchten van den Sancti Joanis panis te veel zullen elen, de dood niet wel zullen kunnen ontgaen; maer sommige nieuwe Kruidkenners zeggen dat die vruchten matig met andere spyzen gebruikt, zeer verkoelend zyn en als pisaf

dryvend middel en voor het graveel kunnen gebruikt worden. In de omstreken van Napels vindt men dien boom veel in de lusthoven geplant.

JODENDOORN, in 't fransch Paliure, Argalou, Porte-Chapeau, Épine de Christ, in 't latyn Paliurus, is onder de familie van den Sleedoorn of Wegdoorn gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De Jodendoorn (Paliurus aculeatus of Rhannus paliurus van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Oost-Europa, dat hier in struiken wel omtrent 2 meters hoog groeit, met veel gebogene takken, die van onder met twee scherpe doorns zyn bekleed, en met kleine, eivormige, groen blinkende bladen, die ook nog twee doorns hebben, waervan de eene krom en de andere zeer scherpstekende is; bloeit hier byna den geheelen zomer, met trosjes en kleine gele bloemen met boorden die eenen hoed vormen; zy brengen beziën voort, die de krachten van de Borstbeziën bezitten en op dezelfde wyze gebruikt worden. Velen nemen deze plant voor den Borstbeziên- of Jujubenboom, die daeraen door de gedaente zyner bloemen en beziën niet gelykt. Deze plant wordt veel in Frankryk Porte-Chapeau genoemd.

De Jodendoorn, in 't fransch Epine de Christ (Rhamnus spina Christi van Linnaeus), is een langlevend heester-boomgewas van Palestynen, dat veel in Azië groeit, zeer getakkeld, met regte, scherpe, verspreide doorns en eivormige bladen, waeraen ook twee scherpe doorns wassen; bloeit met gepypte bloemkelken, geschulpte omwindsels en meeldraedjes met kleine gele bloempjes, die beziën voortbrengen. Het is, volgens verscheidene oude geschiedenisschryvers, met de doorns van dezen boom dat de kroon was gemaekt, die de Joden op het hoofd van onzen Zaligmaker Jesus Christus hebben geplaetst, waerdoor die boom den naem van Jodendoorn verkregen heeft.

Deze planten worden veel in Frankryk en elders in de warme landen als bloemdragend hout, tot versiering in de lusthoven gekweekt, en door het ryp 'kernzaed in zandachtige gronden be

« VorigeDoorgaan »