Pagina-afbeeldingen
PDF

TIENDE HOOFDSTUK.

J. Jacquinia. - Jambusenboom. - Jasione. - Jasmyn. - Jedenboom. - Joans-broodboom. - Jodendoorn. - Jokboom. – Judasboom.

- Judaspenning. - Jujubenboom. - Jussieu. – Justicia.

JACQUINIA, in 't fransch Jacquinier, in 't latyn Jacquinia, is door Jussieu onder de familie van den Bryappelboom gesteld, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Jacquinia met oranjebloemen (Jacquinia aurantiaca) is een nieuw, klein boomgewas van de Antillische Eilanden, dat getakkeld, met bruinachtige, groene, gladde bladen groeit, en meest in july bloeit, met trossen en schoone bloemen, die een allerlieflykst hooggeel oranjekleur hebben. Dit schoon, langlevend, klein boomgewas is enkelyk over eenige jaren alhier te lande ingevoerd, en nog zeldzaem verspreid. w De Jacquinia met zeer breede bladen (Jacquinia macrophylla) is hier ook maer sedert eenige jaren van Amerika by onze bloemisten overgezonden en nog zeldzaem in den handel bekend, men vindt die by de heeren Verschaffelt, Van Geert, L. Van Houtte en De Saegher. De Jacquinia met Ruscusbladen (Jacquinia ruscifolia van Linnaeus) en de armband Jacquinia (Jacquinia armillaris van Linnaeus) zyn ook van Amerika alhier verkregen. Deze laetste soort wordt zeer geacht van de Caraïben, die derzelver schoone roode beziën aen een snoer rygen en er banden van vlechten, welke de jonge dochters en zelfs eenige jongelingen met genoegen aen den arm dragen, waerdoor die plant haren naem verkregen heeft. Deze planten bloeijen alle met bloembladen in de kransen en meeldraedjes in den vruchtbodem gesloten, en brengen beziën met een kerntje voort, maer die hier moeijelyk ryp worden. Zy moeten hier allen in de warme serren gekweekt zyn, en kunnen door inleggers, in ligten, verschen grond met wel vette aerde gemengd, vermenigvuldigd worden.

JAMBUSENBOOM, in 't fransch Jambosier, in 't latyn Eugenia, is door Jussieu onder de familie van de Myrtusboomen gesteld, en onder de 12° klasse van Linnaeus, Icosandria monogynia, slach van planten die met twintig en meer helmstyltjes bloemen, die op den kelk zyn vastgehecht, en maer één stampertje hebben. De Jambusenboom met roozevruchten (Eugenia jambos van Linnaeus) is een langlevende boom, die in de Indiën, te Malabar en elders tamelyk hoog wast, maer hier in de warme serren heestergewyze groeit, met veel takken en smalle, blinkende bladen, bloeit van mei tot in september, met bloemtrossen op de toppen en kleine, lieflyke, witachtige gele bloemen, die zeer aengename sulferkleurige vruchten voortbrengen, welke eenen zeer welriekenden geur inhouden, in het land harer afkomst wel de grootte van een ganzen-ei verkrygen en zeer sappig en smakelyk zyn. De Jambusenboom van Malacca (Eugenia malaccensis van Linnaeus) is een langlevende boom, die hier in de matige serren heestergewyze wast, zeer getakkeld, met welriekende bladen, die geheel zyn, en meest in july bloeit, met zeer bevallige, roode bloemen, die groote, schoone vruchten voortbrengen, welke langs de eene zyde roodachtig blozen en langs den anderen kant een witachtig kleur hebben, eenen zeer welriekenden geur en eenen aengenamen smaek inhouden, de Araben noemen die gemeenelyk Tupha. De éénbloemige Jambusenboom (Eugenia uniflora) is een langlevend heestergewas van Bresiliën, met gladde bladen, dat hier in de matige serren van mei tot in july bloeit, met witte bloemen, die schoone en zeer lieflyke vierhoekige, roode vruchten voortbrengen; de jonge scheuten van deze plant zyn gemeenelyk rood van kleur. De trosvormige Jambusenboom (Eugenia racemosa van Linnaeus) is een langlevend houtgewas van de Indiën, dat in het land zyner afkomst redelyk hoog en dik wast, maer hier ook klein blyft; het groeit met gelande en geboorde bladen, en bloeit met bloemtrossen en witte bloemen, die ronde, eivormige en vierhoekige appels voortbrengen, welke zeer welriekende zyn. Onze behendige bloemisten hebben ook nog sedert eenige jaren de volgende soorten verkregen : De Eugenia myrtifolia, Eugenia australis, E. elegans, E. Barmensis, E. Malacoderdron, E. macrocarpa, E. rugosa en E. Zeylandica, die hier meest allen in de warme serren gekweekt en op warme broeibakken in potten, onder het glas, door afzetsels vermenigvuldigd worden; zy kunnen ook gelyk de Oranjeboomen aengekweekt worden, maer mogen meer warmte hebben. Het hout van deze planten is zeer broos en ligt om breken, de vruchten worden in Turkyen Alma genoemd, veel op de tafels na de maeltyd geëten en voor zeer gezond geacht, zy worden ook in suiker gelegd en om de heete koortsen te genezen of als verkoelend middel gebruikt; ten dien einde worden zy ook in potten naer vreemde landen verzonden.

JASIONE, in 't fransch Jasione, in 't latyn Jasione, is door Tournefort Rapunculus genoemd, en onder zyne 1e klasse, 8° sectie gesteld, der klokvormige bloemplanten, door Jussieu onder de familie van het Klokskenskruid, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben; hoewel de oude Kruidbeschryvers die onder de 19° klasse van Linnaeus hebben gesteld.

De overblyvende Jasione (Jasione perennis van Linnaeus) is eene langlevende kruidplant van Europa, die in België en elders in de bloemhoven wordt gekweekt, en groeit met levende wortels, waeruit alle jaren in de lente veel stengeltjes spruiten, die omtrent 40 of 50 centimeters hoog wassen, met smalle, lansvormige bladen, en op welke stengels van july tot in september alhier schoone, bleekblauwe, klokvormige bloemen bloeijen, die zeer lieflyk zyn.

De Berg-Jasione (Jasione montana van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van Europa, die in België en elders in het wilde wast, met lyn- en lansvormige bladen, die langs onder versmallen, gekrold, harig en fyn gevlamd zyn, en op welker stengels hier in den zomer bleekblauwe bloemen bloeijen, diezaedhuisjes met twee hutjes voortbrengen.

Deze planten werden, volgens Plinius, in de oude tyden versch vergaderd en veel als moeskruid geëten, de bloemen van deze kruiden worden in Italië gezocht, om een water van te distilleren, om de roode ontstekene oogen mede te wasschen en ook met fyne doekskens er op te leggen. De Jasione perennis wordt hier door wortelscheiding in de lente en ook door het zaed vermenigvuldigd.

JASMYN, in 't fransch Jasmin, in 't latyn Jasminum, is onder de 20° klasse, 1° sectie van Tournefort gesteld, der boomen die met éénbladige bloemen groeijen, door Jussieu onder de familie van de Jasmynplanten, en onder de 2° klasse van Linnaeus, Diandria monogynia, planten die met twee meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben.

De gemeene witte Jasmyn (Jasminum officinale van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van China, dat hier gemeemelyk ten alle kanten in de lusthoven wordt geplant, en van ieder te wel is bekend om de gedaente van deszelfs bladen en bloemen te beschryven; daerom zal hier ik enkelyk zyne krachten melden : Het zaed van deze plant bezit eene vette olie, de vruchten en bladen zyn zoodanig bitter, dat men die heden veel met voordeel in de anderdaegsche koortsen gebruikt, en de bloemen om alle slach van riekende water te maken, om in de medecynen te mengen. De olie van de bloemen en het zaed die het lichaem zeer verwarmt, wordt in de langdurige vallingen en voor den kinkhoest der kinderen met voordeel gebruikt. Men heeft, door de bloemen van dezen Jasmyn met andere bloemstof vruchtbaer te maken, medesoorten bekomen met witte en donkere lillachbloemen.

De gele Jasmyn (Jasminum fruticans van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Zuid-Europa, dat hier ook in de lusthoven wordt geplant, en omtrent 1 meter hoog wast, met regte stengels en altoosblyvende, kleine, donkergroene bladen, bloeit van mei tot in september, met kleine, gele bloempjes op de topjes. De lage Jasmyn (Jasminum humile van Linnaeus) wordt hier ook by sommige liefhebbers in de bloemhoven geplant. De Lillach- of Steen-Jasmyn (Syringa persica van Linnaeus) is een langlevend heester-houtgewas van Persiën, dat in struiken, getakkeld, omtrent 1 meter hoog groeit, met geheele, lansvormige bladen en schoone lillach-trossen, waervan men eene medesoort met getande bladen vindt. Deze Lillach met de gemeene Jasmynen zyn eerst door den beroemden Engelbertus-Gislenus Busbeke, geboortig van Comene, in West-Vlaenderen, van Turkyen alhier te lande in 't jaer 1555 overgebragt, alwaer zy sedert om hunne welriekende bloemen byna in al de lusthoven gekweekt, en door uitloopers vermenigvuldigd worden. De bladen, die zeer bitter zyn, zegt de Dictionnaire de Santé, door afkooksel gebruikt, bezitten ook een koortsenverdryvend middel. Het hout is grysachtig en somwylen bruinachtig geaderd, zeer hard en zoo gesloten als palmhout, welks gladdigheid en glans het ook aenneemt. Men zou er zeer fraeije werken van kunnen maken, ware het zoo onderhevig niet aen 't krimpen en barsten. Het verspreidt eenen aengenamen geur, de Turken en Persianen maken pypstelen van de jonge takken, nadat zy er het merg uitgehaeld hebben. De volgende soorten van Jasmynen worden hier nog veel by onze bloemisten gekweekt, en 's winters in de oranjehuizen bevryd : Jasminum Sambac, Jasminum glaucum, van den Hortus Kew.; Jasminum geniculatum, van Wentenat, Jasminum gracile, van Andrews, afkomstig van Nieuw-Holland, Jasminum grandiflorum van Linnaeus, van de Indiën. Men heeft nog onlangs alhier te lande de Jasminum chrysantum, van China, Jasminum ligustrifolium en Jasminum simplicifolium, van China verkregen, die hier om hunne schoone en welriekende bloemen worden gekweekt, en door inleggers en afzetsels op lauwe broeibakken kunnen vermenigvuldigd worden.

« VorigeDoorgaan »