Pagina-afbeeldingen
PDF

latyn Irora, is door Jussieu onder de boomen die roode verw inhouden gesteld, en onder de 4e klasse van Linnaeus, Tetrandria monogynia, planten die met vier meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De roode indiaensche Meekrapboom (Ivora coccinea van Linnaeus) is een langlevend boomgewas, dat in de Indiën veel wordt gekweekt, maer alhier klein en zeer getakkeld in de warme serren groeit, met roode stam en takken, en dikke, eivormige, puntige, steellooze, blinkende bladen, bloeit in maert en dikwils in augusty, met trossen op de toppen en trechtervormige, schoone, roode karmyne bloemen met lange meeldraedjes, die lieflyke beziën voortbrengen. De witte indiaensche Meekrapboom (Ivora alba van den Hortus Cant.) is een langlevende boom van Oost-Indiën, die alhier met lange, eivormige bladen aen de takken verdeeld groeit, en met zeer schoone witte bloemen in eenen bundel vereenigd bloeit. De Ivora parviflora van Willdenow en de Ivora jamaicensis van den Hortus Cant., komen van de West-Indiën. Men heeft hier nog by onze bloemisten den Ixora ternifolia van de Indiën verkregen, die met allerschoonste, gele, oranjekleurige bloemen in de warme serren bloeit. M. Verschaffelt en anderen onzer bloemkweekers hebben nog onlangs van de Indiën de volgende soorten van die boomen bekomen : De Ivora arborescens, Ivora barbata, Ivora crocata, Iv. flammea, Iv. incarnata, Iv. flavescens, Iv. purpurea, Iv. cuneifolia, Iv. obovata, Iw. stricta en Iv. Bandhuca, die alhier allen in de warme serren worden gekweekt en door het kernzaed uit de rype beziën, in den heigrond in de serren, op belommerde plaetsen gezaeid en op de wyze van de Koffyboonen vermenigvuldigd worden. Zy bezitten allen min of meer eene roode verw en hebben van Linnaeus den naem van Ivora verkregen, omdat de bewoners der kust van Malabar den tempel van hunnen god Ivora of Isora met deze planten versieren.

INDIGOPLANT, Indigoboom, in 't fransch Indigotier, in het latyn Indigofera, is door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten gesteld, en onder de 17e klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, slach van planten die met tien meeldraedjes in de bloemkelken bloeijen, in twee groepjes gescheiden of tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid. De biesachtige Indigoplant (Indigofera juncea) is een langlevend, schoon struikgewas van de Indiën, dat met biesachtige takjes en enkelgevleugelde bladen hier omtrent 70 of 80 centimeters hoog groeit, en van september tot in october bloeit, met trossen en zeer schoone purperkleurige bloemen. De Indigoplant met groote aren of trossen (Indigofera macrostachya) is een nieuw, langlevend houtachtig gewas van China, dat hier in augusty met trossen op de stengels en zeer lieflyke roozebloemen bloeit. De Indigofera purpurea en de Indigofera rosea worden om hunne schoone bloemen in de matige serren gekweekt en door inleggers en afzetsels in den heigrond vermenigvuldigd. De verwers Indigoplant (Indigofera tinctoria van Linnaeus) is een langlevend, houtachtig kruidgewas van de Indiën, dat met stengels en gevleugelde, rondachtige bladen, omtrent 70 of 80 centimeters hoog wast, met korte trossen en purpere bloemen, die lynvormige peulvruchten voortbrengen. De tamme Indigoplant (Indigofera Anil van Linnaeus) is eene tweejarige kruidplant van de Indiën, die heden zeer veel in Oosten West-Indiën wordt gezaeid; het is van deze plant dat de beste blauwe indigo wordt gemaekt, die alhier door den handel wordt overgevoerd, en dient om allerlei stoffen blauw te verwen. Deze twee planten moeten alhier in de warme serren verblyven, dewyl zy onze luchtgesteldheid niet kunnen wederstaen. Wy zyn dus van het voordeel beroofd deze kostelyke plant in ons klimaet in de vrye lucht te kunnen kweeken; echter hebben wy alhier ook vele planten, die aen ons land eigen zyn, zoo als de Zonnebloem-plant (Helianthus annuus), de Weede (Isatis tinctoria), de Hof-Coronilla (Coronilla emerus), het Mondhout (Ligustrum vulgaris), het Bingelkruid (Mercurialis perennis) en het Slangenkruid (Echium vulgaris), die ook alle eene schoone blauwkleurige verw bezitten, en waeruit men die verw door de kunstscheiding kan bekomen.

ITEA, in 't fransch Itea, in 't latyn Itea, is door Jussieu onder de familie van den Oleanderboom gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, planten die met vyf meeldraedjes bloemen en maer één stampertje hebben. De Itea van Virginië (Itea Virginica van Linnaeus) is een schoon, klein boomgewas van Amerika, dat hier struikwyze groeit, met groene, eivormige, getande bladen op de takken verspreid, en meest in july bloeit met aren of bloemtrossen op de toppen, en veel kleine, witte bloempjes, die zeer lieflyk zyn door hare gekleurde meeldraedjes in de kelken, en welke zaedhuisjes voortbrengen. De Itea met groote trosjes (Itea racemiflora) is een nieuw klein boomgewas van de Carolinen, dat tamelyk hoog groeit, en hier meest in july bloeit, met trossen en veel kleine, witte bloemen, die in de lusthoven eene lieflyke versiering maken. Deze gewassen kunnen, goed verzorgd wordende, onze luchtgesteldheid zeer wel wederstaen, en worden door inleggers en uitloopers vermenigvuldigd, en ook door het zaed dat by goede jaergetyden alhier zyne rypheid wel verkrygt. De schors en het sap van deze boomen zyn in het land hunner afkomst, ook gelyk die van den Oleander, gevaerlyk. De Itea cyrilla van l'Héritier, die van de Caroliensche Eilanden voortkomt, is een langlevend heestergewas, dat om zyne schoone bloemen hier in de oranjehuizen wordt gekweekt, en door inleggers, afzetsels en door het zaed vermenigvuldigd wordt. Men heeft nog onlangs alhier by onze kundige bloemisten den Itea spinosa van Nieuw-Holland verkregen, welks bladen klein, maer met 3 of 4 doorns zyn bekleed, en waerop alhier, in de oranjery, in december trossen met zeer lieflyke witte bloempjes bloeijen. Deze plant moet in den gemeenen heigrond gekweekt

en door afzetsels op warme broeibakken vermenigvuldigd worden.

IXIA, Saffraen van de Kaep de Goede Hoop, in 't fransch Ivie, Safrane, in 't latyn Ivia, is door Jussieu onder de familie der Lischplanten gesteld, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria monogynia, planten die met drie helmstyltjes bloemen en maer één stampertje hebben. De soorten van de Ixia zyn veelvuldig, en men noemt de Roomsche Distels gemeenelyk ook Ixia, maer deze zyn onder de 19° klasse van Linnaeus, terwyl deze soort van planten zich onder de 3e klasse bevindt en aen den Saffraen of Crocus gelykt. De oranje Ixia (Ivia crocata van Linnaeus) is eene langlevende, kleine bloembolplant van de Kaep, die met lange, groene, uit de scheede schietende stengels groeit, die omtrent 20 of 25 centimeters hoog wassen, en hier meest in mei, aren en 8 of 9 trechtervormige, roodachtige oranjebloemen dragen, die doorschynende boorden hebben. De Ivia minuta van Linnaeus, bloeit met zeer schoone roode bloemen, waervan men eenige medesoorten vindt die door het zaed zyn bekomen. De gevlekte Ixia (Ivia maculata) bloeit met schoone gele, purpere, violette en roodachtig geplekte bloemen, waervan men ook medesoorten met witte gestreepte bloemen vindt. De palmvormige Ixia (Ivia palmata) bloeit met gele afgeschaduwde en geplekte bloemen, waeronder men ook andere kleuren vindt. De Ixia met verscheidene aren (Ivia polystachia) groeit met zwakke, dunne stengels van omtrent 40 centimeters hoog, en smalle, lange bladen, bloeit meest in juny, in verscheidene aren verdeeld, met witachtige, gele of purpere vleeschkleurige gestreepte bloemen, volgens de medesoorten, zy hebben eenen aengenamen reuk. De witte Ixia (Ivia leucantha), met bloemen die aen den ZeeAjuin gelyken, de driekleurige Ixia (Ivia tricolor), de Ivia anemoneflora, met Anemonebloemen, de Ivia Fusco-citrina, met bruine, citroenkleurige bloemen, de Ivia grandiflora, met groote bloemen, de Ivia sparavis, met groote Violettebloemen, de Ivia bulbifera, met gele bloemen, en veel andere soorten die heden wel tot 60 beloopen, worden alhier veel in potten in de oranjehuizen gekweekt, om vroeg in de lente te bloemen. Zy worden ook in de lente in perken, by de Tulpen, in de bloemhoven geplant, bloeijen aldaer in den zomer, en maken in de hoven door hunne lieflyke verschillige kleuren, eene zeer schoone versiering.

Deze planten kunnen door het ryp zaed, waeruit men veel medesoorten bekomt, op de wyze van de Tulpen worden gezaeid, en ook gelyk deze laetste door de scheiding der aenwassende bollen vermenigvuldigd worden; zy begeren in drooge jaergetyden veel water, maer eens aen het bloeijen, moeten zy niet meer besproeid zyn. De bloemen, meeldraedjes en stampertjes van deze planten bezitten een weinig gele verw, maer zy worden meest om hare schoone bloemen gekweekt, en ook van sommigen Jonkiliebloemen genoemd.

« VorigeDoorgaan »