Pagina-afbeeldingen
PDF

overbodige veelwyvery of overbodige samenhelmigen; de bloempjes van de schyf zyn tweeslachtig, die van den omtrek vrouwelyk, maer beiden geven vruchtbare zaedkorrels. De Hoorebekia Chiloensis, van den Hortus Gandavensis, is een langlevend, houtachtig kruidgewas, dat te Gent, in den kruidhof der Hoogeschool, uit het zaed door den heer P. De Grave uit Chili in Amerika, in 't jaer 1811 ontvangen, is gesproten; zy heeft aldaer voor de eerste mael in de maend augusty 1816 gebloemd, en groeit met stengen, lange, uitgebreide takjes die verlengende bloemstelen vormen, en breede, lynvormige, puntige, van boven getande bladen aen de bladstelen, die naer onder en boven versmallen en half de stengen omvatten, al de deelen van deze plant zyn slymachtig; zy bloeit meest in augusty, met geschulpte, overeenliggende bloemkelken, die regtpuntige bloeiblaedjes hebben, welke rond de kelken zyn; de bloempjes op de schyf in het midden zyn straelbloempjes, die van den omtrek tongbloemen, in twee ryen verdeeld, die een schoon geel kleur hebben, en op den bloembodem of schyf zaedjes voortbrengen, die met pluimbosjes bekroond zyn; zy hebben eenen holligen vruchtbodem. Deze schoone plant is door eene commissie uit zeven werkende leden der koninglyke Maetschappy van Land- en Hovingbouw te Gent samengesteld, aen onzen alom vermaerden stadgenoot, den heer Karel Van Hoorebeke opgedragen, en heeft alzoo den naem verkregen van dien kruidkundigen man, die in zynen tyd een kruidboek van meest al de planten die in Vlaenderen wassen had beschreven, en een beknopt werk over de Priemen (Orobanches) in 't licht heeft gegeven. De Hoorebekia Chiloensis kan door het zaed aengekweekt worden, maer zy moet van het einde van september tot in mei, in de matige serren of een goed oranjehuis bevryd zyn. Zy groeit in Chili, Zuid-Amerika, aen den voet der Andes, in 't wilde.

HOORNKLAVER, Fenegriek, in 't fransch Fenu grec, in 't latyn Trigonella, door Tournefort Foenum graecum genoemd, en onder zyne 10 klasse, 4° sectie gesteld, der vlindervormige bloemen, met eenen veelbladigen, onregelmatigen bloemkrans, door Jussieu onder de familie van de peulvruchtdragende planten, en onder de 17e klasse van Linnaeus, Diadelphia decandria, tweebroederigen, met tien helmstyltjes, hier zyn de meeldraden veranderlyk in getal, en met hunne helmdraden tot twee afzonderlyke lichamen samengegroeid. De Hoornklaver (Trigonella monspeliaca van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant van Zuid-Frankryk, die veel in Italië en Zwitserland groeit, en ook in de zuidelyke deelen van België en Luxemburg, omstreeks Namen en elders wast, met hollige, getakkelde stengen, maer omtrent 30 centimeters hoog, met veel zydelingsche scheutjes en rondachtige bladen, die van boven groen en van onder witachtig zyn, bloeit meest in july, met kleine, bleeke, witachtige vereenigde bloempjes, die aen de Wygeboontjes (Lupinus) eenigzins gelyken, en dunne, smalle peulvruchten voortbrengen, die lang en krom als hoorntjes zyn, en geelkleurige zaedjes inhouden. De Hoornklaver of Fenegriek (Trigonella foenum graecum) is ook eene éénjarige zaeiplant van Zuid-Frankryk, die alle jaren met de lente in België in sommige kruidhoven wordt gezaeid en in gedaente weinig van de voormelde verschilt; maer het zaad bezit eenen zeer welriekenden geur, inzonderlyk als het droog is. Deze twee planten worden, op de wyze van de Witsen, veel in de zuidelyke deelen van Frankryk alle jaren vroeg in de lente in de velden gezaeid, om groen en droog de kruidetende dieren te voeden, hetgeen men in België ook zou kunnen verrigten; maer die kruiden worden alhier om hunne deugden alleen in de kruidhoven gezaeid. De vreemde Hoornklaver (Trigonella corniculata van Linnaeus) is eene éénjarige kruidplant, die meest in Oostenryk, Hongarië, Bohemen en elders in Duitschland groeit, en welker bloemen eenen zeer welriekenden geur verspreiden, zy wordt derhalve in de bloemhoven in de lente gezaeid. Zie hier wat men van de Hoornklaver in verscheidene oude en nieuwe kruidkundige werken beschreven vindt : het kruid groen gestooten en met azyn vermengd, is zeer dienstig om op de vuile zeeren en verzworene leden te leggen; het zaed van die plant in het water gekookt, en met dit water het aengezicht gewasschen, zuivert en verdryft al de vlekken en sproeten van het vel. Olie van Fenegriekzaed werd van Lobel zeer geprezen, om de verborgene klieren van de darmen en andere kropklieren te doen scheiden, en het zaed, met verkensvet of was bereid, om de steenzweren te doen openbreken, met wyn, honig en water gedronken, is het goed om alle kwade vochten van de darmen te verdryven, de pyn te verzachten en de langdurige gebreken van de borst te genezen. M. de doctor Vogel, van Holland, heeft in zyn werk de krachten van dit zaed beschreven, en zegt, dat de slymachtige olie die men er uittrekt en zuiver by de apothekers verkrygt, als zeer dienstig is geacht om de zeere oogen te genezen en de schemeringen te verdryven.

HOORNKRUID, in 't fransch Ceraiste, in 't latyn Cerastium, door Tournefort Myosotis of Schorpioenkruid genoemd, en onder zyne 6e klasse, 2" sectie gesteld, der roosachtige bloemen, met eenen veelbladigen, regelmatigen bloemkrans, samengesteld uit drie tot tien bloembladen, door Jussieu onder de familie van de Angelieren, en onder de 10° klasse van Linnaeus, Decandria pentagynia, tienhelmigen, planten die met tien meeldraden. bloemen en vyf stampertjes hebben. Men vindt in Linnaeus rangschikking zestien soorten van dit Hoornkruid, waervan de zeven volgende aen België eigen zyn.

Het slymerachtig Hoornkruid (Cerastium viscosum) is een langlevend klein kruid, dat in Henegouwen, Braband, Vlaenderen en elders in de bosschen, vochtige meerschen en aen de kanten der waters groeit, met kleine stengen en langwerpige, lansvormige bladen, die behaerd en lymerachtig zyn; bloeit meest van het einde van april tot in juny, met witte bloempjes, die somtyds een bleekblauw kleur verkrygen.

Het gemeen Hoornkruid (Cerastium vulgatum) is eene éénjarige gehaerde plant, die in België op de oude muren groeit, met eironde blaedjes, bloeit met het beginne van mei, met lange kelkblaedjes en witte, langwerpige bloempjes, die lange zaedhuisjes voortbrengen.

Het vyf-helmdradig Hoornkruid (Cerastium semi-decandrum) is eene ruige, gryze, éénjarige plant, die in België op onbebouwde velden en woeste plaetsen groeit, met langwerpige, stomphoekige blaedjes, bloeit meest in mei, met bleekblauwe op witte bloempjes. Hel Veld-Hoornkruid (Cerastium arvense) groeit in de zandachtige, woeste velden, met lynvormige, lanswyze, stompe, gladde bladen, waervan de binnenste met haertjes zyn gerand, en gehaerde stengen, bloeit meest in mei, met bleeke witte bloempjes. Het Water-Hoornkruid (Cerastium aquaticum) groeit in België aen de grachten, poelen eu stroomende waters, met gelakkelde stengeltjes en ovale, hartvormige blaedjes, bloeit van mei tot in juny, met alleenstaende, bleekblauwe en witte bloempjes. Het katoenachtig Hoornkruid (Cerastium tomentosum) groeit meest in Henegouwen, omstreeks Doornyk, met lynvormige en door witten dons bedekte bladen, en bloeit meest in juny, met witte bloemblaedjes die langer dan de bloemkelken zyn. Het kruipende Hoornkruid is ook eene langlevende plant, die van Linnaeus Cerastium repens, en van sommige anderen Cerastium scandens is genoemd; zy groeit veel in Vlaenderen, op zandachtige plaetsen in de velden, met kruipende, lymerachtige stengen, van omtrent 12 of 14 centimeters lang, en breede, ovale, hartvormige, puntige bladen, bloeit in den zomer, met trosvormige bloemen en blauwachtige meelknopjes die zeer lieflyk versieren. Volgens de Kruidbeschryvers bezitten deze planten de krachten van het Schorpioenkruid (Myosotis), dat sommigen nog dikwils met het Hoornkruid verwarren, waervan het toch in gedaente en bloemen een weinig verschilt.

HOPPE, Hopplant, in 't fransch Houblon, in 't latyn Humulus, door Tournefort Lupulus genoemd, en onder zyne 15° klasse, 6e sectie gesteld, der bloembladlooze planten, wier bloemen geenen eigenlyken bloemkrans hebben; door Jussieu onder de familie van de Brandnetels, en onder de 22° klasse van Linnaeus, Dioecia pentandria, tweehuizigen, vyfhelmigen, met mannelyke en vrouwelyke bloemen die afzonderlyk op twee stengen aenwezig zyn. De wyfkens-bloemen dragen geene vruchten, als het manneken daervan te verre verwyderd bloeit, en zy gevolgenlyk het teeltstof van de mannekens niet kunnen vatten, dat haer vruchtbaer maekt. Men kan die by het bloeijen zeer gemakkelyk onderscheiden, want de mannekens bloeijen met vyf bloemblaedjes zonder kransjes, de wyfkens bloeijen met éénbladige kelkjes, die zydelings open en zonder kransjes zyn, en twee stylen met een zaedje tusschen de kelkblaedjes hebben. De Hoppeplant (Humulus lupulus van Linnaeus) is eene langlevende plant van Europa, die in al de provinciën van België aen de hagen, in de bosschen en kanten in 't wilde groeit, maer toch veel in Braband, Oost- en West-Vlaenderen in de hoven en velden, om hare deugden wordt gekweekt, zy wast met ruwe, windende, langwerpige ranken, die alle jaren vroeg in de lente uit de wortels spruiten, en ruwe bladen, op de ranken verspreid, die aen den wilden Wyngaerd eenigzins gelyken, maer toch een weinig breeder en zwartachtig groen van kleur zyn; bloeit meest van in juny, met kleine, witachtige trosjes op de rankjes, en bloempjes die blaesachtige bellekens voortbrengen, welke gemeenlyk Hoppebellen worden geheeten, op het einde van augusty ryp zyn, en gewoonlyk met het beginne van september alhier worden vergaderd, om eerst in de lommer te droogen, en nadien in het bier te gebruiken, waerin die Hoppebellen zeer nuttig schynen te zyn om het voor alle beschimmeling te bevryden en lang te kunnen bewaren. De jonge keesten, die alle jaren in de lente uit de wortels spruiten, worden ten deele afgesneden, om aen de overblyvende jonge scheuten een meerder voedsel en groeikracht te geven, en die afgesnedene dienen om in de huishoudens als spyze te gebruiken, niettegenstaende zy weinig voedsel inhouden, zyn zy nogtans aen het ingewand zeer nuttig, dewyl zy eene aendryvende kracht bezitten, die de pisse en graveel doet ryzen, en eenen ligten kamergang verwekt. 1 De Hoppe-bloembladen met de malsche stelen in het water gezoden en daervan gedronken, openen de verstoptheid van de lever, milt en nieren, en reinigen het bloed van alle onzuiver

« VorigeDoorgaan »