Pagina-afbeeldingen
PDF

één lichaem zyn samengegroeid, de zes helmstyltjes komen voort uit het stampertje, maer niet uit de bloemschyf, men noemt die gemeenlyk manwyvige, De Holwortel (Aristolochia clematitis van Linnaeus) is een langlevend kruidgewas van Europa, dat veel in Henegouwen, Braband en Vlaenderen groeit, in de bosschen, omstreeks Ronsse en Audenaerde, met hartvormige bladen en rankachtige, verspreide stengen, bloeit meest in july, met gele okselbloemen, die op de wyze van een trompet gesloten zyn, en zeshoekige vruchten voortbrengen, waervan de zaeddoozen in zes hutjes zyn verdeeld. Deze plant, die in al hare deelen eene bruinkleurige verw bezit, wordt in vele landen van Europa na het bloeijen vergaderd, om alle stoffen een schoon bruin kleur mede te geven. Het is uit deze plant dat men de portlandsche poeijers trekt, die in Engeland zoo vermaerd zyn, om het flerecyn en andere ziekten te genezen. Deze plant is van ten tyde van Hippocrates vermaerd, en door de ouden geacht als een geneesmiddel dat de maendstonden verwekt, maer de nieuwe doktors hebben die verworpen, omdat zy gevonden hebben dat die poeijers door den ouderdom al hunne krachten verliezen. De gepypte Holwortel (Aristolochia sipho van Willdenow) is een langlevend, klimmend, houtachtig heestergewas van NoordAmerika, dat in België sedert 30 jaren is overgevoerd, het groeit gerankt, wel 10 meters hoog, met groote, hartvormige bladen, en bloeit alhier meest in juny, met éénbladige, purperachtige bloemen, die op de wyze van pypjes of hoorntjes aen de rankjes hangen. Deze schoon versierende plant met hare lommerryke bladen, schikt zich zeer wel om priëlen mede te bekleeden; in zandachtige landen met heigrond vermengd, op warme standplaetsen geplant, kan zy onze koude winters zeer wel wederslaen, en door inleggers van jonge ranken en uitloopers, zeer gemakkelyk aengekweekt worden. De kleine Holwortel, met altoosblyvende, groene, hartvormige bladen (Aristolochia sempervirens van Linnaeus), is een heesterrankgewas van Griekenland, dat in België by veel liefhebbers in de matige serren wordt gekweekt, en groeit met dunne rankjes maer 40 of 50 centimeters hoog; bloeit meest van in mei, met bruinachtige gele, éénbladige bloemen, die als trompetjes aen de rankjes der stengen hangen. De drielobbige Holwortel (Aristolochia trilobata van Linnaeus) is een langlevend, klimmend, houtachtig heestergewas van Jamaïka, het groeit met windende stengen zeer hoog, en drielobbige bladen, bloeit alhier in de oranjery of warme serren van in mei, met groote, geslotene bloemen die eene duitsche pyp verbeelden. De stengen of ranken van deze plant, die eenen welriekenden geur inhouden, bezitten de eigenschap van de beten der vergiftige serpenten te genezen. Men neemt het binnenste van de wortels in poeijers bereid, om op de wonden te leggen, of het sap uit de versche bladen gehaeld, om op het vel en wonde te druipen en te genezen. Het schynt, volgens het verslag van eenen onzer landgenoten, den heer Cloquet, dat die plant ook veel in het eiland Santo Thomas de Guatimala wast, en aldaer om hare nuttige deugden bekend is. De groote Holwortel (Aristolochia maxima) is een klimmend, houtachtig heestergewas van Spaenje; het groeit met windende stengen en langwerpige, scherppuntige, lommerryke bladen, en bloeit op de stelen der ranken, met zeer veel bloemen, die groote vruchten als blazen voortbrengen, die in zes bolsters zyn verdeeld, welke dwaers met draedjes zyn bestrooid. De slangendoodende Holwortel (Aristolochia anguicida van Linnaeus) is een windend, houtachtig heestergewas van de Indiën, het groeit met bladstelen, door hartvormige, puntige bladen zeer lommerryk versierd, en bloeit op hartvormige steelschubbetjes. Het sap van deze plant met speeksel gemengd, en te samen in den muil van een serpent gedaen, doet dit dier in bezwyming vallen dat zich zonder te byten laet aenraken, maer het komt weldra na eenige minuten, tot zymen eersten goeden staet. De boëtische Holwortel (Aristolochia boetica) van Griekenland, groeit veel in Italië, Spaenje en elders in de warme landen. De Holwortel (Aristolochia pistolochia) groeit veel in de gebergten van Zwitserland, Duitschland en elders, en wordt om zyme zeldzame vruchten alhier in de oranjery gekweekt.

Al deze planten kunnen door het ryp zaed in den heigrond gezaeid, en door inleggers aengekweekt worden. De Holwortels zyn sedert den tyd van Hippocrates, om hunne deugden in de geneesmiddelen, door geheel Europa vermaerd, en hebben hunnen naem van Aristolochia uit het grieksch behouden, door de nuttige krachten die zy bezitten, om de barende vrouwen te verlossen en ook de nageboorte te doen afkomen. Zy verdryven ook alle inwendige ontstekingen, en werden voordezen gebruikt om de maendstonden te verwekken. Jussieu heeft met geestdrift de Holwortels aengeprezen, en zegt dat de vreemde door den ouderdom in de medecynen hunne krachten verliezen, en dat men deze moet gebruiken die ter plaetse groeijen, gelyk de Horwortel (Aristolochia clematitis), die men overvloedig in de bosschen omstreeks Parys vindt, en gemeenlyk heilzamere en krachtigere uitwerksels heeft, dan die men van vreemde landen krygt welke dikwils door den ouderdom verstorven zyn. Ziet derhalve den

Dict. médical, bladz. 80, te Parys in 1834 gedrukt.

HONDENDOOD, Vliegenvangers-kruid, in 't fransch Apocyn, Gobe-mouche, in 't latyn Apocynum, is onder de 1e klasse, 4" sectie van Tournefort gesteld, der klokvormige bloemplanten, die met eenen éénbladigen, regelmatigen bloemkrans bloeijen; door Jussieu onder de familie van de Hondendoodplanten, en onder de 5° klasse van Linnaeus, Pentandria digynia, vyfhelmigen, die met vyf meeldraden bloemen en twee stampertjes hebben.

De Hondendood met Androsaemibladen (Apocynum androsaemifolium van Linnaeus) is eene kruidplant van Amerika, die veel in 't wilde in Virginië wast, en in België in de kruidhoven wordt geplant; zy groeit met stengen van omtrent 30 centimeters hoog, en eivormige, puntige blaedjes, die alle jaren in de lente uit de levende wortels spruiten, bloeit alhier van in juny tot in september, met kleine, klokvormige bloempjes, die van binnen wit zyn, langs buiten een zeer lieflyk roozekleur hebben, en eenen aengenamen, zoeten, honigachtigen geur inhouden, die de vliegen aenlokt. Wanneer de vliegen met hare trompjes de bloemkransen aenraken, nypen die bloemen zich schielyk toe, en nadat de vliegen dood en zonder beweging zyn, ontsluiten zy zich en verwerpen die uit hare kransen; alzoo bemerkt men dagelyks, zoo lang die plant bloeit, met honderde vliegen die door die bloemen verslonden worden.

Deze lieflyke plant heeft den naem van Hondendood verkregen, omdat zy in al hare deelen een hevig vergift inhoudt, om de honden en andere viervoetige dieren te dooden: het sap daeruit geperst, met vleesch of brood vermengd, en de viervoetige dieren voorgeworpen, doet die weldra opzwellen en bersten, maer het schynt dat dit vergiftig sap den mensch zoo hinderlyk niet is. Deze plant kan door wortelscheiding, met den herfst of in de lente, aengekweekt worden en onze wintersche koude zeer wel wederstaen.

HONDSGRAS, Hondswortel, Peën, in 't fransch Chiendent, in 't latyn Triticum repens, is onder de 15° klasse, 3° sectie van Tournefort gesteld, der bloembladlooze planten, die geene eigenlyke bloemkransen hebben, door Jussieu onder de familie van de Grasplanten, en onder de 3e klasse van Linnaeus, Triandria digynia, driehelmigen, planten die met drie meeldraedjes bloeijen en twee stampertjes hebben.

Het Hondsgras of Peën (Triticum repens van Linnaeus, of Panicum dactylon van de oude Kruidkenners), is eene langlevende grasplant van Europa, die in België ten alle kanten in de slecht bebouwde velden en landen groeit, met lange wortels die in de aerde zyn uitgebreid, en de vruchten te velde zeer hinderen, derhalve moet een landbouwer wel zorgen, door het omploegen en zuiveren, dit Hondsgras uit zyn landen te weeren, en na het inzamelen der vruchten met den herfst, die wel met eenen drietand, voor het omploegen van den grond, uit te zuiveren.

Het Hondsgras gedroogd is zeer koud van aerd, maer heeft eenen zoeten aengenamen smaek, en is zeer goed om de koeijen 's winters te voeden. De wortels van dit gewas versch gestooten, zyn zeer dienstig om op de wonden te leggen; het water waerin die Peën gezoden zyn, is by sommige landlieden nog zeer geacht,

om de pyn des buiks te verdryven, water en winden te lossen, en het graveel te doen ryzen met al wat de blaes belast. Niettegenstaende dat veel geneesheeren die middels verwerpen, worden zy heden alhier nog te lande, door afkooksel als verkoeldrank gebruikt, door de menschen die met eene longerziekte en langdurige borstkwellingen zyn besmet, met Heemstwortels en gepelde Gaerste gekookt, zyn zy zeer verkoelend van kracht, ververschen den mond en de ingewanden der zieken, als men er eenige dagen 's morgens en 's avonds van drinkt.

HONDSKERSE, Bosch-Geitenblad, in 't fransch Xylostéon, Chèvre-feuille des Bois, in 't latyn Lonicera periclymenum, door Tournefort Xylostéon genoemd, door Jussieu onder de familie van het Geitenblad gesteld, en onder de 5e klasse van Linnaeus, Pentandria monogynia, vyfhelmigen, planten die met vyf meeldraden bloemen en maer één stampertje hebben.

De Hondskerse (Lonicera periclymenum van Linnaeus) is een langlevend, klimmend heester-houtgewas van Europa, dat in België ten alle kanten in de bosschen groeit, en voor de verandering van gewassen veel in de lusthoven wordt geplant, het wast met byna altoos groene bladen, aen de knoopen der ranken te samengegroeid, en bloeit van juny tot in july, met trompetvormige bloemen, die langs buiten witachtig rood en naer binmen geel zyn, en zeer schoone bleeke, scharlaken beziën voortbrengen.

Ik heb deze plant afzonderlyk beschreven, omdat sommigen die met het russich Geitenblad (Lonicera tatarica) verwarren; zy wordt in verscheidene landstreken Hondskerse, Kamperfolie, Trompetbloem, Kaperfolie, maer toch meest van den gemeenen man Bosch-Geitenblad genoemd. Om niet te herhalen hetgeen ik reeds gezeid heb, verzoek ik myne lezers, zich naer de beschryving van het Geitenblad (II" D., bl. 200) te wenden, alwaer zy al de heilzame deugden van die Hondskerse zullen beschreven vinden.

HONDSTAND, in 't fransch Dent de Chien, in 't latyn Ery

« VorigeDoorgaan »